Zondag 16/05/2021

Fa-fa-fa-fashion: Bowie uit de kleren

In de grootse expo 'David Bowie is' in het Londense V&A zullen onder andere zestig podiumoutfits van de zanger te zien zijn, van de Ziggy Stardust-bodysuits van Freddie Burretti en de pakken van Kansai Yamamoto tot de Union Jackmantel die Bowie samen met Alexander McQueen ontwierp. De expo toont bovendien aan hoe Bowie als stijlicoon anderen heeft geïnspireerd om conventies te negeren en vrijheid van expressie na te streven.

Naast beeldmateriaal, foto's, aantekeningen, schetsen, instrumenten en hoesontwerpen zijn het vooral de legendarische podiumkostuums van David Bowie die de aandacht zullen trekken in de retrospectieve die vanaf 23 maart loopt in het Victoria and Albert Museum. Bowie's podiumoutfits zijn inmiddels iconische kostuums, die in het hele erfgoed van de popcultuur ontzettend belangrijk geweest zijn voor generaties van podiumartiesten. Ontelbare muzikanten, modeontwerpers en kunstenaars noemen David Bowie immers als een van hun belangrijkste voorbeelden en inspiratiebronnen. Geen andere ster heeft zo'n verpletterende impact op de hele popcultuur en op de mode gehad als hij. Bowie is een stijlicoon voor andere stijliconen geweest, van de hele glamrockscene tot Spandau Ballet, Pulp, Suede, Madonna en Lady Gaga. In de modewereld halen ontwerpers, stylisten en fotografen nog steeds seizoen na seizoen inspiratie bij Bowie of een van zijn personages.

De blijvende impact van Bowie kent geen vergelijk. En dat maakt hem, in al zijn verschijningen en alter ego's, tot een oericoon in de geschiedenis van de popcultuur en van de mode. De inmiddels 66-jarige Engelsman is nochtans lang niet altijd zo flamboyant geweest als ons collectieve geheugen ons wil doen geloven.

David Bowie is in de popgeschiedenis een pionier geweest in het heruitvinden van zichzelf. Lang voor Madonna Louise Veronica Ciccone zich tot Madonna omdoopte, of Stefani Joanne Angelina Germanotta zichzelf veranderde in Lady Gaga, gebruikte Bowie verschillende personages met bijhorende kleding, make-up en kapsel om het publiek telkens opnieuw te begeesteren of met verstomming te slaan. Voor Bowie was het bovendien een middel om zijn verlegenheid te maskeren, door een personage te spelen, door te acteren.

Het was pas toen hij zijn uiterlijk aan drastische veranderingen onderwierp, dat ook zijn platenverkoop tot fenomenale hoogten steeg. De eerste tien jaar van zijn carrière bleef Bowie immers relatief onbekend. Hij was dan wel een multidisciplinair getalenteerde jongeman, maar qua uiterlijk was hij onopvallend. Een mooie jongen met fijne trekken, maar een echte X-factor had hij niet. Met zijn eerste solo-albums had hij - behalve met het nummer 'Space Oddity', dat de BBC gebruikte bij de beelden van de maanlanding - geen noemenswaardig succes.

Pas nadat hij een relatie kreeg met zijn toekomstige vrouw Angela Barnett veranderde zijn stijl zienderogen, en de impact daarvan op zijn bekendheid. Het was Angie die hem om te beginnen over zijn verlegenheid heen hielp, en hem vervolgens aanmoedigde om zijn grenzen te verleggen wat zijn uiterlijk betrof. De twee wandelden samen door Londen, hij als vrouw gekleed, zij als man. David Bowie kreeg een reputatie. Op de hoes van zijn derde plaat, The Man Who Sold the World (1970), liet hij zich fotograferen in een langoureuze pose, met een zijden jurk aan, en met lange haren. Dat statement had een averechts effect: mensen kochten zijn plaat niet, omdat ze huiverachtig stonden tegenover een man in vrouwenkleren.

Maar ook zijn podiumkledij begon te veranderen. Met zijn groep The Hype trad hij op in dijlange laarzen en in satijnen pakken met hoge kragen. Eén jaar voor Marc Bolan (T.Rex) glamrock op de BBC introduceerde, stond Bowie al in glanzend camp-ornaat op de scene. Toen Bowie in de jaren daarop nog een stap verder ging, balanceerden de meeste glamrockers als copycats op het randje van de slapstick, met hun kostuums en make-up die niet bij hun fysiek pasten. Wat Bowie deed, was veel subtieler en ongelooflijk bestudeerd.

Ontmoeting met Warhol

Een belangrijke gebeurtenis die invloed had op de persoonlijke stijl van Bowie, was zijn eerste trip naar de States in 1971. Zijn nieuwe manager Tony Defries was vast van plan om van Bowie een ster te maken, met een wel zeer vermetel plan: door te doen alsof Bowie al een ster was in Groot-Brittannië. Tegenwoordig wordt die truc wel meer toegepast om instantsucces te oogsten, maar in die tijd was het nog nooit gedaan. Defries liet Bowie overal vergezellen van bodyguards, en in Hollywood verbleef de hele troep in het peperdure Beverly Hills Hotel. Het opzet was vreselijk decadent, maar miste zijn uitwerking niet. Bowie moest zich gedragen als een ster, en wérd er in zijn eigen perceptie ook stilaan een. In New York kwam hij op die manier in contact met Andy Warhol, Lou Reed en de rest van The Velvet Underground, figuren die rondhingen in het milieu van underground theater, crossdressing en de illustere gay scene uit die tijd.

Toen Bowie terugkeerde naar Londen, wilde hij zijn fascinatie voor een soort duistere avant-garde verder blijven voeden. Hij begon uit te gaan in gay nachtclubs en ontmoette er een jonge modeontwerper, Freddie Burretti, voor wie hij iets later een plaat maakte en inzong. Het was de bedoeling dat Freddie alleen maar een fictieve rockster was, die op het podium de nummers zou lippen, maar de plaat was ondermaats en het project werd een flop. Maar het idee van een fictieve rockster bleef tot Bowie's verbeelding spreken.

Bowie bracht in datzelfde jaar Hunky Dory uit (door de pers bijzonder goed onthaald, maar zonder succes bij het grote publiek) en vervolgens The Rise and Fall of Ziggy Stardust & The Spiders From Mars, dat hij opnam met een nieuwe band. Met die plaat kreeg hij vrijwel onmiddellijk een sterrenstatus, maar dat was voor een groot stuk te danken aan de radicale verandering van zijn imago. Bowie kroop in de huid van het fictieve personage rond wie de hele conceptplaat draaide. Ziggy Stardust was een verdoemd buitenaards wezen dat de menselijke vorm van een rockster had aangenomen en levend werd opgegeten door zijn eigen fans.

Om Ziggy te worden, onderging David Bowie een complete transformatie. Zijn haar werd geknipt en geverfd, zijn wenkbrauwen werden weggeëpileerd en Freddie Burretti kroop achter zijn naaimachine. Op aanwijzen van Bowie en Angie kreeg ook de hele band een make-over, in eendelige, flashy fluwelen kostuums uit gordijnstof van bij Liberty's. Bowie stuurde zijn bandleden bovendien naar de film A Clockwork Orange van Stanley Kubrick om te tonen hoe hij parallel daarmee van de Spiders een soort bende wilde maken, een gang. Bowie keek voor de lichaamshouding van Ziggy Stardust vooral naar zijn grote voorbeelden, de vroege Little Richard en de theatrale Jacques Brel. Van Little Richard nam hij de uitdagende seksueel getinte poses over, van Brel het theatrale, het verhalende.

Op 6 juli 1972, toen Bowie de eerste keer als Ziggy optrad in Top ofthe Pops, zette hij in drie minuten tijd 15 miljoen kijkers met een open mond voor hun tv-scherm. Nog nooit had het publiek iemand gezien die meer choqueerde met zijn verschijning dan Bowie in de gedaante van Ziggy, terwijl hij het nummer 'Starman' vertolkte. Hij was een hybride wezen vol van zelfvertrouwen, half vrouw, half man - half mens, half alien. Niemand had ooit een dergelijke verschijning gezien. Hij was met zijn androgyne figuur haast echt buitenaards, en liet bovendien met zijn body language in de nauw aansluitende kostuums van Burretti soms weinig aan de verbeelding over. Bovendien verklaarde Bowie niet lang daarna in het blad Melody Maker dat hij homoseksueel was. Het feit dat hij getrouwd was met Angie en een zoon had, zaaide enerzijds verwarring en anderzijds nog meer fascinatie.

Zowel mannen als vrouwen waren gek op Ziggy, op zijn vrijpostigheid, op zijn magere lijf dat barstte van lust en seksuele energie. "Ik acteerde mijn nummers, meer dan dat ik ze gewoon zong", zo verklaarde Bowie later. Het personage van Ziggy, zijn kapsel en zijn kostuums waren voor hem een middel om te overcompenseren, omdat hij zo verschrikkelijk verlegen was. Hij dacht dat hij op die manier zichzelf beter zou kunnen leren verdedigen. Een middenweg was er niet.

Make-up, mime en kabuki

Op de volgende elpee, Alladin Sane (1973), bleef Ziggy voortbestaan, zij het in een iets gewelddadiger en wereldvreemdere versie. Bowie experimenteerde intussen steeds meer met make-up en droeg op het podium almaar exuberantere kleren. De Japanse divisie van zijn platenfirma RCA had zijn entourage op de hoogte gebracht van een jonge Japanse ontwerper die in Londen een modeshow had gegeven en er een boetiek had geopend. Bowie was dol op de ontwerpen van Kansai Yamamoto. Ze waren erg scifi, maar tegelijk ook geïnspireerd op het klassieke Japanse kabukitheater, waarin vrouwenrollen door mannen werden vertolkt.

Met Aladdin Sane werd Bowies podiumpersonage nog vreemder en theatraler. Bowie wilde méér dan liedjes brengen en zich inleven in een rol. Hij was de allereerste rockster die theater en rock op een dergelijke manier vermengde. De twee disciplines die hem altijd hadden geboeid, acteren en muziek maken, bracht hij samen in een nooit gezien spektakel. De optredens van Ziggy (ofte Aladdin) waren verbluffende performances, pure conceptuele kunst waarbij alle details van kostuums tot dansers en decors zorgvuldig door Bowie zelf werden uitgekiend. Origineel was hij niet, maar Bowie was zowel in zijn muziek als in de uitvoering ervan een ekster. Hij pikte flarden van hier en daar, hij combineerde zijn muzikale talent met zijn oude mime-opleiding en zijn fascinatie voor cabaret en het Japanse kabuki en no-theater.

Na een tournee door de States ging Bowie met zijn band richting Japan, waar Yamamoto speciaal voor Bowie een hele reeks kostuums had klaargemaakt, van korte kimono's tot space-samuraikostuums met wijde broekspijpen, bijbehorende rode laklaarzen of sandalen met plateauzolen. Bowie bleef kleren van Freddie Burretti dragen, meestal naast het podium. Van hem droeg hij felgekleurde pakken met brede revers, brede dassen met opvallende motieven en hemden met grote kragen. Een van de meest opvallende 'dagtenues' uit deze tijd is wellicht de witte blazer met horizontale zwarte strepen, die een paar jaar geleden nog bij Balmain op de catwalk te zien was in een hedendaagse, vrouwelijke versie.

Bye Ziggy, hello Halloween Jack

Bowie leefde met de angst dat de schizofrenie die langs moederskant zijn familie teisterde, op zeker ogenblik ook zijn eigen brein zou aantasten. Het onafgebroken toeren en de gigantische dosissen cocaïne eisten hun tol in zijn perceptie van de werkelijkheid en zijn eigen identiteit. "De dubbelganger in mijzelf begon één en dezelfde persoon te worden", zo verklaarde Bowie achteraf. Op 3 juli 1973, na afloop van het concert in Hammersmith, Londen, amper één jaar na de geboorte van Ziggy Stardust, legde Bowie Ziggy voorgoed het zwijgen op. Hij zou nooit meer naar het personage teruggrijpen. Ziggy bleef voor Bowie het symbool van "een psychosomatische doodswens, die alles overschaduwde."

Met de daarop volgende plaat, Diamond Dogs uit 1974, de plaat waarvoor de Belgische kunstenaar Guy Peellaert de hoes schilderde, met Bowie als half mens en hond, sloeg Bowie op het vlak van zijn imago en kleren weer een nieuwe weg in. Hij werd de antiheld Halloween Jack, een soort jaren zeventig Jack Sparrow met een ooglap.

Op de tournee van Young Americans in 1975 (met 'Fame', het nummer dat John Lennon voor hem schreef), veranderde hij alweer van imago. De nekflap verdween van zijn kapsel, hij kamde het achteruit en begon pakken te dragen, broeken met een hoge taille, bretellen en hemden met brede kragen. Het was een jaren twintig cabaretstijl die deed denken aan Marlene Dietrich, die in soortgelijke pakken de androgyne toer opging. Stilaan kreeg een nieuw personage vorm, de Thin White Duke, een personage waarop Bowie jaren later niet zo erg trots bleek. De magere witte hertog zong op Station to Station plastic soul, romantische songs met een ijzige gespeelde gevoeligheid. De Duke was volgens Bowie een arische superman, een aristocratische zombie die zijn vreemde fascinatie voor het fascisme niet onder stoelen of banken stak.

Terwijl Bowie altijd bang was geweest voor een erfelijke impact van schizofrenie, leek het alsof hij ze zelf aan het veroorzaken was. Zijn drug- en drankgebruik ontspoorde alweer. Hij wilde een nieuw leven, en vertrok naar Berlijn, waar hij drie jaar zou wonen en met Brian Eno de trilogie Low, Heroes en Logder zou opnemen. De underground scene in Berlijn, Kreuzberg met de prille punk en krautrock, was een biotoop die de typische Amerikaanse rock-'n-rollwaarden verwierp en verafschuwde, en daarin voelde Bowie zich thuis.

Met zijn imago zou Bowie nooit meer terugkeren naar de extremiteit van Ziggy Stardust, noch naar rood haar en geëpileerde wenkbrauwen, naar een uitdagend transgenderimago. Alleen met Scary Monsters (and Super Creeps) uit 1980, waarin hij een vreemde pierrot-achtige figuur neerzette, met een punthoed en een wit geschminkt gezicht, speelde hij weer een nieuw personage, een soort permutatie van de Major Tom die hij jaren tevoren in 'Space Oddity' had gecreëerd.

Subtiliteit

Bowie ging zich naast zijn muzikale carrière ook meer op het acteren in films toeleggen. The Man Who Fell to Earth van Nicholas Roeg, waarin Bowie voor de eerste keer een hoofdrol speelde, had een grote invloed op het uiterlijk en het karakter van de Thin White Duke. Ook al nam hij nadien afstand van dat personage, zijn voorliefde voor (retro) mannenpakken zou in zijn latere carrière als een rode draad door zijn podiumacts lopen.

In 1983 dreef Bowie de neocabaretstijl van de Duke nog verder door op Let's Dance, maar deze keer in een veel optimistischer en minder verknipte gedaante. Als zanger van de band Tin Machine maakte Bowie in 1988 ruigere rock, alweer in een maatpak. Stijlvol, immer aantrekkelijk. Bowie's Glass Spider Tour van 1989 was qua effecten en mise-en-scène later hét voorbeeld voor megaspektakels van bands als U2 en Madonna, maar op vestimentair vlak leek Bowie voor het eerst niet meer te imponeren in zijn rode en gouden jasjes in typische eighties snit.

Sindsdien houdt hij het al meer dan twintig jaar voornamelijk bij overhemden en pakken, met kleine variaties in kapsel en baardgroei. Voor de tournee van 1997 bij de plaat Earthling deed hij voor zijn pakken een beroep op Alexander McQueen. Ook de lakleren Union Jackmantel op de hoes ontwierp hij samen met McQueen. Bowie's stijl is de laatste decennia veel minder flamboyant geworden. De kracht van zijn imago zit in de subtiliteit. Bij Bowie blijft alles immers, tot in het kleinste detail, vooraf bestudeerd en zorgvuldig georkestreerd. Zijn uiterlijk blijft het bewijs van een maniakale beheersing van zijn creativiteit. Minder heftig en kleurrijk dan vroeger, maar nog steeds vol van klasse en stijl.

De expoDavid Bowie is loopt van 23/3 tot 11/8 in het Victoria and Albert Museum, Londen, www.vam.ac.uk. Vooraf boeken is aan te raden. De expo is de eerste drie weken al volgeboekt.

Met dank aan Eurostar, www.eurostar.com

Van Beirendonck over Bowie: 'Voorbeeld en held'

Modeontwerper Walter Van Beirendonck: "Ik hoorde voor het eerst van David Bowie toen ik 12, 13 jaar was. Hij fascineerde mij mateloos. Het was niet alleen de muziek die indruk maakte op mij, maar ook zijn looks en zijn imago. Hoe hij omging met zijn uiterlijk heeft mijn jeugd - in het internaat - getekend. Het was een rebels statement dat mij de moed gaf om door te gaan, waardoor ik, ondanks de pesterijen van andere studenten, toch besliste om tegen de stroom in te gaan, om op elk vlak mijn eigen keuzes te maken, ook wat betreft kledij.

"In vergelijking met de rest van de glamrockscene was David Bowie écht. Wat hij deed, sloot naadloos aan bij zijn muziek en zijn teksten. Hij heeft mij doen beseffen dat je door looks, kleding en imago kan communiceren.

"Doorheen heel mijn carrière is Bowie een voorbeeld geweest en hij bleef voor mij een held. In mijn meest recente collectie SHUT YOUR EYES TO SEE, heb ik een hommage aan hem en de glamrock uitgewerkt, met referenties naar zijn ogen, zijn looks, en met bliksems die naar hem verwijzen.

"Bowie is een echte mode-icoon die zelf over zijn looks en zijn imago besliste en zichzelf telkens opnieuw heruitvond. Hij is niet het werk van iemand anders, wat de meeste popsterren van nu wel zijn.

"Bowie's invloed als stijlicoon is blijvend, seizoen na seizoen, omdat hij een pionier is. Hij was het origineel waar anderen zich op baseerden. Alleen de originals hebben een blijvende invloed. Ik ben héél blij dat David Bowie terug is. En dat zijn comebackplaat super is, is natuurlijk ook niet onbelangrijk."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234