Dinsdag 17/09/2019

Filosofen: naar de markt!

Een weg voor antimarxistisch links:

Richard Rorty. 'De voltooiing van Amerika'

De Amerikaanse filosoof Richard Rorty heeft een nieuw boek uit en de collega's zullen het geweten hebben. Heilige huisjes, vooral die van Franse pomo's, worden in De voltooiing van Amerika niet gespaard en bovendien zet Rorty een heel pleidooi op voor een nieuwe, publieke rol van de intellectueel. En ook: God is nog altijd dood, maar de mens opnieuw springlevend.

Marc Van den Bossche

Wie nogal gecharmeerd is van de ironisch-esthetische individualist die Rorty met grote regelmaat heeft opgevoerd, schrikt een beetje bij het begin van zijn nieuwe boek, De voltooiing van Amerika. Nationale trots is voor een volk hetzelfde als wat zelfrespect is voor een individu, poneert Rorty. Zonder zelfrespect of nationale trots is men als individu noch als natie in staat tot zelfverbetering.

Wie hier nu een geborneerd nationalisme ziet opdoemen, hoeft niet bang te zijn. We hebben trots en respect nodig, maar een teveel ervan is ook niet goed: bij staten leidt dat tot oorlog en imperialisme, zoals het bij een individu tot arrogantie leidt. Hebben we echter een tekort aan trots, dan verhindert dat een effectief nationaal beleid. Rorty vraagt van ons een emotionele betrokkenheid bij ons land, omdat pas dan echt sprake kan zijn van een creatief en zinvol debat. Zoals wel vaker gaat Rorty opnieuw te rade bij de literatuur om iets van de tijdgeest te kunnen opsnuiven: romans als Vineland van Thomas Pynchon, die op geen enkele manier nog enig vertrouwen in de maatschappij proberen te wekken. In de boeken die Rorty noemt gaat het vaak om het beschrijven van processen waar het individu totaal geen vat meer op heeft: grote multinationals of het systeem, dingen dus die hun eigen wetmatigheden schijnen te volgen en die niemand een halt toe kan roepen. Dergelijke romans bevatten voor Rorty geen sociale aanklacht meer, maar enkel nog een spottende vorm van berusting.

Rorty heeft het ongetwijfeld bij het juiste eind als hij achter dit soort literatuur het ideeëngoed van filosofen als Martin Heidegger of Michel Foucault verborgen ziet. Bij hen gaat het om het Zijn of de Macht, die grote kolossen waar wij willens nillens door meegesleurd worden. Of dat denken we althans. En omdat we dat denken wordt het proces alleen maar versterkt. Rorty legt de vinger op de zere plek als hij het verschil tussen linkse intellectuelen aan het begin van de twintigste eeuw en hun contemporaine tegenhangers omschrijft als het verschil tussen mensen die handelen en mensen die toekijken. En ja, het zal voor de intellectueel wel makkelijker wezen om te denken dat hij als ironische buitenstaander het onontkoombare systeem kan beschrijven, om dan daaruit de logische conclusie te trekken dat handelen toch geen zier helpt.

Die intellectuelen die zichzelf nog links noemen roept Rorty nu op om opnieuw aan het debat deel te nemen. We blijven een gesprek nodig hebben over wat we van ons land willen maken, zegt hij, en het is links dat die conversatie op gang moet houden. Het volgende citaat vat kernachtig Rorty's politieke boodschap samen: "De toekomst zal zich eindeloos verruimen. Experimenten met nieuwe vormen van individueel en sociaal leven zullen elkaar beïnvloeden en bekrachtigen. Het individuele leven zal onvoorstelbaar divers worden en het sociale leven onvoorstelbaar vrij."

Op dit punt zal Rorty nogal wat hedendaagse collega's tegen de haren instrijken. De idylle van eindeloze verscheidenheid mag men voor hem immers niet verwarren met wat de 'multiculturele samenleving' wordt genoemd. Die terminologie suggereert volgens hem te zeer een ethiek van leven en laten leven, waarbij iedereen zijn eigen cultuur behoudt en die beschermt tegen andere. Dat soort radicale alteriteit weigert Rorty, want ook die maakt het debat onmogelijk.

Critici zullen opwerpen dat Rorty met deze kritiek op het multiculturalisme gewoon voortborduurt op het thema van de allesoverheersende rol van de westerse manier van denken en handelen. Vanuit die positie werd eeuwenlang gepoogd om andere culturen het eigen model op te dringen, met alle imperialisme vandien. Die kritiek zou hout kunnen snijden, maar doet dat in het geval van Rorty niet. Het is voor hem onmogelijk om een visie te verwerven "vanuit het perspectief van God".

De angst van westerse intellectuelen om opnieuw uit oude imperialistische vaatjes te tappen brengt Rorty overigens in verband met de verschuiving van praktijk naar theorie. In zijn interpretatie zou die verschuiving in feite een gevolg zijn van de pleinvrees van filosofen: omdat praktische bemoeienissen van voorgangers bijwijlen minder fraaie dingen hebben opgeleverd, blijven zij dan maar angstvallig binnen de academische muren. En gaan ze de nadruk leggen op nogal abstract lijkende thema's als de onzegbaarheid, de onbeslisbaarheid van betekenis of de onmogelijkheid van consensus. Dat leidt dan tot "een principiële, doorgetheoretiseerde, filosofische hopeloosheid", zegt Rorty.

Wie toch nog de publieke arena wil betreden en zich daarbij bovendien bedient van totaal in diskrediet geraakte termen als 'humanisme', 'liberalisme' of 'reformisme' wordt al snel als burgerlijk en gecorrumpeerd door het systeem afgedaan. "Omdat zij liberaal-reformistische initiatieven als symptomen van een verwerpelijk liberaal 'humanisme' beschouwen, hebben ze weinig belangstelling voor het bedenken van nieuwe sociale experimenten." De hier bedoelde Franse denkers - Foucault, Derrida, Lyotard - voorzien in hetzelfde als de religie vroeger, vindt Rorty: ze leveren ons omgekeerde eschatologieën, rationalisaties van hopeloosheid en ze zadelen ons op met een seculier zondebesef.

Rorty past zijn ironisch pragmatisme hier zeer consequent toe. Het zal wel zo wezen dat we filosofen als Heidegger en al diens Franse poststructuralistische, postmoderne en postfreudiaanse interpretatoren nodig hebben gehad om uit de impasse te raken waarin het westerse rationalisme ons had gebracht, maar nu wordt het tijd om op te houden met bij de pakken neer te blijven zitten. Rorty pleit daarom voor een herwaardering van wat hij 'reformistisch links' noemt. Vast staat voor hem daarbij dat links zich niet meer mag laten beïnvloeden door het marxisme. De marxistische woordenschat van onze politieke woordenboeken vindt hij tot op de draad versleten. Wat hij als reformistisch links beschouwt moet een alternatief bieden. Rorty wil korte metten maken met het idee dat linkse initiatieven enkel van onderaf, van de basis kunnen komen. Die blijven uiteraard welkom, maar kunnen best hand in hand gaan met initiatieven van bovenaf.

Rorty wil Karl Marx dus met veel plezier ten grave dragen. Dat was deels al gebeurd bij 'nieuw' of 'cultureel' links. Na de jaren zestig werd Marx daar immers van de troon gestoten door Sigmund Freud als inspiratiebron voor sociale theorieën allerhande. Op die manier werd het sadisme veeleer dan de zelfzuchtigheid het voornaamste doelwit van links. Cultureel links trok zich terug binnen de universiteitsmuren en filosofie kreeg meer belang dan politieke economie. Voornamelijk de studie van wat Rorty noemt "apocalyptische" Franse en Duitse filosofen gold van toen af als een essentiële voorbereiding op deelname aan linkse activiteiten.

Overigens is het Rorty er zeker niet om te doen met het badwater het kind weg te werpen. Cultureel links heeft succes gehad, geeft hij toe. Die manier van denken heeft oorspronkelijke wetenschap opgeleverd en, niet onbelangrijk, de hoeveelheid sadisme is inderdaad verminderd. Maar dat succes heeft zijn schaduwzijde. Het sociaal geaccepteerde sadisme is dan wel gestaag afgenomen, maar intussen zijn economische onzekerheid en ongelijkheid opnieuw toegenomen. Alsof links maar één initiatief tegelijkertijd aankan.

Maar niet alleen daar dreigt gevaar voor de democratie. Rorty heeft het ook over de globalisering. Zorgde aan het eind van de negentiende eeuw de toenemende industrialisering voor een nieuw soort armoede en werkloosheid, dan dreigt de globalisering nu hetzelfde effect te sorteren. "De globalisering leidt tot een wereldeconomie waarin een poging van elk willekeurig land om de verarming van zijn arbeiders te voorkomen, kan uitlopen op werkloosheid van diezelfde arbeiders. Deze wereldeconomie zal spoedig in het bezit zijn van een kosmopolitische elite die even weinig banden heeft met de wereldarbeiders als de grote Amerikaanse kapitalisten van rond de eeuwwisseling die hadden met de immigrantenarbeiders in hun fabrieken." Rorty noemt dit economische kosmopolitisme zonder meer angstaanjagend.

Maar ook de culturele variant van dit kosmopolitisme is niet heel democratisch, want voorbehouden aan de rijkste 25 procent van de Amerikaanse bevolking. Het gevaar dreigt dat deze bovenklasse de touwtjes helemaal in handen krijgt. Zo leren statistieken dat in 1979 kinderen uit deze topklasse vier keer zoveel kans hadden om universitair onderwijs te volgen als hun minder fortuinlijke vriendjes uit het onderste kwart van de samenleving, terwijl het intussen een feit blijkt dat die gegoeden al tien keer zoveel kans maken op hogere studies.

Wat links daar dan aan kan doen, zo vraagt men zich af. Rorty wordt op dit punt zelf een tikkeltje demagogisch en al te voortvarend. Links moet de theorie verbieden en ermee ophouden alsmaar filosofisch te willen denken, laat hij weten. "De hedendaagse linkse academici denken aldus: hoe hoger het abstractieniveau, des te meer de gevestigde orde ondermijnd kan worden. Hoe doortastender en nieuwer je conceptuele instrument, des te radicaler je kritiek." Cultureel links gaat er dus van uit het systeem te kunnen ondermijnen door het problematiseren van vertrouwde concepten. Dat heeft een paar erg goeie boeken opgeleverd, stelt Rorty, maar het heeft ook duizenden boeken opgeleverd die de academische filosofie van haar slechtste kant lieten zien.

Dat geldt ook voor de Grote Namen: "Als wij de onmogelijkheid van zin of van rechtvaardigheid benadrukken, zoals Derrida in sommige gevallen doet, worden wij in de verleiding gebracht om alles in een geheimzinnig kader te plaatsen - om te denken dat de democratische politiek niet goed functioneert omdat ze niet in staat is bovennatuurlijke krachten het hoofd te bieden." Dergelijke filosofen hebben het liever over het systeem dan over sociale praktijken, besluit Rorty. Zelf zou hij liever meer groepsdemocratie zien en minder macht voor technocraten.

Maar waarom, zo vraag ik mij af, kunnen we het niet zowel over het systeem of over de macht hebben, als over sociale praktijken? Waarom ziet Rorty niet dat de praktijken die nu overheersen - de technocratie bijvoorbeeld - inderdaad de uitdrukking zijn van die immense kolossen die achter het decor werkzaam zijn? Dat heeft te maken met een hele traditie van metafysica en van een ontologie die aan ons denken en handelen ten grondslag ligt, daaraan voorafgaat. De vraag is dan - en deze vraag is gericht aan de door Rorty bekritiseerde academici - of we dit achterliggend decor als een onbeweeglijke massa moeten beschouwen. Of we niet een tikkeltje particularistischer mogen gaan denken. De Macht, met hoofdletter, doordringt al die praktijkjes van macht, met kleine letter. Maar als we aan de kleine lettertjes gaan sleutelen, zal die grote letter misschien ook wel iets minder stevige fundamenten krijgen.

Rorty is blijkbaar bang voor die grote patronen die hele culturen doordrenken. Hij gaat iets te ver in zijn angst voor al wat naar metafysica zweemt. Maar dat neemt niet weg dat De voltooiing van Amerika tot nadenken stemt. Links in het algemeen en filosofen/intellectuelen in het bijzonder hebben hier een lesje te leren. Misschien zullen ze wel zeggen dat Rorty vergeet dat hij het Zijn vergeet, of dat hij gecorrumpeerd is door de Macht. Ook dan heeft hij gelijk.

Richard Rorty, De voltooiing van Amerika, Boom, Meppel, 125 p., 650 frank.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234