Zondag 24/10/2021

Februari oogstmaand

David Ewing Duncan. 'De kalender, op zoek naar de tijd': de tijdrekening verklaard

Marnix Verplancke

Door enthousiaste, maar chauvinistische leraars in het lager onderwijs en door een overvloed aan historische Hollywood-producties hebben wij ongemerkt een vertekend beeld gekregen van Julius Caesar. Was hij niet de Romeinse legeraanvoerder die vol lof de dapperheid der Belgen beschreef maar ze desalniettemin in de pan hakte? En was hij niet de stoere bink die, de Charlton Heston-grijns op de tronie gebeiteld, de frêle Cleopatra uit haar tobbe kamelenmelk sleurde, waarbij het jonk nog net een oversized badhanddoek om zich heen kon slaan zodat we ons tevreden moesten stellen met een schamele blik op haar spichtige neus?

Wanneer we David Ewing Duncans boek De kalender, op zoek naar de tijd lezen, blijkt dat die Julius door de geschiedschrijving en de filmindustrie wel heel slecht behandeld is. Op de feestjes die hij en Cleopatra organiseerden werd ook een flinke discussie niet uit de weg gegaan en onder de gasten waren er wel altijd enkelen van de grootste Egyptische geleerden. Het was op zo'n feestje dat Julius Caesar met een van die geleerden aan de praat raakte en tot zijn verbazing te horen kreeg dat de kalender die het Romeinse Rijk hanteerde totaal oubollig was.

Rome gebruikte immers een maankalender met 354 dagen per jaar. Dat dat niet echt praktisch was, wisten vooral de boeren, die de seizoenen voorbij zagen schuiven en tot hun scha en schande moesten vaststellen dat de natuur niet volgde. Na een jaar of zestien bloeiden de bomen in de herfst, moesten ze zaaien in oktober en oogsten in februari.

De tijd was een religieuze zaak in het oude Rome en de priesters gingen er flink mee aan het dollen om de kalender toch nog in de maat van de seizoenen te houden. Dat is toch geen manier van werken, fluisterde de Egyptische geleerde in Caesars oor. Waarom neem je ons systeem niet over: 365 dagen per jaar en om de vier jaar een schrikkeldag?

Uiteindelijk ging Caesar overstag. In het jaar 46 stelde hij in de senaat zijn plan voor. Niet alleen zou het jaar voortaan 365 dagen tellen, het zou ook beginnen op 1 januari en niet langer op 1 maart. 46 zou een overgangsjaar worden en 445 dagen tellen. Naderhand was de senaat zo opgetogen over de kalenderwijziging dat ze de maand Quintilis omdoopte in Julius, wat bij ons nog steeds juli is.

Het oudste artefact dat erop wijst dat de mens aan tijdrekening begon te doen is nagenoeg 11.000 jaar oud: een arendsbot gevonden in de Dordogne dat regelmatige inkervingen vertoont, die hoogst waarschijnlijk naar de maankalender verwijzen. Pas 21 eeuwen voor Christus ontwierpen de Sumeriërs een kalenderjaar. Belastingen moesten op tijd geheven worden en offers die te laat gebracht werden, hadden geen effect. Daarom werd een systeem van 6 maanden van 60 dagen opgesteld. Het waren uiteindelijk de Babyloniërs die de kalender overnamen en er een indeling van een dag in vierentwintig uur aan toevoegden. Waarom ze dat deden blijft een raadsel. Waarschijnlijk omdat de dierenriem 12 tekens telt en omdat ze die elke dag twee keer wilden herhalen. Rond 6.000 voor Christus volgde dan de Egyptische kalender die Caesar later in Europa invoerde.

Met de ineenstorting van het Romeinse Rijk en de opgang van het christendom werd de geschiedenis van de tijd de geschiedenis van dat geloof, met alle negatieve gevolgen van dien. Meer dan duizend jaar gebeurde er op het gebied van de tijdrekening niets. Reeds twee eeuwen na Caesar had Ptolemaeus berekend dat de Juliaanse kalender een paar minuten per jaar verkeerd liep. Maar niemand achtte het nodig naar hem te luisteren. Meer zelfs, naarmate het christendom fundamentalistischer werd, kreeg de tijd een onaanraakbaarder aura aangemeten. Wie er zich mee bemoeide, werd algauw als een duivelszoon beschouwd.

Gelukkig vielen de Arabieren vanaf 750 Europa binnen. Zo'n 300 jaar later zaten zij in grote delen van Spanje en zelfs tot aan de Zwitserse grens. De wetenschap had immers niet stilgestaan. Indiërs en Arabieren hadden de Griekse en Byzantijnse kennis uitgediept en via de moren werd die opnieuw in Europa ingevoerd. Het rijk van Karel de Grote was verbrokkeld geraakt in talloze staatjes, en ieder staatje hield er zijn eigen tijd op na. Iedereen gebruikte weliswaar de Juliaanse kalender, maar dat werd op een heel eigenzinnige manier gedaan. Sommigen vierden het nieuwe jaar op 25 december, anderen op 1 januari, nog anderen op 25 maart, of op Pasen. De dagen werden trouwens niet altijd genummerd. Velen gebruikten de heiligennamen waarmee ze verbonden waren, en die konden van streek tot streek verschillen.

De kalender zoals we die nu kennen werd pas in de zestiende eeuw vastgelegd. De Italiaanse arts Luigi Lilio overhandigde toen een pak berekeningen aan de jezuïet Christophorus Clavius, waarna die ermee naar paus Gregorius XIII trok. De paus legde de bundel voor aan de grootste astronomen en wiskundigen van Europa. Haast iedereen, ook protestanten als Kepler en Brahe, moesten bekennen dat de Juliaanse kalender inmiddels tien dagen uit de pas liep en dat een wijziging broodnodig was. Lilio's plan was bovendien waterdicht. Om louter politieke redenen was er wel enige tegenstand, maar niets kon Gregorius er nog van weerhouden in 1582 4 oktober over te laten gaan in 15 oktober.

Alleen Italië, Spanje en Portugal deden van bij de aanvang mee. Vlaanderen maakte van 21 december 1582 meteen 1 januari 1583 en sloeg Kerstmis gewoon over. Hongarije volgde drie jaar later. En zo volgde uiteindelijk heel Europa, met als hekkensluiters Rusland in 1917 en Griekenland in 1924. China was het laatste land ter wereld dat de gregoriaanse kalender overnam: in 1949, toen Mao op 1 oktober verordende dat het jaar op 1 januari zou beginnen. De kalender, op zoek naar de tijd is een erg informatief boek, doorspekt met leuke anekdotes en verlucht met toepasselijke illustraties. Wat echter meteen opvalt, is de grote aandacht die de auteur besteedt aan de middeleeuwse (non-)geschiedenis van de tijdmeting. In de desbetreffende hoofdstukken dreigt het eigenlijke onderwerp van het boek zelfs in de vergeethoek te belanden. Afgezien daarvan heeft Duncan een knappe prestatie geleverd. Het is, zoals hij in de inleiding van zijn bibliografie schrijft, inderdaad verbazingwekkend dat er over zo'n belangrijk onderwerp als onze tijdrekening zo weinig boeken geschreven zijn. Met De kalender is aan dat euvel meteen verholpen.

David Ewing Duncan (vertaald door Harry Naus), De kalender, op zoek naar de tijd, BZZTôH, Amsterdam, 234 p., 690 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234