Vrijdag 23/08/2019

Fido en ik, wij zoeken de levenden onder de doden

Woensdagochtend, 3.06 uur. Marc Bogaert (49) wordt wakker. Telefoon van de brandweercentrale van Cisnay. Korte snelle zinnen. “Er is een ontploffing in Luik. We hebben nog maar één Franstalige collega van het hondenteam kunnen bereiken. Het lijkt zeer ernstig. Er zijn veertien mensen uit het brandende gebouw gehaald. Er zitten beslist nog veel meer mensen in het gebouw.” Marc Bogaert giet snel wat heet water op wat Nescafé en hoort hoe zijn hond Fido al wakker is in de kennel in de bergplaats. Een uur later rijden ze samen de stad Luik binnen. Hij hoopt samen met zijn hond levenden van onder het puin te kunnen halen.Hij ziet de rode rookpluimen als hij de stad binnenrijdt. Hij vreest het ergste. Bij sterke rookontwikkeling kan hij weinig doen. “Het heeft niet veel zin”, denkt hij. “Gloedbrand”, zegt hij tegen zijn collega’s. Veel hout, veel dingen die lang blijven nasmeulen, veel rookontwikkeling. Hij kijkt naar wat er rest van het appartementsgebouw. Hoeveel mensen er in aanwezig waren, weet men niet. “Er bleken nogal veel mensen te verblijven die niet ingeschreven waren in de stad.” Er wordt nog volop geblust. Hij verkent de toestand van het gebouw. “Ik moet zien wat voor dingen er boven ons hoofd hangen en het gevaar op instorting peilen.” Hij denkt aan wat hij een week voordien in Haïti heeft gezien op veel grotere schaal. Maar hij ziet vooral de angstige blik van mensen die om hun familie roepen. Hij ziet de hulpeloosheid. Hij ziet wat hij zelf gevoeld heeft. “Mijn vrouw is tien jaar geleden overleden. Kanker. Ik weet wat het is om te willen vechten tegen het lot. Ik heb jaren gevochten tegen het terminale.” En hij weet hoe hoog de lokroep van de hoop op een mirakel klinkt. En hij weet hoe gruwelijk het is om het gevecht met het noodlot te verliezen. “Ik ben nog altijd alleen.”“Kom Fido”, zegt hij. In zijn broekzak heeft hij een stokje om Fido te belonen als hij een levende vindt. Hij stapt langs het smeulende puin. Een wandeling in de rouwrand. Met zijn hond verder gaan heeft geen zin, de aanwezige brandweerlui helpen en steunen wel. “Het geroep van een vrouwenstem onder het puin was te horen. De vrouw heeft men kunnen redden.”Hij schat samen met de brandweercommandant de kans op andere overlevenden onder het puin in: “nihil”. Maar hij blijft ter plaatse. “Je weet nooit.”Hij hoopt altijd dat het gebeuren zal. Hij en zijn hond tussen de brokstukken. “Als mijn hond puin ziet, weet hij perfect wat hij moet doen. Als hij iemand levend vindt, zal hij beginnen blaffen of zich druk beginnen te gedragen. Zijn staart gaat omhoog staan. Hij blijft ronddraaien op zijn plaats. Hij wordt nerveuzer. Mijn hond en ik, wij zoeken de levenden onder de doden.”“Mijn vader was hondenmeester bij het leger. Als kind mocht ik soms in het weekend mee naar de kazerne. Daar zag ik hoe intens een relatie tussen baas en hond kan zijn. Die lichaamstaal, dat wederzijds respect en hoe die twee elkaar verstonden.”En zo leerde hij met honden een team te vormen. Thuis hadden ze een ‘gezelschapshond’: “Het woord ‘straathond’ klinkt zo oneerbiedig voor een hondenliefhebber.” Toch maakte Marc Bogaert van het hondenwerk niet dadelijk zijn beroep. “Ik ben twintig jaar lang installateur geweest van centraleverwarmingsinstallaties. Vijftien jaar geleden meldde ik mij als vrijwilliger bij de brandweer. Tijdens een feestelijke stoet ter gelegenheid van het honderdjarige bestaan van de brandweer van Merelbeke zag ik de brandweermannen uit het land met honden wandelen. “Dat wil ik ook”, dacht ik. “Mijn overste vond het goed. Ik heb me in de jaren die volgden steeds meer getraind in het op zoek gaan naar levenden onder het puin met mijn hond. Sinds een jaar heb ik mijn werk als installateur stopgezet. Ik wil nu alleen nog met mijn honden werken.” Dat zoeken naar levenden, misschien kwam het wel door de eerste dode die hij tijdens zijn werk als brandweerman moest begraven. “Mijn vriend en ik werden met de brandweerwagen opgeroepen. De MUG zat vast bij een zwaar verkeersongeval op de E40. We troffen iemand aan die geen enkele kans meer had. We hebben hem met zijn tweeën nog proberen te reanimeren terwijl zijn familie erbij stond. Ik zie nog altijd die hoop van die mensen voor mij, die reddeloosheid nadien, die onmacht. Je doet je best, maar soms kan dat niet baten.”Een paar jaar later, in augustus 1999, gaat hij met diezelfde brandweercollega naar de aardbeving in Turkije. Ze hebben dan beiden hun honden al getraind op het zoeken naar levenden. Hij zoekt altijd een hond die bij hem past. “Wij moeten samen een team vormen. Ik heb graag heel nieuwsgierige honden, vinnig, enthousiast. Enthousiasme kun je altijd intomen. Ik ben eerder rustig van aard.”Turkije was nog een plek waar alles in grote chaos verliep, maar in die chaos, wist hij al: “Ik wil iets doen.”“Bij zulke natuurrampen voel je je zo nietig. Maar met die nietigheid die je als mens hebt, geeft iemand redden zoveel voldoening.” Na Turkije kwam hij automatisch bij het B-Fast-team terecht, dat na de ramp in Turkije werd opgericht. Aan de tweede missie naar Turkije deed hij niet mee. “Mijn vrouw was toen terminaal ziek.” Een ramp op het thuisfront. Een paar jaar later, zijn vrouw is gestorven, gaat hij hulp bieden in Algerije. Zijn zoon is dan 16 jaar. “En weer voelde ik me zo omvergeworpen door wat de natuur aanricht, bij al die ravage, al die vernietiging. Ik denk dikwijls: wat gaat er in zo’n mens om die hier twee dagen onder het puin gelegen heeft? We hebben soms oogcontact met de overlevenden. Ik kan u niet zeggen wat ik dan zie, daar zijn geen woorden voor.”“Na die missie heeft mijn zoon me gezegd: ‘Pa, ik was bang. Ik was bang dat u iets zou overkomen en ik alleen zou achterblijven.’” Daar denkt hij dikwijls aan. Ook toen hij met het hondenbegeleidersteam naar Haïti vertrok op 13 januari. “Het is een vreemd landschap waar je dan plots door rijdt. De chauffeur van een vrachtwagen leidde ons naar de plaatsen die het zwaarst getroffen waren. We reden langs de doden die nog op straat lagen. Ik zag de mensen die nog levend waren met hun hoofd tussen hun knieën op straat zitten, treurend, een veld van gelatenheid. Alsof iedereen zich aan dat immense noodlot had overgegeven. Mensen die leefden op vuilnisbelten, die tussen de golfplaten en de verwoesting zaten. Die armoede en die gelatenheid hebben me daar die eerste dag nog het meest gepakt.” Bij een zwaar getroffen plek in de stad werden de honden losgelaten. “Vele plekken waren niet toegankelijk vanwege het puin. Hier en daar moesten we stuntwerk uithalen, de honden optillen om hen te beschermen tegen gevaarlijke scherven. ’s Avonds hebben we samen met een Spaanse ploeg een kind van twee jaar levend kunnen bevrijden. En altijd voel je dan een grote verbondenheid met dat nog ademend wezen dat uit de doden gered kan worden.” Hij bezocht met zijn hondenteam verschillende sites. Soms vonden ze levenden. “Soms zagen we alleen maar een hand of een been en dan die vragende ogen van onder dat puin daarna, dat is een ultiem contact. Maar dan begint het puin ruimen. Soms duurt dat per geval acht tot tien uur. Je ziet het traag vorderen. Iedere levende die je vindt, geeft moed om door te gaan. Op een bepaald moment heeft iemand me een baby in de armen geduwd. Ook dat vergeet je niet.” “Soms zijn er extreme noodsituaties, dan is niet nadenken maar snel handelen het enige wat rest. En eerlijkheid. Een arts op het terrein zei: ‘Ik kan het niet.’ Een brandweerman zei: ‘Ik zal het wel doen.’ Een vrouw die we tussen het puin gevonden hadden, moest ter plaatse geamputeerd worden. Anders zou ze dood zijn gegaan. Haar been moesten we afbinden met een mes. Eén van de reddingswerkers heeft met een zaag haar voet moeten afzetten.” Hoe je daar later mee omgaat, dat hangt van persoon tot persoon af, dat weet hij uit ervaring. Als teamleider heeft hij cursussen gevolgd om een posttraumatisch stresssyndroom bij zichzelf en bij zijn reddingswerkers snel te herkennen en te behandelen. “Er zijn tekenen die alarmerend zijn: afwezig blijven, zich afzijdig houden, iedere keer dezelfde gebeurtenis aanhalen. Soms is luisteren naar zo iemand al genoeg. Je kunt het niet voorspellen bij wie en wanneer het gaat gebeuren.”Hij gaat ermee om op zijn manier. Rustig. “Altijd alles in het juiste perspectief blijven zien.” Ter plekke richt hij zich op het werk dat gedaan moet worden, hoe hard ook. “Maar altijd is de radeloosheid van de familie me het meest blijven raken. Ik herinner me de woorden van enkele omstanders in Algerije nog, toen we na een lange zoekactie niet konden zeggen dat we iemand gevonden hadden. Ze kwamen op me af, gaven me een hand en zeiden: ‘Merci, quand même.’ En die quand même, dat maakt u zo klein, zo klein.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden