Vrijdag 25/09/2020

Reportage

Familie van zorgverleners die overleden aan Covid-19: ‘Alsof mijn vader voor niets is gestorven’

Beeld Bob Van Mol

Onder de bijna tienduizend corona­doden in België zijn ook zorgkundigen in de eerste lijn gestorven aan de gevolgen van Covid-19. Hun nabestaanden getuigen: ‘Ik stoor me aan mensen die er totaal hun voeten aan vegen op dit moment.’

Ziyad Abushima (40)

Zoon van Ibrahim Abushima (76), maag- en darmspecialist in Antwerpen.
Als oudste van een gezin van negen kinderen uit Libië, kreeg Ibrahim Abushima als enige de kans om in het buitenland te studeren. In 1984 trok hij naar Duitsland, waar hij de richting farmacie volgde. Omdat er een numerus clausus gold, kon hij niet aan de opleiding geneeskunde beginnen. “Pas jaren later – hij was bijna mijn leeftijd – kreeg mijn vader de kans om geneeskunde te studeren in België”, vertelt Ziyad Abushima. “Hij specialiseerde zich in ­maag-, darm- en leverziekten en studeerde daarna nog twee jaar tropische geneeskunde. Ik was zelf vier jaar toen we uit Tripoli naar België verhuisden.”

Ziyad Abushima: ‘Omdat mijn vader zo veel voor zijn thuisland had gedaan en zeer geliefd was, besloot de regering in Tripoli de reis te regelen.’Beeld Bob Van Mol

Eind jaren negentig startte Ibrahim zijn eigen praktijk op de Turnhoutsebaan in Borgerhout. Als specialist en als huisarts. Hij werd de vertrouwenspersoon van duizenden patiënten. Omdat hij Arabisch sprak, werd hij ook vaak geraadpleegd door de Arabisch sprekende gemeenschap. Intussen reisde hij regelmatig heen en weer naar Libië, waar hij in ziekenhuizen werkte en zijn steentje bijdroeg om de gezondheidszorg te verbeteren. Na de val van Kadhafi zette de arts er een speciaal ziekenhuis op voor de slachtoffers van de revolutie.

Toen de coronapandemie uitbrak, werkte Ibrahim even hard door als anders. “Hij volgde de ontwikkelingen van het coronavirus op de voet en was goed op de hoogte”, zegt Ziyad. “Daarom vond hij het niet nodig om minder te werken, hij wist wat hij moest doen om zich te beschermen. Mijn moeder en ik, evenals mijn broer en zus, hebben hem verschillende keren gevraagd om er voor een tijdje mee te stoppen. Hij was op leeftijd en daardoor een risicopatiënt. Maar hij wilde er niets van horen, hij moest paraat staan voor zijn patiënten, zei hij.”

Midden maart werd de dokter ziek. Hij bleef een paar dagen thuis en besloot zich te laten testen op corona. Toen de uitslag negatief bleek, ging hij meteen terug naar zijn praktijk, weet Ziyad.

“Hij had er plezier in om mensen te helpen, ik denk dat hij het nodig had. Daarom dacht hij er niet aan te stoppen, al was hij 76.”

Na een week werd Ibrahim opnieuw ziek. Hij had koorts en een beginnende longontsteking. Na een tweede test op 25 maart kreeg hij te horen dat hij beter in het ziekenhuis kon blijven.

“De situatie verbeterde niet, integendeel. Een dag later moest hij al aan de kunstmatige beademing worden gelegd. Hij mocht nog telefoneren met mijn moeder en jongste broer die thuis woonde, maar we konden hem niet meer bezoeken. Ikzelf heb hem nog op 26 maart aan de lijn gehad. Hij klonk suf maar als dokter was hij toch aan het meezoeken naar oplossingen. Al hoorde ik ook angst in zijn stem. Het was de laatste keer dat ik hem sprak.”

Ziyad over zijn vader Ibrahim Abushima: 'Hij had er plezier in om mensen te helpen, ik denk dat hij het nodig had. Daarom dacht hij er niet aan te stoppen, al was hij 76.'Beeld rv/Koen Theys

Omdat er een bezoekverbod was, kreeg de familie dagelijks een telefonische update over de toestand van Ibrahim. Ziyad had zelf geneeskunde gestudeerd en nam vanwege zijn medische achtergrond de taak op zich om de telefoons te beantwoorden. “Afspraak was dat het ziekenhuis telkens tussen twee en drie uur ’s middags zou bellen. Vanaf één uur zat ik al naar mijn telefoon te staren. ‘Het is bijna, nog even’, gonsde het dan door mijn hoofd. Op dagen dat het heel druk was, werd ik pas om drie of vier uur gebeld. Het was een heel zware periode van wachten en nog eens wachten. Zonder dat we hem konden zien. Je kunt een ziekenhuisbezoek nooit vervangen door een telefonische stand van zaken. Maar het kon niet anders, dat begreep ik wel. ”

Op 11 april werd Ziyad nog maar eens gebeld. Het ging niet goed met zijn vader. Hij kon nog één keer komen om afscheid te nemen. “Ik was onderweg toen ze opnieuw belden. Mijn vader was gestorven. Maar zelfs als hij nog had geleefd, dan had ik niets meer kunnen zeggen omdat hij niet meer bij bewustzijn was. Terwijl ik nog zoveel had willen vragen, zoveel had willen vertellen. Het mocht niet zijn. En dat doet zo’n pijn. Het is ons afgepakt. Híj is ons afgepakt. We zijn hem kwijt. Ondanks de steun van familie of vrienden zal het nooit meer hetzelfde zijn. Ik zal nooit meer naar hem toe kunnen om even mijn gedachten te verzetten. In plaats daarvan zit ik thuis en moet ik het maar zien op te lossen. Het is een verdriet als een gapend gat dat je niet opgevuld krijgt. Intussen werden mijn moeder en jongste broer ook ziek. Ik weet niet of het corona was, misschien kwam het door de schok en het verdriet. Maar ik heb me enorme zorgen om hen gemaakt. Gelukkig zijn ze er alle twee doorgekomen.”

Ibrahim Abushima wilde graag in zijn geboorteland begraven worden, bij zijn vader en moeder. Omdat er geen vluchten naar Libië mogelijk waren, werd zijn lichaam ritueel gereinigd, omwikkeld en geconserveerd. “Op 11 mei is hij dan toch naar Libië overgebracht. Omdat hij zo veel voor zijn thuisland had gedaan en zeer geliefd was, besloot de regering in Tripoli de reis te regelen. Ze heeft een privévliegtuig naar Antwerpen gestuurd om mijn vader op te halen. Er is niemand meegegaan, maar het was goed zo. Zodra de omstandigheden het toelaten, zowel op het vlak van corona als op politiek gebied, gaan we mijn vaders graf bezoeken. Intussen moeten we verder. Elke dag sta ik op en denk ik dat ik hem zal horen, dat hij zal bellen. Dat zal niet zo snel overgaan, vrees ik. Het zijn ook tijden waarin je aan weinig anders kunt denken.”

Of hij verbitterd is? Boos? Nee, klinkt het wat gelaten.

“Maar ik denk wel dat bepaalde zaken anders hadden moeten verlopen. Toen de mensen bijvoorbeeld terugkwamen van hun skivakantie in Italië. We hadden veel meer moeten kijken naar hoe ze het aanpakten in Aziatische landen. In België kwamen we maar heel traag op gang. Maar goed, voor mijn vader is het te laat. Juist daarom volg ik de coronamaatregelen heel streng op. Ik stoor me aan mensen die er totaal hun voeten aan vegen op dit moment. En ik stoor me nog meer aan een regering die geen blijk geeft van een duidelijke richting waardoor zelfs een schijnveiligheid ontstaat. Het voelt alsof zorgverleners zoals mijn vader voor niets zijn gestorven.”

Ornella Akitshi On Olongo (35)

Zus van Marie-Madeleine M’Pembe (56), zorgkundige in woon-zorgcentrum Val des Roses in Vorst.

Ornella Akitshi On Olongo over haar zus Marie-Madeleine M’Pembe: ‘Als verpleegster vergat ze vaak zichzelf.’ Beeld Bob Van Mol

Op 31 maart voelt Marie-Madeleine zich niet goed. Ze heeft hoofdpijn en koorts en besluit zich te laten testen op Covid-19. In het ziekenhuis krijgt ze een kamer toegewezen en moet ze wachten op het resultaat tot de volgende ochtend. “Ik was zo bang toen ik hoorde dat ze in het ziekenhuis lag”, vertelt haar zus Ornella. “Terwijl ze er zelf van overtuigd was dat ze de volgende dag weer naar huis kon.”

Maar Marie-Madeleine blijkt positief en moet in de kliniek blijven. De tweede dag treden er complicaties op, haar toestand wordt kritiek. Een dag later moet ze naar de afdeling intensieve zorg. Ornella wordt om drie uur ’s nachts gebeld. “We hadden nooit verwacht dat het zo snel zou gaan. Mijn kinderen zeiden nog: ‘We gaan haar ophalen als ze genezen is.’ (huilt)

“Ik ben als enige nog bij haar geweest. ‘Rust nu maar, mijn lieve Marie-Madeleine’, heb ik gezegd. Ik weet niet of ze me heeft gehoord. Vlak na haar dood deed ik niets anders dan huilen: ik zag haar overal. Normaal gezien belden we wel vijf tot tien keer per dag, soms gewoon om samen te lachen. Ze was altijd zo lief voor me, gaf me complimentjes: ‘Je ziet er goed uit, je bent gegroeid, je hebt een goeie echtgenoot.’ Ik pak nog vaak de telefoon om haar te bellen. Om dan te beseffen dat ze er niet meer is. Dat doet zo’n pijn.”

Ze is 13 kilo afgevallen, klinkt het stil. “Ik kon geen hap meer door mijn keel krijgen. Wanneer ik aan Marie-Madeleine denk en aan mijn jeugd, komen er zoveel mooie herinneringen terug. Ze was er altijd voor ons. Wij woonden in Lotongo, een klein dorpje bij Kinshasa (in de Democratische Republiek Congo, red.). Ik was twee jaar oud toen onze biologische moeder stierf na complicaties bij haar bevalling. Marie-Madeleine was mijn grote zus maar ze werd een moeder voor ons, vooral voor mij omdat ik geen herinneringen heb aan mijn biologische moeder. Mijn drie kinderen – de oudste heet ook Marie-Madeleine – noemden haar ‘mami’. In Afrika is het de traditie dat de mannen zich niet veel bezighouden met de kinderen. Mijn vader was altijd bezig met zijn zaken in de koffieplantage. Hij stierf toen ik 15 jaar was. Toen werd mijn grote zus als een moeder en vader tegelijk.”

Beeld rv

Marie-Madeleine vertrok in 2000 naar België en vestigde zich in Charleroi, Ornella volgde een paar maanden later, op haar 17de.

“Het overlijden van onze grote zus heeft ons diep geraakt. Covid-19 heeft haar op een brute, plotse manier van ons afgenomen. De hele familie is in diepe rouw. We zijn met acht broers en zussen en we hangen nog steeds erg aan elkaar, al wonen we niet allemaal in hetzelfde land. Maar het helpt om met elkaar over haar te praten. Gelukkig kunnen we ons verdriet delen. Onze lieve Marie-Madeleine… Ze had een groot hart voor iedereen.”

Vier broers en zussen wonen nog in Kinshasa, één zus in Canada en de rest in België.

“Ik heb Marie-Madeleine nog één keer kunnen spreken toen ze in het ziekenhuis lag”, vertelt haar jongere broer Elie Ngongo uit Namen. “Op het moment dat ze naar intensieve zorg moest, heb ik haar gebeld. De volgende dag kon ik niet meer met haar praten, want ze lag al aan de beademingsmachine in een kunstmatige coma. Het ging allemaal zo snel, het was onwezenlijk. Op de achtste dag kregen we telefoon van het ziekenhuis. Marie-Madeleine lag op sterven. Ik ging er met mijn broer en zus naartoe maar ik heb helaas geen afscheid kunnen nemen, want er mocht maar één persoon bij. Wij lieten onze jongste zus Ornella gaan.”

Marie-Madeleine stierf om 12 uur ’s middags, vertelt Elie. “Het was een enorme schok. Ze was veel meer dan mijn grote zus, ze was een moeder. Toen mijn moeder stierf, heeft Marie-Madeleine onmiddellijk de leiding op zich genomen. Ze heeft jarenlang voor ons gezorgd.”

Omdat ze lid was van de zuster­orde ‘Servantes de l’église du Christ’ is Marie-Madeleine nooit getrouwd. Voor ze in 2000 naar België kwam, werkte ze als verpleegster in verschillende ziekenhuizen. Ze was zo iemand die altijd voor een ander klaarstond, vertelt haar broer: “Vaak vergat ze zichzelf. Haar werk als zorgkundige deed ze met hart en ziel. Ze had dat nog jaren willen doen…

“Het is zo spijtig dat het personeel in het woon-zorgcentrum niet voldoende beschermd was die eerste weken van de coronapandemie. Maar het heeft weinig zin om daar lang bij stil te staan. Ze is er niet meer. De leegte die ze achterlaat, is enorm. Gelukkig was ze niet bang voor de dood. Ze wist dat ze naar God zou gaan. Voor ons is dat een troostende gedachte. Ze heeft rust gevonden, daar zijn we zeker van.”

Grietje Devulder

Weduwe van Luc Couvreur (74), huisarts in Lendelede.

Grietje Devulder: ‘Ik had mijn sterke man nog nooit ziek gezien.’Beeld Bob Van Mol

Zijn praktijk is onaangeroerd, zijn schort hangt er nog. Alsof hij elk moment weer kan binnenkomen. Het ongeloof klinkt nog altijd door in de stem van Grietje Devulder. Een week voor haar man eindelijk met pensioen zou gaan en al zijn patiënten had bedankt voor de jarenlange samenwerking, werd hij ziek. Op vrijdag 13 maart, net voor de lockdown begon, had hij nog een lezing gegeven over Covid-19. Wat we er in ons land van konden verwachten, waarvoor we moesten oppassen. Niet wetende dat hij er ruim een maand later zelf aan zou bezwijken.

Luc was net 74 geworden en had zich voorgenomen om samen met haar eindelijk tijd te nemen om ten volle van het leven te genieten, vertelt Grietje. Hij werkte nog een dag per week omdat hij de band met zijn patiënten niet wilde opgeven. Maar nu was het tijd voor een nieuwe fase.

Achtendertig jaar geleden stapten ze in het huwelijksbootje, nadat ze beiden hun eerste partner waren verloren. Zij werd weduwe op haar dertigste, toen haar eerste man overleed in een verkeersongeval en ze achterbleef met een zoontje van zes. Luc Couvreur verloor zijn eerste echtgenote aan kanker. Hij was 34 en ook hij bleef achter met een zoontje van zes.

“We leerden elkaar kennen via gemeenschappelijke vrienden. Het klikte direct. We werden smoorverliefd, we konden over allerlei onderwerpen met elkaar praten, hielden beiden van de natuur en van sporten. Luc had veel begrip voor mijn situatie. Terwijl hij zelf ook op jonge leeftijd zijn vrouw verloren was en een kind had om voor te zorgen. Maar hij was sterk en bleef ondanks zijn tegenslag het positieve van het leven inzien. Zo was Luc: een sociale man die altijd voor iedereen klaarstond.”

Ze werden tegelijk ziek. Op 14 maart ondergingen ze een coronatest. Resultaat: allebei positief. “Die eerste week in de kliniek zal ik nooit vergeten. Ik was er in eerste instantie erger aan toe dan Luc; mijn long­scan zag er veel slechter uit. Ik was voor 40 procent aangetast, Luc maar voor 15.”

Ze deelden een kamer, naast de gemeenschappelijke ruimte van de verpleegkundigen. Luc was moe, zei hij telkens. Zo moe. “We lagen daar met zijn tweeën in die trieste kamer waar het licht van de gang 24 uur per dag naar binnen scheen. We zagen elkaar niet want we waren gescheiden door een gordijntje. Er was geen toilet, niets. Maar het was de enige kamer die nog over was, hoorden we.

Grietje Devulder ver haar man Luc: ‘We lagen daar met zijn tweeën in die trieste kamer waar het licht van de gang 24 uur per dag naar binnen scheen.'Beeld Bob Van Mol

“Na vier dagen moesten we verhuizen. We kwamen op een zaaltje terecht met vijf patiënten, allemaal van elkaar gescheiden door een gordijn. Het was verschrikkelijk, ik hoorde mijn buur luid naar adem snakken en roepen dat hij doodging. De man was volledig in paniek. Ik hield het niet uit om daar maar te liggen luisteren naar die doodsangsten en vroeg aan het personeel of we alsjeblieft weg konden. Ze hebben de patiënt toen naar een andere kamer gebracht en een nieuwe binnengebracht. Maar ook die snakte constant naar adem. We konden er nauwelijks door slapen, lagen daar maar te luisteren. Het was een nachtmerrie.”

Enkele dagen later besloot de longarts dat Luc naar de dienst intensieve zorgen moest. Zijn toestand ging zodanig achteruit dat hij kunstmatige beademing nodig had.

“Ik heb gevraagd of ze hem nog konden scheren en wassen voor ze hem naar de intensieve zorg brachten. Wat ik tegen Luc heb gezegd, weet ik niet meer precies…. Iets van: ‘Doe je best zodat je over een paar dagen terug bent.’ Ik dacht echt dat hij een dag of drie beademd zou worden en dan naar huis kon. Intussen wilde ik zelf naar huis, maar de arts zei dat mijn longen nog niet in orde waren; ik was nog altijd ziek. Ik heb toch voet bij stuk gehouden, ik hield het daar niet langer uit.”

Zodra ze thuis was, belde Grietje elke dag om te informeren naar haar man. “Maar hij lag te slapen, zeiden ze telkens. Dus liet ik hem maar gerust. Een bevriende arts hield me op de hoogte van de gezondheidstoestand van Luc. Daar ben ik hem heel dankbaar voor. Op donderdag kreeg ik telefoon: ze hadden hem in coma gebracht. Ik heb niet meer de kans gekregen om hem nog te spreken… Dat doet me zo’n verdriet. Het zou zo fijn zijn geweest als ik hem nog had kunnen zeggen hoeveel hij voor me betekende. (huilt) Misschien was hij niet meer in staat om te spreken, ik weet het niet. Het voelt zo machteloos.”

Luc lag drie weken in coma. Grietje zat intussen thuis in quarantaine, geïsoleerd van de wereld.

“Op de dag van zijn dood belde mijn zoon. Hij werkt als orthopedisch chirurg in dezelfde groep ziekenhuizen als waar mijn man lag. ‘Als je papa nog wilt zien, moet je nu komen’, zei hij. Ook mijn stiefzoon, de zoon uit het eerste huwelijk van Luc, werd gevraagd om te komen. In het ziekenhuis moest ik een beschermend pak aan en zo ging ik naar zijn kamer. Ik zag er enorm tegenop maar ik ben blij dat ik het gedaan heb. Luc lag er zo rustig bij, sereen en mooi. Ik heb alleen maar naar hem gekeken. En niets meer gezegd…”

Tegen de tijd dat Grietje met haar zoon beneden in het ziekenhuis was, kreeg ze telefoon: Luc was overleden. “Ze hebben op mij gewacht en daarna de stekker uitgetrokken. Blijkbaar was er niets meer aan te doen, Luc was op. Terwijl hij zo sterk was. In de 38 jaar dat we getrouwd waren, heb ik hem nooit ziek gezien. Maar zijn immuunsysteem was op hol geslagen, waardoor een cytokinestorm was ontstaan. Dat houdt in dat al zijn cellen en organen werden aangetast, ook zijn longweefsel, waardoor hij geen zuurstof meer kon opnemen.”

Het ziekenhuispersoneel heeft gedaan wat het kon, klinkt het. “Het was een overrompeling voor hen, het was immers midden in de piek van het coronagebeuren.”

Zelf begrijpt ze niet hoe ze erdoor gesparteld is. “Het gaat beter met me, al ben ik heel lang moe geweest. Ik weet het, ik moet verder met mijn leven. Maar ik kan nog altijd niet geloven wat er is gebeurd. Mijn sterke man is er niet meer. Het is triest. Intriest.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234