Zondag 16/06/2019

Reportage

Fayçal Cheffou, drie jaar na 22/3: “Ik verwacht een kogel. Een politiekogel”

“Ik ben nog altijd in verdenking gesteld voor de aanslagen van 22/3", zegt Fayçal Cheffou. “De politie is al meerdere keren mijn appartement binnen­gestormd. Met getrokken wapens, net als toen.” Beeld Eric de Mildt

Drie jaar geleden bracht Fayçal Cheffou vijf dagen in de cel door als de man met het hoedje, de derde kamika­ze van Zaventem. Een week later werd terrorist Abrini gevat, maar het stigma blijft. “Ik denk steeds va­ker dat het op een dag écht mis zal gaan.”

Donderdagavond 24 maart 2016. Een verhoor­lokaal van de DR3, de sectie terrorisme van de federale politie in Brussel.

“Je weet heel goed waarom je hier zit.”

“Nee, dat weet ik niet.”

“We hebben ook je maat opgepakt.”

“Welke maat?”

“Aboe Bakr. Die net uit Syrië is teruggekeerd.”

“Dat is de broer van mijn maat. En die komt niet terug uit Syrië, maar uit Marokko. Waarom zit ik hier?”

“Dat weet jij héél goed.”

Robotfoto

Fayçal Cheffou (33) heeft een boek geschreven. Het heet Ils m’ont fait porter le chapeau. De citaten hierboven en hierna zijn eraan ontleend. Hij komt uit de Brusselse hiphop­scene, benoemt zichzelf als ‘activistisch burger­journalist’, liet een voorwoord in zijn boek neerpennen door voormalig PTB-politica Nadine Rosa-Rosso. De foto die na zijn arrestatie de planeet rondging, was er een uit zijn periode als vrijwilliger in het Maximiliaan­park. Hij heeft iets over-actiefs. Een Duracell-konijn. De eerste keer dat je ’m zag, dacht je: hij heeft het misschien ook wel een beetje over zichzelf afgeroepen. Nu vraag je je af wat hij dan wel mag hebben gezegd of gedaan om die gedachte te funderen.

We staan op de plek. Pal voor het Brusselse justitie­paleis. Hij draagt dezelfde muts als toen. “Hier zat ik op m’n knieën”, wijst hij. “Gehandboeid met van die Colsons, of hoe noem je dat? Een rood lichtje op m’n neus. Ik zat in het vizier van een scherp­schutter. Ze hadden ons klem­gereden. Mijn maat Khalid, zijn zus en ik. We zouden naar Luik rijden, om de broer van Khalid op te halen. De politie moet ons zijn gevolgd van bij mij thuis.”

De weergave van de verhoren is enkel de zijne, en dus hoogst eenzijdig. Een andere hebben we helaas niet.

“De politie had videobeelden van de man met het hoedje, Mohamed Abrini, die ook al betrokken was geweest bij de aanslagen in Parijs en ook toen is gezien op bewakingsbeelden. Toch heeft de lokale politie van Brussel-Elsene een robot­foto laten tekenen. Brussels burgemeester Ivan Mayeur zei voor de camera’s van TV5 dat ik formeel was geïdentificeerd op grond van die robot­foto. Ik vraag mij af: waarom maakt de politie een robot­foto van iemand van wie ze een foto heeft?”

De verhoorkamer (2)

Een agent fotografeert zijn handen. Een andere zet er met een soort plastic kurk onzichtbare stempels op.

“Wat zijn jullie aan het doen?”

“Dat merk je vanzelf wel.”

“Ik heb niks gedaan, ik wil weten wat hier aan de hand is. Trouwens, ik heb recht op een advocaat.”

“Jouw advocaat is dood!”

“Hoezo, mijn advocaat is dood? Ik wil weten waarom jullie mij opsluiten.”

“Dat weet jij heel goed. Waarom weiger je om hand- en vinger­afdrukken te laten nemen? Je gaat gehoorzamen, stuk stront.”

“Ik wil dat jullie mij vertellen waarom ik hier zit, en dat ik bijstand krijg van een advocaat.”

“Wij kennen ons werk, we doen dit soort operaties al jaren. Jij hebt geen enkel recht meer!”

“Geef mij de redenen en ik geef jullie de code van mijn telefoon.”

“We gaan even overleggen.”

De taxichauffeur

Fayçal Cheffou kent vandaag de redenen die de politie zo zeker maakten. Als op 22 maart op het tv-journaal beelden voorbij­flitsen van voorbijgangers achter een politie­lint rondom metro­station Maalbeek, belt een oudere dame de politie. Cheffou: “Ze had op tv een man met een mutsje gezien. Ik woon daar niet ver van. Was eens gaan kijken. Om de een of andere reden zag die vrouw in mij een terrorist die zich tussen het publiek had gemengd. Later die dag zijn beelden verspreid van de drie terroristen achter hun bagage­wagentjes in de luchthaven. De Rwandese taxi­chauffeur had zich gemeld. Het was hij die de politie het safehouse in de Max Roos­straat in Schaarbeek aanwees, waar hij de drie had opgepikt.”

“Ze hebben de taxi­chauffeur een foto getoond van mij, en gevraagd of hij me herkende. Hij had ja gezegd. Tweehonderd procent zeker. Die man had nog maar net z’n papieren, en nog maar net z’n baantje als taxi­chauffeur. Na jarenlang illegaal in Brussel te hebben overleefd.”

“Ik heb ’m achteraf gesproken. Hij vond de politie intimiderend. Hij zei: ‘Hadden ze mij gevraagd om mijn moeder te identificeren als de man met het hoedje, dan had ik dat ook gedaan.’ Hij heeft Abrini die ochtend enkel gezien door z’n achteruitkijkspiegel. Hij herinnerde zich een korte conversatie. Over de Verenigde Staten. Abrini wou weten waar de check-in was voor vluchten naar de Verenigde Staten. 
“Ik vroeg de taxi­chauffeur waarom hij zich nooit heeft geëxcuseerd. Hij begon te roepen: ‘Maar mijnheer, mijn leven is om zeep! Ik word dag in, dag uit gevolgd door vier lijfwachten!’ Ja, zo heeft iedereen zijn verhaal, denk ik dan.”

Op beelden voor de aanslag in Zaventem is de man met het hoedje te zien. Hij wordt verkeer­delijk geïdentificeerd als Fayçal Cheffou. Beeld EPA

De verhoorkamer (3)

Als hij voor het eerst te horen krijgt waarom hij hier zit, barst Fayçal Cheffou in lachen uit. Hij schat het totale aantal agenten rondom hem die nacht op een twintigtal.

“Jullie zijn helemaal gestoord om zoiets te denken! Dit is te gek.”

“Nu zit hij ook nog een beetje met ons te lachen.”

“Dit is een enorme vergissing.”

“Waar zijn je medeplichtigen? Waar zijn de wapens? Als je wil dat het allemaal stopt, beken dan.”

“Ik wil met mijn advocaat spreken.”

“Je advocaat is dood! Je bent niet langer een mens, je bent een stuk stront. Word wakker! Je hebt mensen gedood. Waar is je hemd?”

Hij krijgt klappen. Moet recht­staan. Moet terug gaan zitten. Achter hem heeft iemand de stoel weggetrokken. Hij moet zich uitkleden, staat poedel­naakt in de verhoor­kamer en krijgt een oranje overall aangeboden.

“Dit is Guantanamo, of wat?”

“Geef toe dat je in Zaventem was.”

“Denk nu toch eens twee seconden na. Probeer je te verbeelden dat ik er niks mee te maken heb. Dan loopt dat gevaarlijke personage nu nog steeds vrij rond.”

“Waar is je bom? Waar dacht je nog eens toe te slaan? We gaan een huiszoeking doen, bij jou thuis. Welke is de juiste sleutel?”

“Deze is van de voordeur, deze is van het appartement. Willen jullie alsjeblief niet alles kapot slaan? Ik heb het appartement net gerenoveerd.”

“Ge-re-no-veerd? Wat wil je daarmee zeggen?”

“Gewoon, nieuw parket. Vorige week pas. Ik vraag enkel om de deur niet in te beuken.”

“Wat zit er achter die deur?!”

“Maar niks. Een zetel, een tafel, meubelen...”

“Wat heb je daar geplaatst?! Ik maak je kapot!”

De verhoorkamer (4)

Het is laat in de nacht als hij eindelijk dat ene telefoontje mag doen. De enige advocaat die hij kent is Olivier Martins. Die reageert slaperig: “We zien morgenvroeg wel, als je tegen die tijd nog niet bent vrijgelaten.”

Het verhoor hervat.

“Kan iemand mij eindelijk zeggen waar dit over gaat?”

“Wij stellen hier de vragen, niet jij. En nu ga je je mond houden en luisteren. We bieden je een kans, je enige kans. Beken. Leg een spontane verklaring af.”

“Ik heb niks te bekennen.”

“Deze foto komt van een fragment op tv. De man met dat mutsje, dat ben jij, toch?”

“Ja, dat ben ik.”

“Waarom ben je zo kalm? Er is net een aanslag gepleegd.”

“Ik probeer altijd rustig te blijven.”

“Wat deed je daar?”

“Ik was daar vlakbij en ging eens kijken.”

“Draag je vaak een muts? Heb je nog andere mutsen?”

“Dit is gewoon mijn muts.”

“Kijk naar deze foto. Dit zijn de daders, op de luchthaven. Herken je hen?”

“Maar neen!”

“Wij hebben daar­straks je handen onderzocht op contact met explosieven. De test was positief. Hoe verklaar je dat?”

Linzenplantjes

Fayçal Cheffou nam ooit deel aan solidariteits­acties voor Ali Aarrass, een Marokkaanse Belg die in de verre nasleep van de aanslagen in Madrid door Spanje aan Marokko werd uitgeleverd, door de politie tot valse bekentenissen werd gebracht en sinds 2010 ondanks jarenlang protest van Human Rights Watch nog altijd opgesloten zit. “Toen ze mij dat zeiden over die explosieventest dacht ik aan hem, Ali Aarrass. De oorlog tegen het terrorisme in z’n ruigste vorm.”

De positieve test raakte uitgeklaard. Op z’n flatje is Cheffou de avond voor z’n arrestatie linzen­plantjes aan het verpotten geweest. De stoffen waar de explosieventest op reageert, komen ook voor in linzenplantjes. 
“Dan ga je daar achteraf over lezen. Iets soortgelijks is in Groot-Brittannië gebeurd met de Guildford Four en de Maguire Seven (elf mensen die 15 jaar onschuldig in de gevangenis zaten na te zijn veroordeeld als IRA-terroristen, DDC). Dat was in de jaren 70 van de vorige eeuw. Er zijn boeken over verschenen, films over gemaakt. Je zou denken dat men intussen wat voorzichtiger is geworden met explosieven­testen.”

Er was beeld van de man met het hoedje en toch liet de politie een robotfoto maken, zegt Cheffou. “Burgemeester Mayeur zei dat ik was geïdentificeerd op grond van die ­foto.” Beeld rv

De onderzoeksrechter

Op vrijdag 25 maart rond vier uur in de namiddag wordt hij overgebracht naar het kabinet van onderzoeksrechter Patrick De Coster.

“Wat doet dat met u, te weten dat uw vrienden in stukken zijn geblazen?”

“Het zijn mijn vrienden niet, mijnheer de onderzoeksrechter. Kijk zelf naar de foto. Hoe lang gaat dit nog duren?”

“Heb ik te maken met een komediant of met een gek? U hebt geen besef in wat voor knoeiboel u bent terecht­gekomen. Naam? Voornaam? Nationaliteit?”

“Cheffou, Fayçal, Belg.”

“U bent geen Marokkaan?”

“Ik ben Belg.”

“Hoe zijn die sporen van explosieven op uw handen gekomen?”

“Het moet een interpretatie­fout zijn.”

“Ja, dat zal wel. Waarom hebt u zoveel telefoons?”

“Ik bel soms naar Marokko. Er is daar een goedkoop netwerk, en die ene telefoon gebruik ik enkel voor internet.”

“Waarom hebt u de line-up geweigerd?”

“Wat is een line-up?”

“Daarin laten we de getuige door een spiegel naar de verdachte kijken.”

“Dat heb ik helemaal niet geweigerd, dat zweer ik.”

Dit is het moment waarop Olivier Martins, die het verhoor bijwoont, zich in de conversatie mengt. Tussen de onderzoeksrechter en de verdachte ligt de foto van Ibrahim El Bakraoui, Najim Laachraoui en Mohamed Abrini, achter hun bagage­wagentjes. “Wacht eens even”, zegt Martins. “Deze hier ken ik.”

Hij was ooit de raadsman van Ibrahim El Bakraoui. Hij houdt de foto tegen het licht. Zegt: “Uitgesloten.”

El Bakraoui was een beer van een vent. Op de foto is de man met het hoedje, Mohamed Abrini, ongeveer even groot als El Bakraoui. Fayçal Cheffou meet 1,76 meter. Als hij de man met het hoedje was, dan had hij op de foto een halve kop kleiner moeten zijn.

Fayçal Cheffou: “De onderzoeksrechter zweeg. Hij maakte notities. Even later zei hij: ik ga dit onderzoek persoonlijk in handen nemen. Hij beloofde het weekend te zullen doorwerken.”

Er gaan vijf dagen overheen voor hij wordt vrijgelaten. Dagen waarin cipiers hem spaghetti voorschotelen met als enige saus het spuugsel van het voltallige personeel. Hij wordt wakker in een plas bloed, zijn eigen bloed. “Het was een raar moment”, zegt hij. “De onderzoeksrechter die zei: ‘Nu ga ik drie ministers over me heen krijgen.’ Drie ministers hadden hem gebeld met de instructie om mij vast te houden. Kun je je dat voorstellen? De Coster zei: ‘Goh, ik zit toch al op vijf jaar van m’n pensioen.’ Ik vraag me soms af hoe het verder zou zijn gegaan als ik had bekend. Niet dat ik het heb overwogen, maar zo’n Ali Aarrass is op een gegeven moment wel geplooid.”

Brandalarm

Als je met hem op straat staat te praten, draaien zich nog altijd mensen om. Je ziet ze fluisteren. Is dat niet de man met het hoedje? “Sinds dat hele gebeuren ben ik nog vier keer gearresteerd. De politie is meerdere keren mijn appartement binnengestormd. Met getrokken wapens, net als toen. Overal waar ik kom, is er altijd wel iemand die dat verdacht vindt. Twee jaar geleden: brand­alarm in de Ancienne Belgique. Ik had de pech in de buurt te zijn. Wéér de politie, met getrokken wapens. Ik ben nog altijd in verdenking gesteld voor de aanslagen van 22 maart. De echte man met het hoedje, dat was Abrini. Daar bestaat geen sprankeltje twijfel over. Toch blijf ik in de politie­bestanden zitten, plakt er een etiket op mijn voorhoofd. De laatste tijd denk ik steeds vaker dat het op een dag écht mis zal gaan. Ik verwacht een kogel. Een politie­kogel. Van een agent die handelt met de beste bedoelingen.”

“Ik kan dit niet doen stoppen. Het enige wat ik kon doen, dacht ik, was het allemaal opschrijven.”

Fayçal Cheffou, ‘Ils m’ont fait porter le chapeau’, Antidote Publishers, 18 euro. Beeld Photo News
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden