Zondag 16/05/2021

Filosofie in tijden van pijn

William Desmond. 'Het tragische en het komische': de kloof tussen leven en wijsbegeerte

Griet Vandermassen

Spinoza omschreef ooit het filosofische verlangen als volgt: niet lachen, niet huilen, noch verafschuwen, maar alleen begrijpen. Is dit werkelijk wat de filosofie doet? Staat ze dan zo ver van leven en dood af dat we met haar niets aankunnen op kritieke momenten, zoals bij de dood van een geliefd persoon?

Er bestaat inderdaad een filosofische tendens om een tragische situatie onmiddellijk in een rationeel denkkader te plaatsen. Ze wordt dan geïnterpreteerd als een uiteindelijk positieve ervaring, aldus William Desmond, Amerikaans filosoof en momenteel hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven. Meestal hebben we in een situatie van tragisch verlies echter geen boodschap aan de rede, de verpletterende pijn dreigt het denken in elkaar te doen storten. Blijft de wijsbegeerte hier dan noodzakelijk in gebreke en biedt alleen de kunst soelaas?

In Het tragische en het komische onderwerpt Desmond de situatie van verlies en de komische situatie aan een filosofisch onderzoek. De twee delen van het boek zijn uit vroeger werk geplukt en door uitgeverij Boom vertaald naar aanleiding van haar nieuwe reeks Boom essay. Met dit initiatief wil de uitgeverij een Nederlandstalig podium scheppen voor de filosofische essayistiek. Het essay, letterlijk een 'probeersel', maakt geen aanspraak op neutraliteit, maar tracht het vanzelfsprekende van een andere kant te bekijken. Dat is ook Desmonds opzet: hij wil ingaan tegen het heersende beeld van de wijsbegeerte als kil en levensvijandig. Deze poging loopt echter niet van een leien dakje. Hoezeer de auteur het ook anders zou willen, het bewijsmateriaal dwingt hem ertoe te aanvaarden dat deze visie niet zomaar uit de lucht gegrepen is. Het gros van de denkers houdt zich inderdaad liever ver van emotionele bewogenheid en blinkt al evenmin uit in zin voor humor. Desmond loopt hier tegen een muur waarvan hij wenst dat die niet zou bestaan.

Als lezer krijg je de indruk dat hij de muur wat tracht te verdoezelen door er op een heel poëtische wijze over te schrijven. De literaire kwaliteiten van het boek vallen niet te ontkennen; Desmond hanteert een weliswaar abstracte maar bijzonder esthetische stijl, wat van Het tragische en het komische een bedwelmende leeservaring maakt. Het bevlogen taalgebruik heeft echter verraderlijke gevolgen: de lezer wordt wel meegesleept, maar weet soms nauwelijks meer wat de auteur eigenlijk wil zeggen. De prachtige verpakking lijkt soms een gebrek aan inhoud te verhullen. Een antwoord op de prangende uitgangsvraag of de filosofie troost kan bieden komt er niet, Desmonds mening blijft onduidelijk. Door deze inhoudelijke vaagheid blijf je vooral na het eerste deel lichtjes geërgerd achter.

In dit deel plaatst Desmond vooral vraagtekens. Dreigt de filosofie niet in elkaar te storten als ze het denken in categorieën en begrippen opgeeft? Ze leunt dan nauwer aan bij de kunst, de filosoof wordt tegelijk dichter. Hoewel hij in dit verband Nietzsche vermeldt als de eerste filosoof van het tragische, citeert hij ook deze laatste op instemmende wijze: ten overstaan van het tragische lijden hebben we kunst wezenlijker nodig dan filosofie. Het Griekse treurspel behandelt het lijden met feestelijke vreugde en zegt daardoor onvoorwaardelijk ja tegen het bestaan. Volgens Nietzsche pleegt de filosofie verraad aan dat lijden en die vreugde door zich af te keren in de richting van de abstractie.

Maar ook Desmond komt niet verder dan een abstraherend vertoog over de ambivalentie van tragiek. Aan de hand van onder anderen Plato en Shakespeare confronteert hij ons met deze dubbelheid: tragiek ontstaat door de eenmaligheid en dus onvervangbaarheid van de dingen, maar daar staat tegenover dat net de onmogelijkheid van herhaling aan alles specifieke waarde verleent. Door ons doodsbesef leven we intenser. Hierin ligt de waarde van het tragische inzicht.

Het is een uitspraak waartegen niet op te tornen valt, maar waarmee hij zichzelf in de door hem geviseerde abstraherende traditie plaatst. Het tragikomische - en wellicht onbedoelde - gevolg van deze uiteenzetting is dat ze impliciet de uitgangsvraag beantwoordt: het theoretische denken staat inderdaad te ver af van de individueel doorleefde tragische ervaring om werkelijk troost te kunnen bieden. Niet de auteur maar de tekst toont dit aan, alsof die zich stoorde aan zijn onbeslistheid en besloot dan maar op eigen houtje te opereren.

De analyse in deel twee van het verband tussen filosofie en het komische werpt meer concrete vruchten af. Humor bezit duidelijk een filosofische dimensie. Het lachen barst los door de spanning tussen twee tegenstrijdige werelden, vaak tussen het gedroomde ideaal en de werkelijkheid. Het is een manier om met tegenstellingen te leven. De lach ruimt de tegenstelling niet uit de weg maar aanvaardt beide polen tegelijk. Hij relativeert en is door zijn uitbarsting van energie een bevestiging van het leven. Hij maakt het mogelijk te midden van complexe spanningen op de been te blijven.

Het filosofische van humor werkt echter niet automatisch in de tegenovergestelde richting, integendeel. Hoeveel denkers geven blijk van zin voor humor, of (nog een stapje verder) kunnen om zichzelf lachen? Bitter weinig. Hoewel een gezonde filosofie zich bewust hoort te zijn van haar eigen latente absurditeit, van de kloof tussen het abstracte denken en het alledaagse zijn, moet Desmond duchtig spitten in de wijsgerige geschiedenis om een aantal lachende filosofen op te diepen. De denker die deze noemer bij uitstek verdient is natuurlijk Nietzsche; de komische energie van zijn werk blijft ongeëvenaard. Ook Socrates en Plato beschikten over een goeie dosis zelfspot. Minder voor de hand ligt Hegel, de denker van de absolute Geest. Desmond heeft echter genoeg bronnenmateriaal verzameld om aan te tonen dat de saaie bourgeois professor wel eens gniffelde om het contrast tussen het filosofische en het alledaagse, en dat hij de satires van Aristofanes bijzonder kon smaken.

Bij deze opsomming blijft het, alsof er slechts vier dijenkletsende denkers op deze aardbol hebben rondgelopen. Desmond veronachtzaamt vele anderen die eveneens het belang van humor onderkenden, onder wie Schopenhauer, Kierkegaard, Bergson (met zijn beroemde Le Rire). Zelfs het boeddhisme, dat het leven beschouwt als een ondoorgrondelijk, doelloos spel en daarom een lachende wijsheid wordt genoemd, blijft onvermeld. Maar waarschijnlijk bevat de eindconclusie van het boek veel waarheid: de meeste filosofen zijn broers van Spinoza (eventuele zussen komen niet ter sprake). Droogstoppels dus. Is dit nu om te lachen of om te huilen?

William Desmond (vertaald door Ineke van der Burg), Het tragische en het komische, Boom, Amsterdam, 123 p., 650 frank.

Het theoretische denken staat te ver af van de individueel doorleefde tragische ervaring om werkelijk troost te kunnen bieden

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234