Maandag 28/11/2022

Feestend de vernieling in met F. Scott Fitzgerald

Nu Leonardo DiCaprio Jay 'de grote' Gatsby vertolkt, verschijnt een filmeditie van een van de beste great American novels ooit. De postume roem van F. Scott Fitzgerald is onverslijtbaar. Portret van een schrijver die torenhoog klom alvorens te vallen.

We namen elk een flinke teug. (...) Ooit noemde ik Sarah en mijzelf Zelda en Scott, maar dat stoorde haar want het beviel haar niet wat er van Zelda was geworden. Het beviel mij al evenmin wat Scott had getikt", schrijft Charles Bukowski in het begin van zijn roman Hollywood. Het citaat is exemplarisch voor de ambigue aantrekkingskracht die het schoolvoorbeeld van een literair glamourkoppel ook vandaag nog altijd geniet. Zelfs degenen die - zoals blijkbaar Bukowski in zijn tijd - niet geporteerd zijn voor Fitzgeralds werk, vallen als een blok voor zijn mythische uitstraling.

Scott Fitzgerald was iemand die zich het volle leven in al zijn facetten dermate gretig wilde toe-eigenen dat hij er, hand in hand met zijn geliefde Zelda, in ijltempo aan ten onder ging. In die zin past hij in het rijtje, min of meer toch, van Bukowski zelf, van William S. Burroughs en anderen die nog altijd voornamelijk bekend zijn bij de gratie van hun legendarische middelenmisbruik en roerige levensloop. Wie ook maar een grein talent bezit voor de valse romantiek van het alcoholisme, is kortom bij de vele Fitzgeraldbiografen heel zeker aan het juiste adres.

Ambigue aantrekkingskracht: wie, wetende wat we weten, met Francis Scott Key Fitzgerald zou hebben willen ruilen, is een levensvreemde idioot, maar wie hem niet ook een heel klein beetje, stiekem, om zijn leven benijdt, hoe treurig het al met al ook geweest moge zijn, moet onverbiddelijk weggezet worden als een dodelijk saaie mensplant.

Wat Fitzgeralds leven alles welbeschouwd zo weergaloos - bijna voorbeeldig - tragisch maakt, is niet alleen de wijze waarop hij zijn laatste tien jaar doorbracht of het feit dat hij op vierenveertigjarige leeftijd opgebrand, berooid, eenzaam en op een haar na anoniem aan een hartinfarct bezweek, maar ook dat het daarbovenop zo schitterend van start ging en hem successen bracht waarvan zelfs de ambitieuste jongemannen niet eens durven te dromen.

Hij komt ter wereld in 1896 in een vrij welgesteld gezin, publiceert zijn eerste verhaal op zijn dertiende in de schoolkrant, wordt na zijn middelbare schooltijd toegelaten aan de prestigieuze Princeton University, waar zijn populariteit slechts heeft te lijden onder de afgunst van fletser stralende goden, maar onderbreekt in 1917 zijn studies om dienst te nemen in het leger. Bang te zullen sneuvelen zonder een boek te hebben geschreven, pent hij in enkele weken tijd echter eerst nog een roman bijeen, The Romantic Egotist getiteld. En dan begint het.

Wilde charmes

Sneuvelen doet Fitzgerald niet, hij wordt zelfs niet naar Europa gestuurd, maar komt als tweede luitenant van de infanterie terecht in de buurt van Montgomery, Alabama, waar hij Zelda Sayre ontmoet en onmiddellijk hevig verliefd op haar wordt. Zelda, achttien jaar oud en van kop tot teen opgetrokken uit klassieke schoonheid, wilde charmes en hoogst capricieus gedrag, kortom een southern belle met een hoek af en een hang naar buitenissigheden en avontuur, valt op haar beurt voor Scott, maar verbreekt ten slotte toch de relatie omdat de jonge soldaat niet vermogend genoeg is voor de deerne van puissant rijke afkomst.

Aanvankelijk reageert Fitzgerald hierop door de handen uit de mouwen te steken: hij tracht in New York carrière te maken als reclamejongen. Het plan mislukt, en hij neemt opnieuw zijn - onuitgegeven - roman ter hand en tovert hem om tot wat zijn debuut worden zal, This Side of Paradise, een boek over ene, duidelijk op Fitzgerald zelf gebaseerde, Amory Blaine, die weerkeert van de oorlog en verliefd wordt op Rosalina. Maar Rosalina wil niet met hem trouwen, want hij is, jawel, te arm voor haar... Frappant genoeg zal ook Jay Gatsby in The Great Gatsby jaren later zijn grote liefde hebben verloren omdat hij als jongeling niet voldoende geld bezat.

Maar met Scott en Zelda loopt het beter af, wat wil zeggen: aanvankelijk toch. This Side of Paradise slaat in als een bom, en geen twee weken na publicatie ervan laat Zelda zich gewillig de ring om het vingertje schuiven. De rest is geschiedenis, wat meteen bewijst hoe spitant, spectaculair en sappig geschiedenis wel degelijk zijn kan. De kersverse chroniqueur van de Jazz Age en zijn oogverblindende eega meten zich een levensstijl aan die als een blauwdruk kan gelden voor die van de prototypische rockster decennia later: laat men zich per taxi van het ene feest naar het andere voeren, dan geschiedt zulks bij voorkeur op de motorkap of anders wel op het dak van de wagen in kwestie gezeten, in hotels en restaurants wordt keet geschopt op een manier die niet zelden tot arrestaties leidt, en zich eenmaal weer op straat bevindend, is het niet ongebruikelijk dat het de echtelieden vervolgens belieft hun blaas te ledigen in pakweg een openbare fontein.

"Een hele natie stortte zich in het hedonisme, koos voor het plezier", zou Fitzgerald later schrijven in het bitter-nostalgische verhaal Echo's uit de Jazz Tijd (1931). Scott en Zelda deden er alles aan om het slechte voorbeeld te geven en "de kostbaarste orgie uit de geschiedenis" zo niet op gang te trekken, dan toch te verpersoonlijken. Inmiddels, tussen het verzwelgen van een sloot champagne en een vijver whisky door, krijgt de onvermoeibaar lijkende Scott het ook nog voor elkaar om twee verhalenbundels en een tweede roman te schrijven. Deze, The Beautiful and Damned, wordt tegenwoordig algemeen gezien als de minst geslaagde van de vier romans die Fitzgerald bij leven publiceerde, maar bevestigt in 1922 niettemin zijn leidinggevende positie in de danmalige literatuur. In 1930 schrijft Fitzgerald, terugblikkend, in een brief aan Zelda dat hij wenste dat "'The Beautiful and Damned' had been a maturely written book because it was all true. We ruined ourselves - I have never honestly thought that we ruined each other." Het is inderdaad opvallend dat ook in zijn jaren van grenzeloos succes, rijkdom en dolle overmoed het werk van Fitzgerald, geconcipieerd in de roze gloed van de maan en even later onder de smetteloos blauwe luchten van de Franse Rivièra, doordrongen is van pessimisme en een onmiskenbaar gevoel van nakende mislukking. Worden zijn romans vaak min of meer 'autobiografisch' genoemd, in gelijke mate verdienen zij achteraf bekeken het predicaat 'profetisch'.

Roze pak, zilveren hemd

In 1924 verhuizen de Fitzgeralds naar Frankrijk (pendelend tussen de Rivièra en Parijs), waar Scott zijn meesterwerk The Great Gatsby zal schrijven, een buitengewoon strak gecomponeerd, onthutsend noodlotsdrama vol onafwendbare toevalligheden die de ondergang bepalen van een man met "een ongemene aanleg om te blijven hopen". Jay Gatsby zelf dus, die ondanks - of misschien mede dankzij - zijn felroze pakken en zilverkleurige hemden voor zowat iedereen een ondoorgrondelijk en hoogst innemend, tot de verbeelding sprekend enigma vormt.

Wederom handelt het boek over ongebreideld bruisende feestelijkheden ("Soms kwamen en gingen ze weer zonder Gatsby überhaupt ontmoet te hebben. Ze kwamen voor het feest met een eenvoud des harten die als toegangsbewijs diende"), en wederom speelt het in een milieu en een tijd waarin de snobs nog stijl hadden en bovendien zozeer de kunst der conversatie beheersten dat men als volgt dialogeerde: "'Zet nog een raam open', commandeerde Daisy, zonder zich om te draaien. 'Meer zijn er niet.' 'Nou, laten we dan gauw om een bijl bellen.'"

Toch onderscheidt The Great Gatsby zich van Fitzgeralds eerste twee romans door een duidelijk groter - en haast onwerkelijk - vakmanschap van de schrijver, die er hier in slaagt zijn thema van de mislukking universeel te maken, en voor iedere lezer navoelbaar. Met The Great Gatsby steeg Fitzgerald boven zijn eigen onderwerp uit, boven de tijdsgeest en boven zichzelf. Beter is haast niet mogelijk, en beter zou het ook niet meer worden.

Dat de critici maar bitter weinig enthousiasme voor het boek konden opbrengen: wat kan Mulisch' stelling dat velen van hen in het water dienen te worden geworpen, overtuigender ondersteunen?

Het Parijs van Hemingway

Wie zich in de jaren twintig van de vorige eeuw eveneens in de Franse hoofdstad bevond, was de jonge Ernest Hemingway. In zijn laatste roman, het postuum verschenen A Moveable Feast, een terugblik op die tijd, zou hij Fitzgerald vilein genoeg portretteren als een ook toen al vroegoude hypochonder met opvallend "korte beentjes" die al "van heel kleine hoeveelheden alcohol" volledig van de kaart raakte. Het aardigste wat met betrekking tot Fitzgerald aan het einde van Hemingways leven uit zijn pen vloeide was: "Je kon op Scott al evenmin boos worden als op iemand die niet goed snik is."

Toch zijn er maar weinig schrijvers die zo vaak in één adem worden genoemd als juist Fitzgerald en Hemingway. Dat is des te verwonderlijker als je hun beider schriftuur vergelijkt: terwijl de uitgebeende staccatostijl van Hemingway hoogst besmettelijk is en zich met meer of minder succes door de begaafde epigoon laat nabootsen, bedient Fitzgerald zich van een complexe, strikt eigenzinnige poëtische taal, zo onnavolgbaar weelderig dat elke poging tot imitatie onvermijdelijk in lachwekkende kitsch resulteert. En laat het nu net kitsch zijn waaraan Fitzgerald zich nooit heeft bezondigd, óók niet in de honderden verhalen die hij ter instandhouding van zijn somptueuze levenswijze om den brode schreef voor onder meer The Saturday Evening Post en Esquire. Wel waar is het volgende: The Great Gatsby is een scharnierboek in Fitzgeralds leven en werk, en nadat het in 1925 verscheen, zou het negen jaar duren eer hij met een volgende roman op de proppen zou komen, Tender is the Night, het boek waarin het thema niet langer mislukking is, maar je reinste hopeloosheid. Er zijn er die Tender is the Night Fitzgeralds grote roman noemen, maar het valt niet te ontkennen dat de stilistische weelderigheid hier af en toe ietwat naar het breedsprakerige neigt, terwijl het voor Gatsby zo kenmerkende evenwicht op het vlak van compositie en plot heeft plaatsgemaakt voor een minder imponerende, enigszins lossere structuur. In vergelijking met zijn voorganger, kortom, kan je dit relaas van een glorieuze liefdesrelatie die onherstelbaar teloorgaat een mindere roman noemen - maar dan ook enkel dán. Dat het boek bij verschijning in 1934 compleet flopt en zowel door het publiek als door de recensenten hooghartig wordt verworpen, vormt hoe dan ook en eens te meer een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de wereldliteratuur.

Fitzgerald was door de ontvangst van Tender is the Night begrijpelijkerwijs ontroostbaar: het boek was voor de schepper van Jay Gatsby, hij met de "ongemene aanleg om te blijven hopen", de laatste strohalm geweest. Vier jaar eerder had Zelda een eerste zenuwinstorting gehad, die haar in een kliniek in Zwitserland had doen belanden, en vanaf 1932, nadat de Fitzgeralds weer naar Amerika waren verkast, zou de eens zo bevallige wondermeid welhaast voortdurend in sanatoria en psychiatrische instellingen verblijven, tot een ervan in 1948 tot de grond toe afbrandde en zij acht jaar na haar chtgenoot het leven liet.

Fitzgerald zelf, veerkrachtig uit principe maar mentaal gebroken en ongeneeslijk drankverslaafd, deed na Tender is the Night nog pogingen om overeind te krabbelen en trok in 1937 zelfs naar Hollywood om daar als scenarist aan de bak te proberen te komen; de zeer vermakelijke maar vooral peilloos trieste Pat Hobbyverhalen zijn van deze periode de neerslag. Hij begaf zich in een nieuwe liefdesrelatie, met een roddeljournaliste, en voltooide zelfs de helft van een nieuwe, veelbelovende roman, The Love of the Last Tycoon, alvorens op vierenveertigjarige leeftijd roemloos het loodje te leggen. De dood moet als een welgekomen uitweg zijn geweest voor hem die in zijn driedelige bekentenisverhaal The Crack-Up (1936) openbaar gemaakt had dat "elke handeling, van het tandenpoetsen in de ochtend tot de vriend bij het diner, een inspanning was geworden". In datzelfde jaar was op de voorpagina van de New York Post een interview met hem afgedrukt, na verschijning waarvan de voormalige letterenkoning naar verluidt een zelfmoordpoging ondernomen had. Het eindigt zo: "'Succesvolle schrijvers!', riep hij uit. 'O mijn God, succesvolle schrijvers!' Hij strompelde naar de ladekast en schonk zich nog eens in."

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234