Dinsdag 18/05/2021

FEBRUARI, het Lolitaatje onder de maanden

Schrijver Luuk Gruwez blikt terug op de afgelopen maand zoals hij die ervaren heeft in het jaar '01, het hummeljaar van het nieuwe millennium.

"Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open." Het is de eerste regel van 'Februarizon', het gedicht van Paul Rodenko. Laten wij teder zijn voor februari. Februari doet het licht weer aan. Februari is het tienermeisje, het Lolitaatje, het wat te groot geworden kindsterretje, het al behoorlijk wereldwijze puberprinsesje onder de maanden, dat een babydoll van sneeuwklokjes draagt en met een vingerknip de eerste krokussen en paaslelies te voorschijn tovert. Alle stimulantia van het verlangen heeft zij in voorraad. Omdat twee, drie dagen van haar afgeknabbeld zijn, is zij een majesteitje met een amputatie, zoals je die soms aantreft in gore boekjes voor zompige venten die te veel schoonheid ineens niet kunnen verdragen.

Ik ben niet fanatiek en of ik een zompige vent ben, laat ik in het midden, maar het zij duidelijk dat ik een zwak voor februari heb. Nu ik hier alle maanden mag recenseren uit het grote theater van de natuur, met al zijn grandguignol, met al zijn soap, zijn variété, zijn tearjerkers en zijn zwarte komedies, kan ik niet verhullen dat ik tijdens februaridagen de ware toedracht begrijp van het cliché 'reikhalzend uitkijken'. Februari laat mij reikhalzend uitkijken, zelfs als die op druilerige dagen een pruillip opzet en de wenkbrauwen fronst alsof het heel erg bedenkelijk is een maand van maar achtentwintig dagen te zijn.

Er hangt, helaas enkel af en toe, iets ingewikkeld verkwikkends in de lucht, iets waarvoor er nog geen naam uitgevonden is. Vanuit mijn schrijfkamer zie ik neer op achtertuintjes. In een daarvan zijn twee vrouwen volop aan het snoeien. Het oude mag weg, moest eigenlijk al weg zijn, want zie: het nieuwe ligt klaar in de couveuse van de lente. Geef ons een maand, mijn buren en ik, en vanaf kinhoogte zichtbaar voor elkaar beginnen wij opgewonden aan onze haaggesprekken. De buurman die mijn kin het best kent, is een gepensioneerde bouwvakker van zevenenvijftig, die dus - anders dan ik - echt weet wat werken is. Hij heet Harry. Ik vereer hem als het ongevederde stamhoofd van het Runksterse reservaat waarin mijn eigen wigwam en die van hem zich bevinden. (Voor alle duidelijkheid: Runkst is een Hasseltse wijk.) Nog nooit heeft hij de Noordzee gezien, Harry, laat staan de verre zeeën die op mijn sympathie kunnen rekenen. Vandaar dat het hem telkens weer onthutst dat ik zo vaak op reis ga, altijd naar elders hé, altijd naar heinde en verre, terwijl het voor hem geen enkele twijfel lijdt: elders is het enige synoniem van de hel. Het strekt in zijn optiek tot aanbeveling nog nooit de zee te hebben gezien. De zee beweegt te veel, de zee kan nooit eens rustig blijven liggen. Ook wat ík doe, schrijven, vindt hij maar vreemd. "Wa hed dzjie toch vur 'n raar hobby", zegt hij in zijn succulente Hasselts. Waarop ik, naar het oostfront geëmigreerde West-Vlaming, er maar van afzie te repliceren met "Bakkendoe". Wij verstaan elkaar, Harry en ik. Straks mag hij weer alle bloemen uit zijn tuintje fotograferen: hij gaat op reis tussen zijn forsythia's en zijn nachtschonen, tussen zijn tulpen en zijn aubrietia's en daar vult hij zijn albums en zijn leven mee.

Of Harry, die altijd kraakzindelijkheid uitstraalt, net als ik een hekel aan Poepie heeft? Ik weet het niet. Poepie is de knotspoliep die hier tot voor kort twee keer per dag voorbijblubberde en die soms titanische driftbuien bij mij wist te genereren en zelfs, enkele jaren geleden al, een column in een bevriende krant. Poepie vertikte het namelijk steevast het gevoeg zijns honds van mijn stoep te verwijderen en hij vond het nog onbillijk ook dat ik hem ten aanhoren van heel Runkst uitkafferde. (Volkomen nutteloos overigens, want in een laxatief gedachtegoed als het zijne was alles enkel wind!) Thans heb ik evenwel niets dan goed nieuws te melden. Reeds op 3 februari is van ons heengegaan: Poepies Poepdoos.

Al van bij mijn eerste aanvaring met Poepie volgde ik zijn levenswandel alsook die van zijn poepdoos heel secuur. Eigenlijk had Poepie aanvankelijk twee poepdozen, een grote en een kleine. Dikwijls, in mijn boosaardigste dromen, zag ik hem met Ku Klux Klanachtige frietzak op zijn kop over mijn trottoir trekken. In een kennelijke poging zijn beide honden te imiteren, liet hij zijn tong een heel eind uit zijn bek hangen, ergens dwars door een gat in zijn puntmuts. Ik beleefde barre tijden. Tot een halfjaar geleden het tij plots keerde. Poepie had voortaan maar één poepdoos meer bij zich, de ultieme poepdoos, zeg maar. En de laatste tijd zag ik hen almaar trager over mijn trottoir sloffen. Zodat ik mij begon te realiseren: ofwel kan Poepies Poepdoos niet sneller ofwel is er met Poepie zelf iets aan de hand; in elk geval zal een van beiden dra zijn uitgepoept. En inderdaad: op zo'n frisse februari-ochtend was een immens wit blad met een tiental stroken kleefband aan mijn brievenbus bevestigd. In vette rode drukletters - als het ware nog lekkend van al het bloed dat een hondenleven lang door een hondenlijf had mogen stromen -, en vergeven, echt vergeven van de uitroeptekens, stond daar te lezen: "NU BLIJFT DE STOEP ZEER SCHOON!!!!! WANT ONZE HOND IS DOOD!!!!! BEDANKT VOOR DE MEDEWERKING!!!!!" In tegenstelling tot wat ik altijd had gedacht, kon deze beotiër dus schrijven. En dus ook lezen. Ik overwoog hem in geschrifte te condoleren met het heengaan van Poepdoos. Maar ik deed het niet. Februari pas, en ik was al nalatig.

Het geheugen is een machine, ontworpen om zoveel mogelijk heden te produceren door zoveel mogelijk verleden te recyclen. Het houdt ons jong en maakt ons tegelijk oud, ouder dan wij ooit geweest zijn. Om maar iets te noemen: in februari 1916 begon de slag om Verdun, de langste en - met zijn bijna één miljoen doden - ook de bloedigste van de Eerste Wereldoorlog. Ander feit: in de nacht van 27 op 28 februari van het jaar 1933 werd het Rijksdaggebouw in lichterlaaie gezet, door Marinus van der Lubbe en mogelijk enkele medeplichtigen. Allemaal gebeurtenissen uit voorbije februarimaanden die je, wil je niet helemaal apathisch lijken, enig gewicht moet toedichten. En toch: dit is het niet wat februari voor mij betekent. Er is nu eenmaal geen enkele geschiedenis die een mens meer in haar greep krijgt dan die van zijn strikt persoonlijke pietluttigheid. Het eindige is het enige wat interessant is in het oneindige. Toegegeven: dus ook die verdomde Verdunse doden en die onfortuinlijke Van der Lubbe. Maar als we heel eerlijk zijn: in de eerste plaats het eigen eindige, vervolgens het nabije eindige en pas dan het eindige dat in de verste uithoeken van tijd en ruimte is verspreid, het eindige dat het zo ver geschopt heeft dat het al aardig in de buurt van het eindeloze komt te liggen.

Het geheugen is de spijsvertering van de ziel. Het beste wat je met het verleden kunt doen, is het recyclen. Ik was zeventien en het was de tijd waarin ik 'zoemen' in het Engels zonder blikken of blozen vertaalde door 'to booze', wat tot wonderlijke, heftig surrealistische zinnen leidde als: "The bee is boozing in the air." (De bij is zich aan het bezuipen in de lucht.) Blunderen was het enige wat ik toen met veel overtuiging deed. Ik was zeventien en het was, geloof ik, al een eind in februari van het jaar 1971. Chrysostomos, in het rekenlustige West-Vlaanderen 'de laatste honderd dagen' genoemd, was immers al voorbij. (Valentijn was overigens nog niet uit Amerika overgewaaid.) Ik zat in de retorica van een jongensinternaat en ik was naar gewoonte een van de enigen van de klas die niet bekend had gemaakt wat hij worden zou. De anderen beweerden leraar te zullen worden, of tandarts, of advocaat, of wereldverbeteraar, of in het beste of het slechtste geval nietsnut. Ik, daarentegen, twijfelde. Soms verscheurde mijn twijfel mij, maar tegelijk bezat hij een rijkdom die pas later in zijn ware omvang tot mij zou doordringen. Februari was in zekere zin solidair met mij. Van alle maanden is er namelijk geen die zo fanatiek twijfelt. Zullen wij lente worden of toch maar liever winter blijven? Zullen wij met onze beste vorst her en der nog snel een waterleidingetje laten springen of zullen wij al een paar bloemblaadjes uitproberen? Zullen wij ophouden met eindigen of zullen wij starten met beginnen? Een hele doos dromen werd mij voorgehouden. Ik mocht er één van kiezen, als een bonbon. Straks kreeg ik er misschien een tweede. Maar ik koos niet. En daardoor kon alles in die doos in principe nog van mij worden. Kiezen was verliezen.

Zo was het ook met de meisjes. Ik was nog met niemand. In mijn hoofd was ik daardoor met iedereen. Precies het verblijf in een internaat maakte het in die dagen heel bijzonder om verliefd te zijn. Je verliefdheid was opgesloten in je hoofd en dat hoofd zat ook een week lang vast. Zelfs brieven hielpen niet. Er was geen meisje of ze zat op haar beurt wel ergens achter de tralies. Het was, kortom, wachten tot het weekend een van zijn schatkamers opende en ergens een verantwoorde klasfuif liet plaatsvinden, waarop je eindelijk toegang meende te zullen krijgen tot meisjes van wie je tot dan toe alleen maar had gedroomd. Zoetepoepe was zo'n meisje. Scheteprote was zo'n meisje. En zeker Trezebezeke. Trezebezeke uit Zwevegem of Avelgem of Wevelgem: dat ben ik intussen al eeuwen vergeten. Trezebezeke keek nauwelijks merkbaar scheel en had een heel discrete wipneus. Zij beschikte over knieën die meestal geschaafd waren, doordat zij, géén intern zijnde, elke dag naar school moest fietsen en doordat stuurbeheersing nu eenmaal niet erg compatibel is met meisjes die voortdurend in nevelen en wolken wonen en meer talent voor zweven dan voor fietsen hebben. Bijgevolg was Trezebezeke het enige meisje van zeventien dat aan haar knieën twaalf gebleven was. Mary Quants minirok begon aanzien te verliezen ten voordele van maxi, maar Trezebezeke bleef mini trouw alsof zij wou pronken met wat kapot aan haar was. De helft van alle laatstejaars van de klassieke humaniora lag aan haar voeten. (De andere helft had al een meisje.) Sinds zij op een van de klasfuiven geschitterd had in een minirokje dat nog korter was dan wat zij gewoonlijk droeg, maakte zij 's avonds haar opwachting in de hoofden van alle jongens die, voor zij in hun trieste kamertjes in slaap vielen, nog even met de handkar gingen bij de gedachte aan een weekend waarin hen eindelijk alles zou lukken.

Maart naderde. Carnaval kwam eraan en de vasten. Het was nu wachten op de definitieve volwassenheid, op het startschot van het succes. Weekends, begon ik toen te begrijpen, waren hoofdzakelijk bestemd om naar uit te zien. Weekends waren het enige wat de week voor iedereen, ongeacht zijn leeftijd, de moeite waard maakte. En tijdens één zo'n weekend zou Trezebezeke van mij zijn, geen twijfel mogelijk, en ook ik zou eindelijk, eindelijk weten wat ik worden wou.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234