Dinsdag 22/09/2020

Filosoof Samuel IJsseling wordt vandaag zeventig 'Ik ben niet zo intelligent'

Als stamvader van het postmodernisme in de lage landen mag Samuel IJsseling als een van de invloedrijkste filosofen van de afgelopen eeuw gelden. Tijdens zijn lange loopbaan heeft hij Heidegger en Sartre nog ontmoet. Maar bovenal was hij die minzame, toegankelijke en uiterst leesbare prof, die geleerd doen steevast een zwakte noemde en eigenlijk het liefst van al romancier was geworden. Uitgerekend vandaag, op de kortste dag van het jaar, wordt hij zeventig. Hij zal het vieren met een wandelingetje door Leuven. Portret van een weifelmoedig mens.

David Van Reybrouck

Foto Stephan Vanfleteren

'Niks!", zegt hij heel beslist. Ik heb hem zonet de laatste vraag van het interview voorgelegd: wat hij zou doen voor zijn zeventigste verjaardag? Het gebruikelijke wandelingetje in Leuven wellicht, misschien zou zijn schoonzusje uit Nederland overkomen, maar verder: niks. Het is het meest resolute antwoord dat er op drie uur cassettetape is terechtgekomen. Professor Samuel IJsseling praat doorgaans veel bedachtzamer. In de afgelopen uren heb ik gemerkt hoe hij mijn vragen uiteenrafelt, schoorvoetend beantwoordt en er nadien op terugkomt om een nuance toe te voegen. Het woord dat opvallend vaak in zijn spreken opduikt, is 'ofschoon', een bijna archaïsche nuance. Voor hij begint te spreken valt er tussen vraag en antwoord een pauze die vaak een aantal seconden duurt. Onbeweeglijk denkt hij dan na, zijn voorhoofd rustend in de schelp van zijn hand, gelijk een diep ademend standbeeld uit de late oudheid.

Toen ik bij het begin van de namiddag aan zijn voordeur op de Bondgenotenlaan aanbelde, was Leuven een ijsvlakte. De ijzel van afgelopen nacht deed de kooplustigen van de Leuvense Champs-Elysées schuifelen als bejaarden, een merkwaardig gezicht. Eenmaal boven op zijn ruime appartement valt er van de gladde eindejaarsgekte niets te merken. Hij woont er al dertig jaar; er heerst een tijdloze rust, een soberheid die herinnert aan het modernisme van de jaren zeventig: effen tapijt, franjeloze boekenkasten, abstracte kunstwerken, ruim licht. De zuiverheid van zijn interieur stemt moeiteloos overeen met de helderheid van zijn werk. Interieur betekent innerlijk.

Nog voor we goed en wel gaan zitten, vertelt IJsseling me dat hij geen zin heeft in het klassieke vraag-en-antwoordspelletje. Het moet een gesprek worden, van mens tot mens. Die openheid voor de ontmoeting typeert hem ten volle. Van 1969 tot 1997 was Samuel IJsseling hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte. Hij was een bijzonder geliefde docent. Niet alleen omdat zijn examens de reputatie hadden een gemakkelijke 'mondelinge invuloefening' te zijn (híj sprak, jij moest af en toe een woord invullen), maar vooral omdat hij een waarlijk inspirerende lesgever was die luisterde naar zijn studenten en zich nooit verborg achter de bekende filosofische wolligheid.

IJsseling: "Het klinkt misschien pretentieus, maar in mijn colleges heb ik nooit iets gezegd wat ik zelf niet begreep of doordacht had. Geleerdheid vind ik zwakte. Ik kan ook enorm geleerde stukken schrijven met heel veel voetnoten en vaktermen, maar dat is dan voor die twee of drie mensen die het moeten lezen uit verplichting, wellicht niet eens uit plezier. Ik vind het van belang dingen te schrijven die gelezen worden buiten een kringetje van vakgeleerden, ofschoon ik evenmin wil vulgariseren. Vroeger stelde ik in vakdiscussies soms zeer simpele vragen: 'U zegt dat nu wel, 'het transcendentaal subject', maar ik begrijp dat woord niet'. Voor mijn collega's was ik dan weer een beetje de clown: 'Ach, Sam vraagt weer iets!'. Ik deed dat nochtans niet uit branie, maar gewoon omdat ik het wou bevatten.

"Nu verdraag ik mensen die gedachten zo abstract verwoorden niet meer. Desnoods ben ik wel bereid om een hele avond op een bladzijde van Hegel te zitten, maar ik ben dat niet van plan als een student of een collega dat doet. Ik lees dat niet meer. Laat ze eerst maar eens proberen het eenvoudig te zeggen. Het gevaar is wel dat leesbaarheid voor gemakkelijkheid wordt versleten. Het meest teleurstellende wat mensen me kunnen zeggen, is dat ze mijn 'boekje' over de Griekse goden 'in een adem hebben uitgelezen'. Weten ze dan wel waarover het gaat? Door mijn verlangen naar helderheid ontstaat soms het gevaar dat ik problemen ontwijk: het moeilijke hou ik dan voor een andere keer."

Zou dat zo zijn? Van gemakzucht kan IJsseling moeilijk beticht worden. Hij is de auteur van een half dozijn boeken die zowel nationaal als internationaal zeer worden gewaardeerd. Over filosofen als Heidegger, Nietzsche, Derrida en Schelling, over onderwerpen als retoriek, postmodernisme en polytheïsme. Mochten zijn keurig uitgeschreven collegevoorbereidingen ooit gepubliceerd worden, dan zou het lijstje dubbel zo lang zijn. Zijn toegankelijkheid als schrijver en hoogleraar deed geenszins afbreuk aan de diepgang van zijn werk. Hoewel hij consequent in het Nederlands schreef ("Ik denk helemaal in het Nederlands, Duits zou ook nog kunnen, maar Frans is de mooiste taal") werd zijn standaardwerk over Retoriek en filosofie vertaald in het Engels en het Duits en zijn essay Mimesis in het Engels. Het is weinigen gegeven: op het hoogste niveau waardering krijgen en tegelijkertijd een breed publiek aanspreken. De sleutel tot succes bleek een gebrek aan geldingsdrang."

'Ik heb nooit geschreven om carrière te maken. Ik heb het geluk gehad dat dat niet hoefde in mijn tijd. Die vreselijke publish or perish-politiek waaronder jonge onderzoekers nu gebukt gaan, leidt tot ongelooflijk veel brol. Wel was er een soort eerzucht bij mij aanwezig, een innerlijke noodzaak om neer te schrijven waar ik mee bezig was. Misschien is het wel vergelijkbaar met wat kunstenaars doen. Hebben die een boodschap? Neen. Ze willen dat gewoon kwijt.

"Ik schrijf nochtans zeer moeizaam. Ik mag heel blij zijn als ik een bladzijde per dag afkrijg. Dat vervult me met zowel trots als schaamte: alles is doordacht, ja, maar waarom gaat het bij anderen zoveel gemakkelijker? Er gaat zo enorm veel door me heen wanneer ik schrijf: herinneringen aan reizen, boeken, angsten. Dat moet ik allemaal uitsluiten. Als ik dan later de tekst herlees, is dat helemaal weg. De grote schrijvers als Mulisch of Nooteboom zijn in staat om met hun woorden die hele wereld te suggereren. In filosofische teksten is dat moeilijker. Ik heb ooit wel gedroomd om een roman te schrijven. Als ik heel eerlijk mag zijn: eigenlijk was ik liever romancier geworden. Ik vind dat Emma Bovary van Flaubert veel meer zegt over wat de mens is dan de hele wijsgerige antropologie, ofschoon ik dat weer niet zou kunnen zeggen als ik geen filosofie had gedaan."

Niet alleen bezit hij een enorme filosofische belezenheid, IJsseling volgt daarnaast ook de letterkunde op de voet. De wand vol wijsbegeerte in zijn werkkamer krijgt een echo in de boekenkasten met bellettrie in zijn slaapkamer. Hij leest nochtans even langzaam als hij schrijft, zegt hij. Het is geen wonder dat er zoveel ijzel in zijn naam zit, denk ik. Zijn lievelingsboeken blijken echter van een bijzondere soort.

"De twee belangrijkste instrumenten voor mij als filosoof zijn de dikke Van Dale en het etymologisch woordenboek. Dat laatste is mijn meest versleten boek. Ik speel graag met woorden. Dat is ongetwijfeld een heideggeriaanse tic: ik hoor 'verveling' en onmiddellijk denk ik aan 'veelheid' - wat trouwens niet klopt. Vandaar dat ik niet kan denken in het Engels, die hele associatieve keten stopt dan bij mij. De Britse en Amerikaanse filosofen staan zo zelden stil bij de afkomst van woorden. In mijn hele boekenkast staat geen enkel Engels boek."

Door die voorliefde voor het Franse en Duitse denken zou Samuel IJsseling een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de continentale filosofie in de lage landen worden. Hij was de eerste die in het Nederlands een grote studie aan de Duitse metafysicus Martin Heidegger wijdde (het onderwerp van zijn proefschrift uit 1964), de eerste die over de psychoanalyse van Jacques Lacan schreef, de eerste die in Vlaanderen en Nederland het belang van de postmoderne denker Jacques Derrida aangaf - allen auteurs die ondertussen gemeengoed zijn geworden van de hedendaagse filosofie en cultuurkritiek. Maar hoe wordt zo'n transparante schrijver als hij precies aangetrokken tot filosofen die zich bijna autistisch uitdrukken?

"Ik weet het niet. Heidegger en Derrida zijn inderdaad het summum van moeilijkheid, maar ik was gefascineerd door de ingewikkeldste problemen. Je hebt filosofen voor wie het vak een soort problem-solving is, voor mij gaat het echter om het fundamenteelste. Wat is filosofie? Laten zien dat de dingen ingewikkelder zijn dan wij denken. Ik wil die moeilijkheid begrijpen en kunnen zeggen in mijn taal. Als dat niet kan, vind ik het niet interessant. Ooit heb ik nog het vak filosofie moeten geven aan studenten geneeskunde. Van overheidswege is dat niet goed gevallen omdat ik onze toekomstige dokters te onzeker maakte. Ik stelde hen namelijk vragen als: 'Waarom willen jullie nu mensen genezen? Is dat nou het hoogste goed? Het mislukt altijd, want uiteindelijk gaan ze allemaal dood!' Natuurlijk moeten ze ook mensen genezen, maar ze mogen daar toch best eens over nadenken. Filosoferen is bij de meest vanzelfsprekende dingen vraagtekens plaatsen."

Samuel IJsseling werd in Delft geboren als jongste van drie zonen. Zijn vader was een overtuigd katholiek onderwijzer die gedichten, krantenartikels en heemkundige stukken schreef. Hij overleed op jonge leeftijd ten gevolge van een duistere ziekte die hem verlamde. IJsseling was nauwelijks dertien. Op school was hij een middelmatige leerling, maar toen hij op internaat werd gestuurd betekende dat voor hem een verlossing uit het kleine, benauwde huisgezin waar zijn moeder kampte met een depressie na de dood van zijn vader.

IJsseling: "Ik heb altijd een beetje willen ontsnappen. In 1953 ben ik ingetreden bij de augustijnen in Nederland, achteraf gezien misschien meer om intellectuele redenen dan om religieuze. Het was de enige mogelijkheid om filosofie te gaan studeren. De augustijnen waren toen intellectueel zeer progressief. In Eindhoven liep ik colleges bij Kwant en Luijpen, beiden augustijnen, die een hele generatie hebben gevormd. Dat was ongelooflijk interessant. Vandaag vind ik het geen ramp dat de kerk invalt, wel dat er geen intellectuele kracht meer zit in de clerus."

Vervolgens ging hij vier jaar theologie studeren in Rome. "In de archieven daar moet ik als een slechte student bekendstaan, die colleges waren er zo slecht. Wat een onzin daar verteld werd! Ik heb toen maar zeer veel filosofie gelezen. In 1959 werd ik in Rome tot priester gewijd. Daarover praten lijkt voor mij alsof het een ander leven betreft: dat is voor mij zo lang geleden, zo anders, zo voorbij. Ik had algauw geen zin in het klerikale. Een aantal mensen heeft me toen aangemoedigd om filosofie te doen. 'Wees niet bang', zeiden ze, 'als je zelf creatief genoeg bent, zijn er altijd wegen, je moet alleen de moed hebben om je eigen weg te gaan'."

In 1960 kwam hij in Leuven aan. Behalve met de kerkelijke, neothomistische filosofie had het prestigieuze Hoger Instituut voor Wijsbegeerte voeling met recente stromingen als fenomenologie en, later, het existentialisme. IJsseling raakte er helemaal gefascineerd door het denken van Heidegger; diens Sein und Zeit uit 1927 vormde het uitgangspunt van zijn doctoraal onderzoek. Heideggers denken, zo zou IJsseling later schrijven, 'is een voortdurend onderweg zijn, en wel op vele wegen tegelijk' en wordt gekenmerkt door 'een enkele vraag: de vraag naar de zin of de waarheid van het zijn'. Heidegger wierp problemen op die voorheen in de filosofie nooit aan de orde waren gekomen en vroeg om een andere, meer authentieke omgang met de wereld waarin de mens zijn eindigheid begreep als een mogelijkheid.

"Toen mijn proefschrift af was, heb ik het hem opgestuurd en vroeg ik of ik hem eens kon ontmoeten. Voor mij was hij een heel groot denker, maar hij bleek een hoofd kleiner dan ik. Ik was diep onder de indruk van zijn intelligentie. Als je ook maar iets zei, wist hij perfect waar je naar zocht en kon hij het perfect formuleren. Uit zijn geschriften kwam hij naar voren als diepzinnig, maar in het gesprek bleek hij veeleer scherpzinnig."

Uit zijn boekenkast haalt hij een publicatie van Heidegger waar, in diens bijna gotische handschrift, een opdracht in prijkt voor IJsseling. Heidegger is altijd een controversiële denker geweest. Niet alleen omdat meer analytische geesten hem poëtische vaagheid verweten, maar vooral omdat hij als rector van de universiteit van Freiburg in 1933 zijn loyauteit aan de NSDAP had uitgesproken.

IJsseling heeft het er nog altijd moeilijk mee: "Die affaire van 1933 vond ik bijzonder moeilijk, ik stopte dat een beetje weg voor mezelf en de studenten. Mijn lectuur van Heidegger was toch sterk getekend door de Franse visie van Sartre, Foucault en Merleau-Ponty. Mijn Heidegger is altijd de linkse Heidegger geweest. Ook Nietzsche is voor mij eerder een progressieve denker dan de figuur die later met het nazisme in verband werd gebracht, al schreef hij dingen die ik niet zonder meer zou willen onderschrijven.

"Eigenlijk ben ik nog steeds een late 68'er. In 1967 en 1968 studeerde ik in Parijs, les événements de mai heb ik van zeer nabij meegemaakt en hebben voor mijn persoonlijke leven enorm veel betekend. Al heb ik nooit op de barricaden gestaan, ik heb er ontzettend veel geleerd en ontdekt op menselijk gebied en ik ben er ook politiek bewust geworden. Met vrienden ging ik naar vergaderingen waar ik wel eens Sartre heb ontmoet en Cohn-Bendit... Ik volgde de seminaries van Lacan en Derrida, die toen totaal onbekend was."

Bij zijn thuiskomst bleek Leuven ineens vervlaamst en was er een grote nood aan Nederlandstalige professoren. IJsseling mocht beginnen. De eerste jaren woonde hij nog altijd in een augustijnenklooster in Heverlee, maar zijn twijfels, gevoed door zijn ervaringen als soixante-huitard, gaven algauw de doorslag.

"Ik kon dat bestaan niet meer verzoenen met mijn filosofie. Ik voelde me er helemaal geen lid meer van. Officieel ben ik nooit uitgetreden, hoewel ik een brief heb geschreven waarin ik uitlegde waarom ik van kerk en orde was weggegroeid. Waarom niet? Ach, de meeste mensen schrijven zich toch ook niet uit uit de kerk? Mijn kloosternaam 'Samuel' heb ik behouden. Iedereen noemde me Sam, ik publiceerde onder die naam en vond hem bovendien mooi. Alleen mijn nabije familie zegt nog steeds Hans."

De ontkerkelijking bracht tevens een wending in zijn denken teweeg. In het begin van de jaren zeventig had hij naar eigen zeggen 'een beetje genoeg' van Heidegger. Hij gaf college over Marx, las met zijn studenten het Communistisch Manifest en teksten over Lenin en stortte zich op het probleem van de retoriek. Tot dan toe was er in de filosofische traditie steevast enig misprijzen geweest voor de retoriek. In het kielzog van Plato, die vond dat de taal zo goed mogelijk de ware werkelijkheid moest afbeelden, had men eeuwenlang de retoriek per definitie bekeken als een soort malafide verdraaiing van de waarheid. IJsseling was het daar niet mee eens. Bij de sofisten, bij Nietzsche en bij Derrida vond hij een heel andere kijk op de verhouding tussen taal en werkelijkheid.

"De platoonse gedachte dat de idee los kan staan van het woord is mij vreemd. Voor mij is filosofie een kwestie van verwoorden. Als het niet goed of niet mooi verwoord is, vind ik het niet interessant. Er is geen filosofie buiten de taal. Sterker zelfs: voor mij is het woord zelf een stuk werkelijkheid. Een discours is zelf iets, weliswaar van een andere aard dan een tafel of een stoel, maar toch met een zekere materialiteit, een omvang, een klank of tastbaarheid. Wat dat betreft ben ik een soort materialist. Ik ben, denk ik, zeer zintuiglijk. Ik kook bijvoorbeeld erg graag, vroeger heb ik ook veel in de tuin gewerkt. Voor mij heeft het denken zonder meer iets stoffelijks."

Eens te meer valt het me op hoe nauw IJsselings leven en denken met elkaar verweven zijn. Een opmerking over metafysica leidt tot Parijs, een gedachte over retoriek tot tuinieren. Dat betekent niet dat denken en doen naadloos op elkaar aansloten (zo erkent hij ootmoedig dat hij in zijn colleges kritischer was dan in daadwerkelijk engagement), wel dat leven en leren elkaar wederzijds bevruchtten. Zo is het moeilijk om zijn zoekende, aarzelende filosofie niet te herkennen wanneer hij het heeft over relaties.

"Ik heb altijd goede vriendinnen gehad en er waren momenten waarop ik had willen trouwen of samenwonen. Ik had heel lang een vriendin, een kunstenares uit Antwerpen die ondertussen gestorven is. Ik heb drie heel goeie vriendinnen gehad, maar ze zijn alledrie gestorven toen ze rond de vijftig waren.

"Misschien lag het ook aan mij: ik heb me nooit willen binden. Soms heb ik daar spijt van. Nu ik zo oud word, heb ik geen kleinkinderen. Maar om kinderen op de wereld te zetten zou een vrouw me toch wel heel erg overtuigd moeten hebben. Als je wat wilt lezen en schrijven moet je gewoon vele uren per dag alleen kunnen zijn. Iemand zei me laatst dat ik nu meer monnik ben dan ooit tevoren, dat is misschien wel waar."

IJsselings onvermogen om definitieve keuzes te maken, zowel politiek als relationeel, weerklinkt als een bijzonder doorleefde ervaring van hoe hij ooit de postmoderne conditie omschreef: 'het wegvallen of ontbreken van een centrum, het leven in het meervoud, het wantrouwen ten aanzien van de idee van vooruitgang, het opschorten of uitstellen van een definitief oordeel of exclusieve keuze, en het besef dat alles al eens eerder is gedaan, gedacht en gezegd'.

Hij kan er zich nog altijd in vinden: "Wat voor mij heel wezenlijk is aan het postmoderne is het totaal ontbreken van eenheid. Er is alleen een veelheid van constructies. Het doorbreken van het monotheïsme, van die ene geschiedenis, die ene wetenschap, die ene filosofie... Het leven heeft die eenheid niet meer, het is een aaneenschakeling van contradicties. Een veelvuldigheid van onverzoenbaarheden. Zelf hou ik van erg verschillende filosofen en interesseer ik me zowel voor Italiaanse renaissance-schilderkunst als voor het werk van Lucebert."

Ter illustratie van die stelling prijken achter zijn bureau twee authentieke pentekeningen van de grote Vijftiger. Een brute, kinderlijke kracht. Ze zijn wonderschoon. De figuur die voor IJsseling de postmoderne conditie het meest belichaamt, is dan ook Dionysos, de Griekse god van de vruchtbare tegenstelling en de onophefbare veelvuldigheid. Terwijl Apollo staat voor orde, rust en beheersing is Dionysos de god van de roes, de extase, de omkering en de overtreding. Allemaal goed en wel, zeg ik hem, maar als ik uw levensstijl zie, komt u mij toch eerder als Apollinisch over. In zijn sober appartement staat niet eens een geluidsinstallatie; men hoort er alleen het geloei van de stadsbussen op de Bondgenotenlaan.

"Maar natuurlijk! In een bepaald opzicht ben ik natuurlijk ook rationalist. Ik leef zeer gedisciplineerd, rigoureus zelfs. Ik sta vroeg op, eet op vaste momenten, ben stipt. Maar filosofen zijn vaak het tegendeel van wat ze zelf schrijven. Levinas heeft het altijd over de Ander, maar telkens als ik hem ontmoette, had ik de indruk dat de ander voor hem niet werkelijk bestond. Toch is het ingewikkelder. Er is waarschijnlijk wel een dimensie van de overtreding in mijn bestaan. Het universitaire discours heb ik willen overtreden, maar ook het maatschappelijke: ik heb computer noch gsm. Daar zit een soort verzet in. In december wil ik bijvoorbeeld helemaal niets kopen, ik wil niet aan die massahysterie meedoen. Daarnaast heb ik in mijn persoonlijke leven nogal wat geëxperimenteerd. Ik heb de transgressie niet geschuwd. Achteraf bekeken was dat heel goed, ik heb er geen schade door opgelopen. Als je nooit op dit gebied de overtreding hebt gezocht, weet je niet wat leven is. In 1975 op Times Square in New York zo'n café binnengaan waarin op een toog schitterende, naakte vrouwen staan te dansen, dat was toen echt een overtreding voor mij, hoor! Nu hoef je de televisie maar aan te zetten en daar staan ze ook te dansen. Tegelijkertijd heersen er een nieuw gemoraliseer en puritanisme die veel verschrikkelijker zijn dan wat de kerk ooit heeft kunnen bereiken. De tijdschriftenwinkels liggen vol met stapels mannenbladen en tegelijk is er dat beschuldigende vingertje en is alles met schuld beladen."

Het wordt stilaan donker in de werkkamer waar we praten. Nu we Apollo en Dionysos hebben gehad, gaat het gesprek in de richting van de rest van het Griekse godendom. Met boeken als Apollo, Dionysos, Aphrodite en de anderen: Griekse goden in de hedendaagse filosofie en Drie godinnen: Mnemosyne, Demeter, Moira heeft IJsseling daar de laatste jaren opvallend veel over geschreven. Waarom?

"Dat interesseerde mij al vanaf de middelbare school en nog eerder. Tijdens de hongerwinter zaten wij in volle oorlogstijd zonder verwarming en licht en hadden we maar een uurtje water per dag. 's Avonds, voordat we gingen slapen, vertelde mijn vader telkens een verhaal. Dat kwam vaak uit de Griekse mythologie. Mijn vader was een ongelooflijk goede verteller."

Met zijn liefde voor veelvuldigheid zou IJsseling vele jaren later oproepen tot een postmodern polytheïsme, iets wat bij velen ongewild provocerend overkwam.

"Maar voor mij was het heel vanzelfsprekend. In die Griekse goden kan ik niet echt geloven, maar ik leef wel in een wereld waarin ze betekenis hebben omdat de rituelen en de verhalen errond betekenisvol zijn. Overigens is er weinig verschil tussen de godenverering van de Grieken en de heiligenverering van het katholicisme. Als ik in Italië ben, kan ik nog een kaars opsteken voor de madonna. De madonna is in de mediterrane wereld de voortzetting van Isis en Osiris in Egypte en van Aphrodite en Demeter in Griekenland. Als ik doodga, wil ik niet als priester of augustijn begraven worden. Wel wil ik een kerkelijke begrafenis, maar dat is meer omwille van het ritueel. Ik geloof niet meer in God, maar wel in de kerk - met kleine letter -, in een gemeenschap die de verhalen blijft vertellen en de kleine rituelen blijft uitvoeren die de mens boven zichzelf uit kunnen heffen. Ik ben een heiden, maar wel religieus: ik leef in het besef dat het leven geschonken is. De goden, de verhalen, die zijn hier ook."

Metafysica maar ook leesbaarheid, Heidegger maar ook Marx, Apollo maar ook Dionysos, de Italiaanse renaissance maar ook Lucebert, kritiek maar ook terughoudendheid, abstractie maar ook tuinieren, relaties maar ook eenzaamheid, huren maar ook dertig jaar blijven - ik vraag hem of weifelmoedigheid een zwakte of een sterkte is.

"Dat is een moeilijke vraag. Op de eerste plaats is twijfel geen keuze voor mij, hij dringt zich op. Soms ervaar ik het als een zwakte: de aarzeling is bepalend geweest voor mijn leven, ik kan erg moeilijk beslissingen nemen. Maar die weifelende houding heeft ook met een soort openheid te maken waardoor ik veel nieuwe dingen heb ontdekt. Niet meteen oordelen of afwijzen is een rijkdom. Ik heb wel vaak gedacht en ik denk het nog: ik ben niet zo intelligent. Je hebt mensen die ongelooflijk snel en scherp kunnen reageren, dat kan ik niet. Maar filosoferen heeft voor mij iets te maken met een oerscepsis. Er is zo weinig zeker als het over fundamentele dingen gaat."

Als hij vertelt dat bij Derrida veelvuldig het woord 'peut-être' voorkomt, en bij Heidegger 'möglicherweise', moet ik even glimlachen. Ofschoon.

"Soms heb ik gedacht: ben ik nu gezegend of vervloekt? Nu kan ik zeggen dat ik een goed leven heb gehad, maar ooit leek er een vloek op mijn bestaan te rusten. Geen vrouw, geen kinderen, geen gezin, weliswaar een carrière, maar de buitenwereld beseft niet welke eenzaamheid en verdriet je hebt. Die afgrond gaapt nu niet meer. Maar als de gedachte om er een eind aan te maken nooit bij je opgekomen is, ben je uiteindelijk oppervlakkig. Zes jaar geleden maakte ik het heel slecht: ik hoestte, was erg kortademig. Toen men foto's van mijn longen had gemaakt, zag alles ernaar uit dat ik longkanker had. Ik wou geen behandeling van de arts. Het is mooi geweest, dacht ik, maar nu is het voorbij. Na een paar dagen bleek dat ik toch geen kanker had. Toen stopte ik met roken en kwamen er ineens heel nieuwe perspectieven. Nu maak ik elk weekend mijn wandeling door Leuven. Zo zou ik wel vijfennegentig willen worden."

Met dank aan Pieter Van Reybrouck en Hilde Van Gelder.

'Ooit heb ik nog het vak filosofie moeten geven aan studenten geneeskunde. Van overheidswege is dat niet goed gevallen omdat ik onze toekomstige dokters te onzeker maakte. Ik stelde hen vragen als: 'Waarom willen jullie nu mensen genezen? Is dat nou het hoogste goed? Het mislukt altijd, want uiteindelijk gaan ze allemaal dood!' Natuurlijk moeten ze ook mensen genezen, maar ze mogen daar toch best eens over nadenken'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234