Vrijdag 18/10/2019

'Fahrenheit 9/11': het had gerust wat vettiger mogen zijn

'Ik denk altijd dat ik nog niet ver genoeg ga', zei filmmaker Michael Moore in Humo. Dat is een understatement. Fahrenheit 9/11 is een flauw afkooksel geworden van wat een beetje actieve mediaconsument al lang uit traditionelere bronnen had kunnen vernemen over het Bush-regime. Maar als elke Amerikaan die de film gaat kijken straks voor John Kerry stemt, is dat mooi meegenomen.

Van onze correspondent Gert Van Langendonck

Ik wil niemands filmplezier bederven maar de enige 'onthullingen' in Fahrenheit 9/11 zitten helemaal vooraan. Michael Moore confronteert de kijker met het verhaal dat kort na 11 september 2001 tal van Bin Ladens de Verenigde Staten hebben mogen verlaten in privé-vliegtuigjes, met de speciale toestemming van het Witte Huis. Het is geen nieuw verhaal. De gegevens die Moore gebruikt komen uit het boek van de Amerikaanse auteur Craig Unger, House of Bush, House of Saud; de 9/11-commissie van het Amerikaanse Congres heeft zich erover gebogen en de traditionele Amerikaanse media hebben erover bericht.

Het verschil zit hem in wat Moore, steeds schatplichtig aan Unger, met die informatie doet. Hij past ze in in een samenzweringstheorie waarin gesuggereerd wordt dat de Bush- en Bin Laden-dynastieën hebben samengespannen om in Amerika een rechts klimaat te creëren waarin het mogelijk werd om de oorlog te verklaren aan Irak, zodat beide families heel veel geld konden verdienen middels de Carlyle Group, een consortium met grote belangen in de defensie-industrie.

Nee, Moore zegt het niet, maar het is wel de indruk waarmee de toeschouwer naar huis gaat - dat de Bushen en de Bin Ladens in het kader van dit complot elk een zoon hebben geleverd, Osama om de aanslagen te plegen en George om vervolgens de oorlog te verklaren aan Saddam. Waar hebben we dit nog meegemaakt? O ja, toen de regering-Bush een jaar lang suggereerde dat Saddam Hoessein achter de aanslagen van 11 september zat zonder het ooit echt te zeggen.

In september 2003 gaf Bush toe dat "wij geen enkele aanwijzing hebben dat Saddam betrokken was bij 9/11", en liet hij zijn nationale veiligheidsaviseur, Condoleeza Rice, zeggen dat "wij dit nooit beweerd hebben". Hadden ze ook niet gedaan, niet met zoveel woorden, maar door het fijntjes te suggereren waren ze er wel in geslaagd om 70 procent van de Amerikanen te doen geloven dat Saddam Hoessein persoonlijk achter de aanslagen in New York en Washington zat.

Het is een beetje hetzelfde procédé waarvan Michael Moore zich bedient. Moore is niet gek. Als hij tienduizend dollar heeft uitgeloofd aan de eerste die een fout kan aantonen in zijn film, dan is het dat hij weet dat hij zich goed ingedekt heeft. (Moore heeft de gewezen advocaat van de New Yorker, Dev Chatillon, ingehuurd als fact-checker.) Zo hadden zijn tegenstanders even gedacht dat ze hem bij de kraag hadden door erop te wijzen dat het niet Bush was die toestemming had gegeven voor het vertrek van de Saoedi's maar wel zijn terrorisme-tsaar Richard Clarke.

Maar Clarke is naast Michael Moore de felste criticus van Bush geworden sinds hij ontslag nam uit protest tegen diens beleid en een boek schreef over zijn ervaringen, Against All Enemies. Moore had Clarke nodig om hem te laten vertellen hoe Bush alle waarschuwingen over een nakende aanslag in de wind sloeg, en hoe mensen als onderminister van Defensie Paul Wolfowitz geobsedeerd waren door Saddam en tot elke prijs een oorlog tegen Irak wilden beginnen. En dus moest Clarkes betrokkenheid bij de vlucht van de Saoedi's begraven worden, maar niet helemaal.

In de film is heel even een artikel uit The New York Times te zien waarin het getuigenis van Clarke voor de 9/11-commissie wordt aangehaald. Chapeau voor de toeschouwer die het artikel in die enkele seconden heeft kunnen uitlezen. Maar het staat er dus wel. Het is een beetje zoals Colin Powell die in februari 2003 voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties komt vertellen dat er terroristische trainingskampen bestaan in Irak, compleet met luchtfoto's, maar niet echt in de verf zet dat die in een deel van Irak liggen waarover Saddam al sinds 1991 niet meer de controle had.

Je kunt je afvragen wat Moore had gedaan had het FBI de Bin Laden-familie en andere Saoedi's in de VS inderdaad gearresteerd en bijvoorbeeld in kampen had opgesloten. Dan had hij ze wellicht opgevoerd als onschuldige slachtoffers van een repressief overheidsbeleid.

Een van de Bin Ladens in de VS was Wafah, een nichtje van Osama die op een loft in het New Yorkse SoHo woonde, Amerikaans staatsburger, advocate en naar verluidt een beetje een fuifbeest. Over de relatie tussen de Bin Ladens en Osama is het laatste woord nog niet gezegd, maar het enige element dat Moore aanvoert om te suggereren dat de familie banden zou hebben met het terrorisme is dat "een aantal familieleden" in januari 2001 aanwezig waren op de bruiloft van Osama's zoon Muhammad in Kandahar. Niet echt een verpletterend bewijs.

Het is niet de enige inconsistentie in Fahrenheit 9/11. Moore lijkt voortdurend "tout et son contraire" te zeggen. Hij voert een man op die het FBI over de vloer kreeg nadat hij in zijn gym een opmerking had gemaakt over de oorlog in Afghanistan; we zien hoe een onschuldig pacifistisch theekransje geïnfiltreerd werd door de plaatselijke politie. Allemaal schandalige uitwassen van de Patriot Act, die de regering-Bush in het post-9/11-tijdperk door de strot van het Congres heeft geramd om de burgerrechten van de Amerikanen uit te hollen. Maar even later stelt Moore met evenveel verontwaardiging aan de kaak dat de grens met Canada zo lek is als een zeef wegens gebrek aan manschappen. (Een elektronisch hek zetten dan maar, Michael?) En onthult hij dat, ondanks alle nieuwe veiligheidsmaatregelen in de luchtvaartsector, het nog altijd toegestaan is om lucifers en aanstekers mee te nemen op het vliegtuig. (De suggestie hier is dat de uitzondering voor aanstekers een cadeautje was van Bush aan de tabaksindustrie voor haar bijdragen aan zijn verkiezingscampagne. Een geweldig verhaal maar het blijft helaas bij de suggestie.)

Ook met betrekking tot de oorlog in Afghanistan blaast Moore warm en koud tegelijk. Aan de ene kant suggereert hij dat de ware reden voor de oorlog in Aghanistan de aanleg was van een oliepijpleiding van de Kaspische Zee naar Pakistan. Aan de andere kant zegt hij dat Bush het Afghanistan-offensief halfslachtig heeft gevoerd, dat hij opzettelijk te weinig middelen en soldaten heeft ingezet waardoor Osama bin Laden en de Taliban zijn kunnen ontsnappen. Te veel gedaan? Te weinig gedaan? Het is het een of het ander, Michael.

Over de grootste misdaad van de regering-Bush, het beginnen van de oorlog tegen Irak onder valse voorwendselen, kan men beter Clarkes boek lezen, want in de film komen we hier weinig over te weten. Moore laat zich van zijn meest demagogische kant zien wanneer hij beelden toont van een publieke onthoofding in Saoedi-Arabië, de kijker er nog eens aan herinnert dat vijftien van de 9/11-kapers Saoedi's waren, en dan zegt: "In de plaats daarvan hebben we Irak aangevallen, een soevereine natie die ons nooit heeft aangevallen, die er nooit mee gedreigd heeft om ons aan te vallen, en die nooit met voorbedachten rade een enkele Amerikaanse burger heeft gedood."

Dat kan allemaal waar zijn maar waarom moet dat Irak voorgesteld worden met beelden van schattige kindjes die vliegertje spelen in een onbekommerd Bagdad? Met alle respect voor de onschuldige slachtoffers van de oorlog: de aaibaarheidsfactor van de Iraakse kindjes is in deze geen serieus argument. Ik ben er zeker van dat er ook in Saoedi-Arabië schattige kindjes rondlopen; misschien spelen ze er zelfs vliegertje. Maar Moores analyse is: Saoedi's slecht, Irakezen goed. Wat zegt hij hier eigenlijk: dat hij het wel een goed idee had gevonden als Bush Saoedi-Arabië had aangevallen in plaats van Irak?

Vervolgens maakt Moore zich vrolijk over de 'coalition of the willing'. Het is waar dat Washington zich destijds in alle mogelijke bochten heeft gewrongen om aan te tonen dat de Irak-oorlog een internationale operatie was. Terecht laat Moore ons lachen met de deelname van de eilandenstaat Palau. (Deze week nog kreeg ik een e-mail van de marines in Falluja om de komst van veertig special forces uit Tonga aan te kondigen, een eilandenstaat met honderdduizend inwoners en een leger van vierhonderd man sterk.) Maar is het eerlijk om in een moeite door te lachen met Nederland (voorgesteld als een natie van blowers) of Roemenië (beelden uit een oude Dracula-film)? En is het eerlijk om niet te vermelden dat ook, niet bepaald kleine, landen als Groot-Brittannië, Australië, Polen, Hongarije, Spanje en Italië tot die coalitie behoorden?

Over de Irakezen in de film kunnen we kort zijn. Er worden slechts twee Irakezen aan het woord gelaten, telkens om hun woede uit te schreeuwen over onschuldige burgerslachtoffers. De gereformeerde linkse rakker Christopher Hitchens zegt in zijn vernietigende recensie van Fahrenheit 9/11 dat de getoonde locaties in feite militaire doelwitten waren. Dat is niet waar. De tweede locatie is die van het Mansour-bombardement, waar de Amerikanen op 7 april 2003 minstens veertien Iraakse burgers doodden die de pech hadden naast een vluchthuis van Saddam en zijn zonen te wonen.

Ik weet dat omdat ik de jongen ken die uitschreeuwt dat de Amerikanen zijn buren hebben vermoord. Hij heeft Ayad Imad Ahmed, is twintig jaar oud, en is kort na die beelden als tolk voor de Amerikanen gaan werken, wat hij nog steeds doet, hoewel hij al vier keer gewond is geraakt.(*)

Dat was een interessante toevoeging geweest. Maar Moore kent Ayad niet omdat hij voor zover ik weet niet in Irak is geweest. Misschien heeft hij een ploeg naar Irak gestuurd om de reportage te schieten over een raid op kerstavond door Amerikaanse mp's in Bagdad. Als dat zo is, had hij zich de moeite kunnen besparen. De reportage zou wellicht geweigerd zijn door een commercieel tv-station omdat er niets in te zien is, behalve een schijnbaar volgens de regels verlopen arrestatie van een verdachte. Een nachtelijke uitstap met de mp's in Bagdad is het soort reportage die gemaakt wordt door filmploegen die op driedaags geleid bezoek naar Irak komen. Van Michael Moore had ik net iets meer verwacht.

En dat is uiteindelijk wat het meeste stoort aan Fahrenheit 9/11: Michael Moore had beter gekund. Moore is al lang niet meer de onafhankelijke filmmaker die worstelt om zijn hoofd boven water te houden. Hij is dankzij het succes van Bowling for Columbine en zijn boeken een multimiljonair geworden met een naam die deuren opent. Daarom had ik meer verwacht van een film die wordt voorgesteld als de ultieme aanklacht tegen het Bush-regime. Eigenlijk heb ik de indruk dat Michael Moore niet zoveel zin had om ver te gaan.

Neem de passage over Halliburton en de woekerwinsten die door bevriende Amerikaanse bedrijven zijn gemaakt in de aanloop naar de oorlog en nog steeds met de reconstructie van Irak. Dit is een typisch Michael Moore-onderwerp, en eentje waar nog heel veel over te zeggen valt. Moore maakt er zich echter vanaf met een promotiefimpje van Halliburton, een ontkenning van Dick Cheney, en wat haastig geschoten beelden van een congres waar zakenlui zich in de handen wrijven over het vele geld dat ze gaan verdienen. Niets over het schandaal van de overfacturering door Halliburton aan het Amerikaanse leger, niets over de bedrijven die al contracten binnenhadden voor de heropbouw van Iraakse bruggen nog voor ze waren vernietigd, niets over het hallucinante feit dat de VS, anderhalf jaar na het einde van de oorlog, nog altijd benzine invoert naar olierijk Irak, een operatie die de Amerikaanse belastingbetaler 500 miljoen dollar per drie maanden kost.

Wanneer Moore aanklaagt dat veel Amerikaanse soldaten in Irak reservisten zijn die zich hebben laten verleiden door wervingsspotjes van het leger waarin wordt geschermd met de slogan 'Eén weekend per maand, twee weken per jaar', raakt hij een gevoelig punt aan. Maar hoe kan hij het detail hebben gemist dat deze reservisten nu in Irak rondlopen met op hun helm de slogan 'One weekend a month, two weeks a year, my ass!'? Omdat hij nooit in Irak is geweest.

Moore gaat, nog maar eens, naar zijn geboortestadje Flint om aan te tonen hoe het altijd de armsten zijn die hun zonen en dochters opofferen op het slagveld. Maar hij zegt niets over de 'green card marines': de Latino's die in de VS maar ook in Mexico en Guatemala geronseld worden om in Irak te dienen met de belofte van een verblijfsvergunning. Een traditionele, aan de commercie en de politiek verkochte krant als de Los Angeles Times heeft daar nochtans ruim aandacht aan besteed.

Wanneer Moore een bezoek brengt aan een veteranenhospitaal, en de gewonde soldaten daar laat zeggen dat ze zich toch wel een beetje veronachtzaamd voelen, is het erg jammer dat hij niet een beetje verder is gegaan. Dan had hij bijvoorbeeld ontdekt dat het Pentagon systematisch heeft geweigerd om cijfers vrij te geven over het aantal gewonden in Irak, tot het daartoe werd gedwongen door de - traditionele - media. En dat het Pentagon het bijzonder moeilijk maakt voor de belangenorganisaties van de veteranen om toegang te krijgen tot de patiënten en hun gegevens. Een echt Michael Moore-onderwerp toch?

Uiteindelijk is de grootste verdienste van Fahrenheit 9/11 dan de heisa die errond gecreëerd is. Moore zegt niets nieuws, hij zegt zelfs minder dan wat een aandachtige mediaconsument al lang zou moeten weten, en hij is intellectueel oneerlijk. Maar hij kan het natuurlijk wel goed zeggen. De reactie van Republikeins Amerika op de film - Moores problemen om een verdeler te vinden, de rechtszaak om de film als verkiezingspropaganda te bestempelen, de R-rating, en de anti-Moore-boeken en -films die in de maak zijn -, zorgen er allemaal voor dat veel meer mensen de film zullen gaan kijken.

Goed, Fahrenheit 9/11 is een vorm van intellectuele masturbatie voor mensen die zich één keer per jaar moreel verontwaardigd willen voelen maar te lui zijn om door het jaar heen zelf op zoek te gaan naar informatie. Maar aangezien dit geen ideale wereld is, hoop ik dat Fahrenheit 9/11 vooral in de Verenigde Staten bomvolle zalen lokt, dat Michael Moore nog veel rijker mag worden dan hij al is, en vooral dat elke Amerikaan na het zien van de film plechtig aan zichzelf belooft om nooit, maar dan ook nooit meer voor George W. Bush te stemmen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234