Zondag 20/06/2021

Expo u Ensor tot Bosch in Bozar, of het verhaal van verwerven en weer kwijtspelen

Het verhaal van de Vlaamse musea is er een van verzamelen en van verliezen. Vlaanderen was ook voor de kunstverzamelaars het slagveld van Europa

Het topje van de Vlaamse kunstberg

Mooi maar moeilijk. Ensor tot Bosch is een sobere, smaakvolle tentoonstelling die veel van de toeschouwer vergt. De expositie vertelt hoe de collecties van de musea van Antwerpen, Brugge en Gent zijn ontstaan, maar zoiets gaat makkelijker in een boek dan in een tentoonstelling. Voor het eerst tonen drie Vlaamse kunsthistorische musea zich samen. In Bozar, Brussel, op neutraal terrein. Wie een collectie van de grootste hits verwacht, komt bedrogen uit, hoewel een aantal topstukken niet ontbreekt. Toch spreekt Ensor tot Bosch eerder de geest aan dan het gevoel.

Brussel

Van onze verslaggever

Eric Rinckhout

Een groot schilderij van Suvée, De uitvinding van de tekenkunst uit 1791, opent in zijn eentje de tentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Geen Rubens, geen Van Dyck, geen Ensor. Het zet meteen de toon voor de tentoonstelling, want Suvée is niet bepaald Vlaanderens bekendste schilder, zijn doek is geen icoon. Suvée was in zijn tijd evenwel groter dan Jacques-Louis David, voor wiens neus hij de prestigieuze Prix de Rome wegkaapte. Vandaag kennen we David nog wel - zijn Moord op Marat hangt in Brussel -, Suvée is daarentegen vergeten. Het Brugse Groeningemuseum wil daar verandering in brengen: het plant over enkele jaren een grote retrospectieve van de neoclassicistische schilder.

Het doek van Suvée zet dus de toon. Want Ensor tot Bosch wil duidelijk geen stoet van reuzen brengen. Curator Till Holger-Borchert heeft ervoor gekozen om te vertellen hoe de collecties van de drie grote Vlaamse kunsthistorische musea zijn ontstaan. Tussen de geschiedenis van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, het Groeningemuseum in Brugge en het Museum voor Schone Kunsten in Gent zijn er nogal wat parallellen, wat mooi meegenomen is.

De eerste zaal biedt een staalkaart van de vroegste kunstverzamelaars. Onder de titel Van kapel tot kabinet gaat men daarvoor terug tot de vijftiende eeuw. Toen ontstond bij aristocraten en schildersgilden stilaan de appreciatie voor individuele kunstenaars. Ook welgestelde kooplieden en andere mecenassen, stadsbesturen en kerken begonnen kunstcollecties aan te leggen. Zo zijn de kunstkabinetten van Sebastiaan Leerse en het mecenaat van bisschop Triest belangrijk voor respectievelijk de Antwerpse en Gentse collectie. Koopman Leerse pronkt te midden van zijn kunstverzameling op een wat onhandig geschilderd paneeltje van Frans Francken. Bisschop Triest is op twee manieren in Bozar aanwezig: Duquesnoy vereeuwigde de mecenas in marmer (Louvre) en Gent stuurde het schilderij De vijf zintuigen (1632) van Theodoor Rombouts, dat ooit in de collectie van Triest zat.

Helaas springt de tentoonstelling erg spaarzaam om met informatie: de sobere esthetiek van de zaalinrichting primeert. Dat leidt ook tot naambordjes die te laag hangen en waarvan de letters te klein zijn. Een zere rug en zere ogen zijn dan ook het lot van menig bezoeker. Bij de persopening ontbraken de zaalteksten nog: die zouden er per thema komen en bevestigd worden aan de zitbanken. De audiogids was wel al beschikbaar: hij levert essentiële informatie en is een onmisbare leidraad in de al bij al weerbarstige tentoonstelling. Toch zou een gratis, beknopte bezoekersgids niet misstaan. Wie de audiogids niet gebruikt, mist immers het grootste deel van het verhaal.

Ensor tot Bosch volgt een chronologisch parcours en werkt binnen die chronologie met thema's. Zo besteedt een tweede afdeling aandacht aan het belang van de academies in de late zeventiende en achttiende eeuw. Er wordt lang stilgestaan bij de invloed van de Franse Revolutie en de gevolgen van de Franse bezetting voor de Antwerpse, Gentse en Brugse kunstcollecties. De Fransen plunderden kerken en kloosters leeg, verklaarden talrijke kunstwerken verbeurd en namen het roofgoed - waaronder een dertigtal grote werken van Rubens - mee naar het toenmalige Musée National des Arts, het huidige Louvre, in Parijs. Bij het huwelijk van Napoleon met Marie-Louise in 1810 hangt in de grote galerij van het Louvre De bewening van Christus door Antoon Van Dyck. Dat is op een tekening van een zekere Benjamin Zix te zien, die in het PSK naast het doek van Van Dyck hangt. Een aardige vondst. In 1815 keerde een aantal van die kunstwerken in ware triomftocht terug naar de steden van oorsprong. Ook dat wordt getoond in een tekening van een zekere Verellen uit het Amsterdamse Rijksmuseum. Alweer een aardige ontdekking.

Vervolgens schetst de tentoonstelling het belang van enkele legaten - zoals Van Ertborn, die zijn schitterende collectie Vlaamse Primitieven in 1841 aan Antwerpen schonk -, de evolutie van academie naar echt museum, de invloed van de Salons in de negentiende eeuw en de verdere aanvulling van de collecties in de twintigste eeuw. De zaal met Salon-kunst is opvallend sterk en gevarieerd. Ongetwijfeld een statement van Borchert.

Het is dus een boeiend verhaal. Maar het wordt duidelijker en overzichtelijker verteld in het boek bij de tentoonstelling. Misschien had men er resoluut voor moeten kiezen om de expositie een meer documentair en informatief karakter te geven. Nu is het boek beter dan de tentoonstelling, hoewel ook het boek gebaat zou zijn geweest met een extra essay waarin een buitenstaander de Vlaamse musea en hun collecties zou doorlichten.

Gelukkig biedt de tentoonstelling een meer dan aangename kijkervaring. De zalen van het PSK hebben een sobere museale aankleding gekregen die perfect aansluit bij het onderwerp. De grijze wanden, het natuurlijke zenitale licht en de uitvoerige belichting komen de meeste kunstwerken ten goede. Architect Koen Van Synghel maakte een sober maar doeltreffend Donald Judd-achtig ontwerp voor sokkels, balustrades en zitbanken. De keuze voor ('oer-Vlaams') eikenhout is ongetwijfeld een knipoog.

En er zijn de kunstwerken. Daar draait alles uiteindelijk om. Er is het intrigerende drieluik van Hiëronymus Bosch Het laatste oordeel (Brugge), het mysterieuze De gierigaard en de dood van Jan Provoost (eveneens Brugge), de tedere Bewening van Christus door Van Dyck (Antwerpen), het gewoonweg majestueuze De Spanjaard te Parijs van de te weinig bekende Henri Evenepoel, de Kop van Pierre de Wissant door Auguste Rodin en De ijsvogels van Emile Claus (alledrie uit Gent). Stilleven met oesters en Maskertoneel van James Ensor komen uit Antwerpen - sterk, maar zeker niet Ensors beste werk. Nog uit Gent komen het gracieuze beeldhouwwerk Fontein der geknielden van George Minne, een imposant overzicht van het Scribe-legaat van rond de eeuwwisseling en de onlangs door de Vlaamse overheid verworven Ensor-tekening Christus aan het volk getoond.

Het valt op hoeveel topwerken Gent heeft gestuurd. Dat heeft natuurlijk te maken met het feit dat het museumer nu verbouwd wordt en gesloten is voor het publiek. Antwerpen was kariger met meesterwerken. Het KMSKA is gewoon open en er loopt ook geen tentoonstelling: Antwerpen wou zijn belangrijkste werken deze zomer blijkbaar thuis houden. Toch is het een raadsel waarom in Brussel een zwakke Rubens uit het Antwerpse Koninklijk Museum te zien is. Daartegenover staat dan weer dat Antwerpen ons heel wat laat ontdekken: een bijna expressionistische Christuskop van een zestiende-eeuwse anonieme meester (alweer uit het legaat Van Ertborn), een net gerestaureerd genretafereeltje met een luitspeelster van Gerard ter Borch en een in zwoel zonnelicht badend Egyptisch tafereel van Karel Ooms (1898). Werken die meestal in het depot zitten of niet opvallen in de zalen.

Maar - het is een tentoonstelling van vele 'maars' - globaal hangt er iets te veel bleek tweederangswerk op deze expositie. Dat werk mag dan een prima beeld geven van de smaak van de toenmalige collectioneurs, toch is dat vooral interessant voor kunsthistorici, cultuursociologen en minder voor het grote publiek. Waarom is er daarentegen geen Van Eyck te zien (wel een kopie), waarom geen Patinir en geen Van der Weyden (wel een kopie)? Waarom geen Bosch uit Gent? Dat museum heeft er twee. Een krachtig werk van Rubens ontbreekt, Jordaens is spoorloos. Ook Rik Wouters is nergens te bespeuren, hoewel uitgerekend het legaat Van Bogaert ervoor gezorgd heeft dat Antwerpen een schitterende Wouters-collectie heeft gekregen. Er is kortom, nogal wat belangrijk werk in de respectieve musea achtergebleven, zodat deze tentoonstelling alleen maar het topje van de Vlaamse kunstberg laat zien.

Bij uitbreiding maakt Ensor tot Bosch duidelijk wat de Vlaamse collectioneurs en musea door de eeuwen heen niet verzamelden. Ze kochten vooral lokaal en regionaal aan. Geen school van Barbizon, geen Franse impressionisten - om het alleen daarbij te houden. Maar Ensor tot Bosch laat indirect ook zien wat er uit de Vlaamse collecties in de loop der tijden verdwenen is. Zo is Pieter Bruegel een opvallende afwezige op de tentoonstelling, maar die meester ontbreekt tout court in de collecties van de drie Vlaamse kunsthistorische musea. Er is alleen de Dulle Griet in het Museum Mayer van den Bergh in Antwerpen (ook een privé-verzameling) en het handvol Bruegels in de Brusselse Koninklijke Musea voor Schone Kunsten.

Het verhaal van de Vlaamse musea is een verhaal van verzamelen en van verliezen. Vlaanderen was ook voor de kunstverzamelaars het slagveld van Europa. Veel van de schitterendste particuliere collecties zijn verdwenen, uiteengevallen, geveild, weggekocht of weggehaald voordat ze hun weg konden vinden naar de museale verzamelingen. Ooit hing er een Caravaggio in de Antwerpse Sint-Pauluskerk, daar had Rubens nog voor gezorgd. Maar onder de Oostenrijkse overheersing werd het werk door de machthebbers gekocht en naar Wenen gebracht, waar het nu nog hangt.

Veel meesterwerken van de Vlaamse kunst bevinden zich in het buitenland. Om topwerk van Bosch, Patinir, Bruegel, Van Eyck, Rubens en Van Dyck te zien moet je naar het Prado van Madrid, het Kunsthistorisches Museum van Wenen, het Louvre van Parijs en de National Gallery in Londen - musea die vaak opgebouwd zijn rond één of enkele collecties van vorsten die hier een tijdlang regeerden en hun bezit later weer mee 'naar huis' namen.

Maar ook onlangs is er nog waardevol werk naar het buitenland verdwenen. Ook op deze tentoonstelling had Ensors magistrale werk De intrede van Christus te Brussel niet misstaan. Het was bezit van de Antwerpse familie Franck, die veel voor het museum in de Scheldestad en voor de modernistische kunstkring Kunst van Heden (1905) heeft betekend. Het hing lang in bruikleen in het Antwerpse museum tot het in de jaren tachtig verkocht werd. Nu is het grote en grootse doek bezit van het Getty Museum in Los Angeles.

Het Topstukkendecreet is niets te vroeg gekomen en ook de samenwerking tussen de drie Vlaamse kunsthistorische musea is een pure noodzaak. De drie collecties vullen elkaar uitstekend aan en kunnen samen aan een internationale reputatie bouwen. Toch laten ze die imposante 'Vlaamsekunstcollectie' iets te weinig schitteren in de vitrine die het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel hen nu biedt.

Ensor tot Bosch, tot 11 september in Bozar, Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, 1000 Brussel. Dinsdag tot zondag: 10 tot 18 uur. Op donderdag tot 21 uur. 02/507.82.00, www.bozar.be en www.vlaamsekunstcollectie.be.

Het rijk geïllustreerde tentoonstellingsboek Ensor tot Bosch is een uitgave van Mercatorfonds, PSK en Davidsfonds.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234