Zondag 19/09/2021

InterviewDe vragen van Proust

Filosoof Ignaas Devisch: ‘Gelukkig konden ze mij tegenhouden of ik zat misschien in een instelling’

'Ik heb heel lang aan mezelf en de buitenwereld willen tonen dat ik echt wel iemand was, niet die kleine verlegen onzekere dwaze jongen.' Beeld © Stefaan Temmerman
'Ik heb heel lang aan mezelf en de buitenwereld willen tonen dat ik echt wel iemand was, niet die kleine verlegen onzekere dwaze jongen.'Beeld © Stefaan Temmerman

Schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Eenentwintig directe vragen, evenveel openhartige antwoorden. Vandaag: hoogleraar filosofie Ignaas Devisch (50). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?

1. Hoe oud voelt u zich?

“Ik denk de leeftijd die ik ben. Ik ben vorig jaar 50 geworden, en heb in die periode een aantal interviews gegeven waar tussen haakjes (50) bij stond. Ik dacht: waarom moet dat nu zo benadrukt worden? Vind ik dat nu confronterend? Ben ik het ermee eens dat ik 50 jaar ben? (lacht)

“Het cliché wil dat je je jonger voelt dan je bent. Ik heb dat gevoel niet. Ik zou ook niet meer jonger willen zijn. Wat ik het meeste apprecieer aan mijn leeftijd, is dat ik veel minder het gevoel heb dat ik mezelf moet bewijzen en tonen wie ik ben, waar ik voor sta en waartoe ik in staat ben. Ik ben nu hoogleraar en dat geeft me de rust om me te aan het publieke debat te wijden en daar veel tijd in te stoppen. Het contact met de maatschappij en kennis doorgeven vind ik nu veel belangrijker. Dat hangt ook samen met hoe ik met filosofie bezig ben. Filosofie gaat over inhoud, niet over ego’s.

“Als ik het vergelijk met vroegere periodes waarin je meer moet strijden en je plaats opeisen, vind ik het nu een veel fijnere tijd. Als je aan het begin van je carrière staat, doctoreert, kinderen krijgt en alles samenkomt, heb je vaak het gevoel: het is te veel. Nu heb ik iets van: ik ga me nog twintig jaar amuseren, en het mag langer ook. Vijftig jaar is de puberleeftijd voor een filosoof, schijnt het. Ik ben dus eigenlijk nog een jong gastje.” (lacht)

2. Wat was de moeilijkste periode in uw leven?

“Mijn middelbareschoolperiode. Ik werd flink gepest in een tijd waarin dat totaal niet bespreekbaar was. Als veertienjarige was ik klein en tenger. Met halve mannen in je klas ben je dan al snel een prooi. Ik klapte dicht en kwam er niet meer toe om te studeren, waardoor mijn verhouding met school helemaal getroebleerd raakte. Op een bepaald moment werd ik met mijn moeder bij de verantwoordelijke van het PMS (thans CLB, red.) geroepen. ‘Het spijt me mevrouw, maar uw zoon is toch niet slim genoeg voor het algemeen secundair, ik stel voor dat hij naar het beroeps overschakelt.’ Ik kan die woorden nog altijd horen resoneren. Net als de kwaadheid van mijn moeder, die heel goed wist dat dit niet klopte en daarom een nieuwe school voor me zocht.

'Mijn moeder heeft in mij geloofd op een moment dat ze zelf te horen kreeg dat ze kanker had.' Beeld © Stefaan Temmerman
'Mijn moeder heeft in mij geloofd op een moment dat ze zelf te horen kreeg dat ze kanker had.'Beeld © Stefaan Temmerman

“Bij de inschrijving stelde de man van het PMS daar mij de oersimpele vraag: ‘Ignaas, wat scheelt er?’ Dat had een geweldig effect, omdat ik voelde dat ik vrijuit mocht spreken. Niemand had mij die vraag ooit gesteld. Het stroomde eruit. Ik zei dat ik niet slim genoeg was. ‘Toon eens je punten. Inderdaad: 34 procent voor wiskunde, dat is niet vet. Maar wat is dit hier? 100 procent voor Grieks en godsdienst? En je zou te dom zijn?’ Dat gesprek had een katalysatoreffect. Op het einde van het jaar had ik 94 procent of zo. Ik herinner me nog dat ik aan de titularis ben gaan vragen of het geen vergissing was. (lacht)

“Het heeft daarna nog een flinke tijd geduurd om mezelf te overtuigen dat ik niet dwaas was, met veel ups en downs. Ik had een gigantisch laag zelfbeeld. Mocht je me toen hebben gezegd dat ik ooit les zou geven aan honderden studenten of in een televisiedebat zou zitten, ik had je compleet gek verklaard. Met meer dan twee mensen spreken ging niet. Ik was verschrikkelijk verlegen, zat slecht in mijn vel. Had niemand om mee te spreken. Pas aan de universiteit heb ik beseft dat er toch iets in mij zat. Mijn wereld ging open.”

3. Wat is uw passie?

“Op mijn zeventiende heeft een leraar mij gesuggereerd om een filosofieboek te lezen. Ik wist niet eens wat filosofie was, maar ben naar de bibliotheek gestapt en heb Nietzsche en Foucault ontleend. Meteen het stevige werk. (lacht) Ik dacht: wat? Is er daarover geschreven? Al die vragen waar je als puber mee worstelt – bestaat de mens wel echt, waarom worden er oorlogen gevoerd, wat is de zin van het leven? – kwamen daarin aan bod.

“Ik ben langzaam meer gaan lezen en hoewel ik niet alles begreep, voelde het wel als thuiskomen. Zoals je ergens een stad kunt bezoeken en denken: hier zou ik kunnen wonen. Je slaat een boek open en denkt: had ik dat nu eens eerder geweten. (lacht) Filosofie gaf me veel zelfvertrouwen. Ik kreeg een positie in de wereld die ik daarvoor niet had.”

4. Aan wie bent u schatplichtig?

“Aan velen maar zeker aan mijn moeder, die al lange tijd geleden overleden is. Zij heeft in mij geloofd op een moment dat ze zelf te horen kreeg dat ze kanker had. Dat woord is bij ons toen nooit uitgesproken. Op een bepaald moment huilde mijn moeder aan tafel, onverklaarbaar emotioneel. Dan kwam er een heel vaag verhaal dat ze even in het ziekenhuis zou zijn maar dat alles goed zou komen. Verdere vragen werden afgeblokt.

“Het was borstkanker. Het woord borst was toen volstrekt taboe. Ik voelde aan de hele omgeving dat er iets ergs aan de hand was, maar niemand die wat zei. Zo kwam de directeur van de school opeens de klas binnen om te vragen hoe het met me ging. Ik begreep er niets van. Dat ze juist in die periode mij zo gesteund heeft om op zoek te gaan naar een school waar ik me beter zou voelen, is onwaarschijnlijk. Dat was een cruciaal moment in mijn leven. Ik was 14 jaar.”

BIO

• geboren op 15 augustus 1970 in Brugge • professor in de medische filosofie en ethiek • verbonden aan de medische faculteit Universiteit Gent • vijf jaar gastonder­zoeker bij Radboud Universiteit Nijmegen • publiceert en geeft lezingen in binnen- en buitenland en is een regelmatige gast in radio- en tv-programma’s • columnist bij De Standaard • auteur van een twintigtal boeken, waaronder recentelijk Doordenken over dooddoeners (2019) en Zijn er nog vragen? (2020)

5. Wat vindt u een kenmerkende eigenschap van uzelf?

“Ik denk doorzettingsvermogen. Ik heb vaak het gevoel gehad dat ik heb moeten strijden voor wat ik wilde doen. Je zou het ook koppigheid kunnen noemen. (lacht) De rode draad door mijn leven is dat ik niet opgeef.”

6. Wat is uw zwakte?

“Ik vind het heel moeilijk om niet te overdrijven. Ik heb heel lang aan mezelf en de buitenwereld willen tonen dat ik echt wel iemand was, niet die kleine verlegen onzekere dwaze jongen. Dat heeft er vaak voor gezorgd dat ik tegen een muur botste omdat ik mezelf had uitgeput. Ik herinner het me nog goed: de dag na mijn doctoraatsverdediging ben ik in bed gekropen en drie weken later ben ik eruit gekomen. Ik kreeg de ene ontsteking na de andere, zo hard had ik me te pletter gewerkt. Ik dacht: als ik nu geen cum laude haal, dan zal ik heel mijn leven ongelukkig zijn. (lacht) Zo’n strever was ik. Sindsdien heb ik wel meer rust gevonden en heb ik veel minder het gevoel dat alles op losse schroeven staat.”

7. Hoe voelt u zich in uw lichaam?

“Ik was zeer onzeker, maar op een sportterrein kwam er iets in mij naar boven. Een vechtersmentaliteit die me staande hield. Dat heeft ervoor gezorgd dat ik ben blijven sporten.

“Ik vind het een mooie manier om te ontspannen en te voelen dat je een lijf hebt. De sensuele dimensie van het leven, het zintuiglijke, elke dag eten klaarmaken en omgaan met je lijf, elkaar vastnemen, een evenwicht proberen te vinden tussen het lichamelijke en het intellectuele, dat is voor mij heel belangrijk.

“Sporten is mijn kompas. Te weinig slaap, te druk, te veel stress, als ik loop weet ik na een paar tellen al of mijn hartslag goed zit, ik hoef niet te kijken. Als ik het te weinig doe, word ik nerveus. Het mag koud zijn, regenen, sneeuwen, maar ik moet naar buiten.”

8. Wat vindt u erotisch?

“De reden waarom ik iemand aantrekkelijk vind heeft veel te maken met uitstraling, glimlach, ogen, handen, zachtheid, humor. Ik merk ook dat ik me meer aangetrokken voel tot vrouwen met rondingen.

“Erotiek is een breed begrip voor mij omdat ik de dimensie van sensualiteit heel belangrijk vind. Natuurlijk is seks fantastisch, dat spreekt voor zich. Maar als het zich zou beperken tot x aantal keer per week een bepaalde tijd met elkaar in bed doorbrengen en het stelt voor de rest niet zoveel voor, zou ik het zeer bedroevend vinden. Ik vind samen met iemand eten in alle intimiteit ongelofelijk erotisch. Dat schept een enorme nabijheid.

“Maar natuurlijk kan ik ook weleens naar een foto kijken en denken: halleluja!” (lacht)

'Hoe iemand erin slaagt op een halve bladzijde een wereld voor je te openen, vind ik magisch.' Beeld © Stefaan Temmerman
'Hoe iemand erin slaagt op een halve bladzijde een wereld voor je te openen, vind ik magisch.'Beeld © Stefaan Temmerman

9. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?

“In de zin van een connectie voelen met een hoger wezen, niet nee. Maar als je de vraag opentrekt naar zingeving, betekenis vinden in het leven, dan is lichamelijkheid wel een belangrijk instrument om tot een diepe ervaring te komen. Misschien met een beetje overdrijving zou je kunnen zeggen dat het aankomen bij de eindstreep van een marathon daar ook iets van heeft, een vorm van extase die je doet vergeten dat het allemaal pijn doet.

“Het gaat om de intensiteit denk ik, het gevoel dat het er wel toe doet. Het is een te gemakkelijke houding om te zeggen: alles dient tot niets, het leven is zinloos. Tuurlijk is hét leven zinloos, maar dat betekent niet dat ik niet tot een zinvol leven kan komen. Zin ontstaat voor mij in wat we met ons leven aanvangen. Niet in iets wat er vooraf zou zijn, of er na dit leven zou zijn. Die zinvolheid ervaren of daarnaar op zoek gaan, dat is misschien wat voor mij het dichtste aanleunt bij een religieuze ervaring.”

10. Wat biedt u troost?

“Muziek. Elke dag een goede maaltijd klaarmaken en mensen in de buurt hebben die minstens doen alsof het lekker is. (lacht) En ik heb ook altijd houvast gevonden in filosofie. In moeilijke periodes, ook in mijn job waar veel concurrentie en druk is en waar ik altijd wel een soort haat-liefdeverhouding mee heb gehad, ben ik altijd teruggekeerd naar de basis: waarom doe ik dit? Lezen en herlezen, dat heeft me altijd veel steun gegeven. Hoe iemand erin slaagt op een halve bladzijde een wereld voor je te openen, vind ik magisch.”

11. Welk boek heeft voor u een bijzondere betekenis?

“Ik zal er eentje uithalen dat op meerdere vlakken van belang is geweest. Het is een Frans boek, La communauté désoeuvrée, van Jean-Luc Nancy (°1940, red.). Hier misschien niet zo bekend, maar wel een wereldvermaard filosoof.

“Met het oog op mijn doctoraatsonderzoek zat ik al een tijdje rond dat thema van individu versus gemeenschap te lezen, tot ik plots dat boek opensloeg en hij in drie zinnen bleek samen te vatten wat ik al twee jaar probeerde te doorgronden. (lacht) Ik heb hem toen een brief geschreven en tot mijn grote verwondering kreeg ik een brief terug waarin hij mij uitnodigde bij hem thuis in Straatsburg.

“Ik dacht van huh? Die man had wel iets beters te doen dan met een jonge student uit België even een paar dagen door te brengen, maar hij ontving mij heel royaal en discussieerde over zijn boek met een openheid alsof hij zelf niet de schrijver ervan was. Ik legde hem een paar stellingen voor en zijn reactie was: ‘Je ne sais pas si je suis encore d’accord avec ce thèse ou non.’ Hij dacht oprecht na of hij nog akkoord ging met zichzelf. (lacht) Heerlijk.

“Hij deed iets met filosofie wat me ook na aan het hart ligt: ruimdenkend openen. Je deelt kennis en sluit je niet af door te zeggen: kijk hoe ik dit taaltje beheers. Hij dacht gewoon samen met mij hardop na. Ik vond dat een groot cadeau. We houden nog altijd contact. Heel fijn.”

'De smalende berichten over psychoanalyse kan ik absoluut niet bevestigen. De therapeute die mij heeft begeleid, was wonderbaarlijk goed.' Beeld © Stefaan Temmerman
'De smalende berichten over psychoanalyse kan ik absoluut niet bevestigen. De therapeute die mij heeft begeleid, was wonderbaarlijk goed.'Beeld © Stefaan Temmerman

12. Welke kleine alledaagse gebeurtenis kan u blij maken?

“Veel hoor. Als mijn plantjes groeien, als het eten geslaagd is, als de koffie lekker ruikt. Een toevallige ontmoeting, wat in deze tijd lastiger is. Ik denk dat we het geluk te vaak zoeken in iets spectaculairs. De dagelijkse orde interesseert me enorm, als belangrijke dimensie van ons leven. Het zonlicht dat ’s ochtends in mijn bureau binnenkomt. Al bij al ben ik een simpele jongen.” (lacht)

13. Wat is uw grootste angst?

“Nu ben ik vrij van angsten, maar ik heb er lang mee geworsteld. Van mijn kindertijd tot ver in mijn volwassen leven heb ik zware nachtmerries gehad. Pas door een aantal jaren intensief bij een psychoanalytica in gesprek te gaan, ben ik daarvan verlost geraakt. Ik had verschrikkelijke dromen, en als je er niet over kunt spreken, blijven ze bestaan. Eigenlijk wist ik niet wat slapen betekende. Ik stond vaak op met het idee: is de nacht voorbij of moet hij nog beginnen? En om te verdringen dat ik zo moe was, werkte ik des te harder.

“De smalende berichten over psychoanalyse kan ik absoluut niet bevestigen. De therapeute die mij heeft begeleid, was wonderbaarlijk goed. Scherp, intelligent, geëngageerd en altijd bereid om nogmaals het verhaal te horen. Wat die mensen van verdriet opvangen, dat is ongelofelijk. Dag in, dag uit luisteren ze naar mensen. Als je ziet hoe je leven daarna opengaat, is die investering van vier, vijf jaar therapie nodig om tegen te gaan dat je tegen het einde van de rit nog steeds in datzelfde cirkeltje zit.”

14. Wanneer hebt u het laatst gehuild?

“Toen mijn meter is overleden, anderhalf jaar geleden. Hoewel ze al lange tijd uit mijn leven was verdwenen, heeft ze in mijn kindertijd een belangrijke rol gespeeld.

“Haar begrafenis had een enorme tristesse. Het had iets afgrondelijk triestigs hoe ze geëindigd is. Als je dan naar foto’s kijkt van toen ze twintig was, wat een mooie, stralende vrouw. Dat heeft me diep geraakt.

“Ik kan ook zeer emotioneel worden bij een muziekstuk. Vooral als ik moe ben, springen de tranen mij soms in de ogen. Ik vind huilen absoluut bevrijdend. Het was vroeger iets wat je beter niet deed als man, maar gelukkig zijn we daar nu al een tijdje van af.”

15. Bent u ooit door het lint gegaan?

“Ooit, of het laatst? (lacht) Ik denk dat het nu toch wel al lang geleden is. Wat me het meest is bijgebleven, is een moment van pure kortsluiting op school. Ik herinner me nog goed: ik liep tijdens de lagere school op de speelplaats en een kerel door wie ik gepest werd duwde me tegen de muur zodat mijn neus brak. Voor mij was dat een breekpunt, letterlijk. In blinde razernij ben ik op die gast gevlogen en heb ik mijn handen rond zijn keel gezet.

'Als je net overleden bent, ben je heel erg aanwezig, dat is een heel interessante paradox. Plots ben je weer belangrijk.' Beeld © Stefaan Temmerman
'Als je net overleden bent, ben je heel erg aanwezig, dat is een heel interessante paradox. Plots ben je weer belangrijk.'Beeld © Stefaan Temmerman

“Ik hoor nog de kinderen rond ons joelen. Drie volwassen leerkrachten waren er nodig om me van hem los te trekken. Gelukkig konden ze mij tegenhouden of ik zat misschien in een instelling. Ik zou niet gestopt zijn. Het ging niet meer. Zo moegetergd was ik.

“Als ik daar nu op terugkijk, vind ik dat zeer beangstigend. Ik was toen in staat geweest om zijn keel dicht te knijpen. Dan besef je: de omstandigheden waarin je terechtkomt, kunnen een totaal ander mens van je maken.”

16. Wat is uw vroegste herinnering?

“Ik die in mijn broek begin te plassen omdat er iemand zeer hard op de deur bonkt, en dat blijkt dan Zwarte Piet te zijn. (lacht) Scènes met sterke emoties blijven lang bij. Zoals op zondagmiddag op de schoot van mijn grootvader zitten terwijl we samen naar het voetbal op de radio luisteren. Heerlijk.”

17. Hoe zou u liefde definiëren?

“Twee woorden: betrokkenheid en overgave. Geen voorwaarden stellen, dat is overgave. En betrokkenheid: dat je aanvaardt dat je allebei fouten kunt maken en elkaar kunt kwetsen. Dat het niet stopt bij het eerste euvel. Liefde is juist daar voorbij proberen te kijken. Zo ervaar ik liefde, zowel in een pure relatie als in vriendschap. Korter kan ik het niet uitleggen.

“Er is veel liefde in mijn leven aanwezig die me gelukkig maakt. Ik denk ook dat je liefde niet transcendent moet formuleren alsof er één unieke persoon zou zijn die al je verlangens invult. Ik denk dat je meerdere personen heel graag kunt zien, zelfs tegelijkertijd. Betrokkenheid is niet het privilege van een monogame relatie. Dat zou er nog aan moeten mankeren.”

18. Wat is de speciaalste plek waar u ooit de liefde hebt bedreven?

“Dat vind ik een moeilijke keuze. Ik twijfel tussen een tweetal. Eén, in een laatavondtrein, waar we zijn beginnen vrijen met het spannende idee dat er nog altijd een kaartjesknipper onze coupé kon binnenkomen. (lacht) Wat niet gebeurd is. De afstand tussen Brussel en Gent was daar niet ver genoeg voor.

“En twee, op een oudejaarsnacht, in een vervallen gebouw naast een café, waar we in alle hevigheid de liefde bedreven hebben, terwijl het feestgedruis binnen en op straat in volle gang was.

“Dat is een tijd geleden, ja. Of ik dat nu nog zou doen? Ba ja gij. (lacht) Tuurlijk. Het zou me wel kwetsbaar maken omdat ik nu iets bekender ben. Het zou niet stroken met de waardigheid van mijn ambt, zoals dat heet, maar zeker en vast. Het hangt natuurlijk samen met het idee van betrapt te worden, dat maakt het spannend. Fantasie en verbeelding houden seks gaande. Het is niet dat ik het gehad heb omdat ik 50 ben. Het leven begint pas.” (lacht)

19. Welke droom zou u nog graag realiseren?

“Eén grote droom heb ik niet. Ik zou onder meer graag verder de weg inslaan om filosofie voor een breder publiek te brengen. Zo heb ik tijdens de coronacrisis een filosofieboekje geschreven voor kinderen. Dat liep als een trein. Ouders stuurden me foto’s: ‘Kijk, hij zit te lezen!’ Met kinderen in gesprek gaan is zo geestig. Dat soort zaken.

“Daarnaast hoop ik dat mijn kinderen verder gelukkig opgroeien en hun weg vinden. Ik was nooit vragende partij om kinderen te hebben, maar ben enorm blij dat ze in mijn leven zijn. Kinderen zorgen ervoor dat je minder met jezelf bezig moet zijn. Ik vind dat heel bevrijdend. Kinderen verplaatsen je perspectief naar wat je voor hen kunt betekenen. Ik kan me niets voorstellen dat belangrijker is.”

20. Hoe zou u willen sterven?

“Misschien is het voor omstanders minder leuk, maar het ideale scenario lijkt me toch dat je ofwel al dansend neervalt, ofwel plots tijdens een maaltijd een laatste hap neemt en je hart het begeeft.

“Liefst volop in het leven dus. Niet teruggetrokken in een slaapkamertje met één of twee mensen erbij. En liefst zonder lijden. Ik heb mijn moeder zien sterven aan kanker. Langzaam tumor worden, dat is de gruweldood, het ultieme schrikbeeld.

“Als je net overleden bent, ben je heel erg aanwezig, dat is een heel interessante paradox. Plots ben je weer belangrijk. (lacht) Eigenlijk zouden we meermaals moeten kunnen sterven. Maar dat gaat niet. Als het inflatoir is gaan we zeggen: ‘Tot de volgende keer, aansteller.’” (lacht)

21. Wat zou u wensen als laatste avondmaal?

“Dat vind ik moeilijk, omdat ik veel met eten bezig ben en heel divers eet.

“Om het simpel te houden: gewoon naar het frietkot gaan, zoals ik als tiener vaak deed, en een pakje frieten bestellen met twee frikandellen en stoofvleessaus. En veel zout. En een pint. En dan naar het voetbal gaan kijken. Het echte leven!” (lacht)

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234