Vrijdag 05/03/2021

Experimentele popcultuur

Waarom vinden we een zoveelste tekst op een zoveelste blad papier géén herhalingsoefening?

door Geert Buelens

Zelf heb ik het nog niet gedaan, maar het kan: je neus snuiten in een zakdoek waarop enkele mijner verzen staan afgedrukt. Verzen van Tom Lanoye kun je zelfs gebruiken om er je klein huishoudelijk afval in op te bergen, want in Kortrijk plaatste het stadsbestuur zijn in opdracht geschreven gedicht 'Vuilnispraat' op de vuilniszakken ("Kom, steek mij vol. Het kan, het mag, / het is zelfs obligaat"). Vooral sinds steden zich tooien met eigen stadsdichters wordt naarstig gezocht naar manieren om de dichtkunst dichter bij de lezer te brengen. Dat lijkt een beetje ongerijmd: een echte lezer heeft toch geen hulpstukken nodig, zou je denken. Veeleer lijkt het dus alsof deze initiatieven de dichtkunst dichter bij de niet-lezer trachten te brengen. Ook een eerzame bezigheid en gezien het indrukwekkende aantal niet-poëzielezers vooral ook een ambitieuze.

Nieuw is dat overigens allemaal niet. Een kleine veertig jaar geleden waren het echter vooral de schrijvers zelf en niet zozeer overheden of leesbevorderaars die uitdrukkelijk het publiek opzochten. Legendarisch in dat opzicht is de Poëziemarkt van Wetteren, waar dichters in 1968 en 1971 als ware marktkramers hun poëtische prestaties aan den volke trachtten te slijten. Gerd Segers verkocht er broodjes, verpakt in servetten waar een gedicht op stond. Marcel Wauters schreef er zijn verzen in onuitwisbare inkt op, jawel, zakdoeken. Het waren de hoogtijdagen van het nieuw realisme en zoals dat gaat met bloeiende stromingen ging men geen grote uitspraak uit de weg: "Ik geloof dat het verspreiden van gedichten in boekvorm zo stilaan tot de folklore is gaan behoren", schreef dezelfde Segers in 1970 in zijn blad Revolver, een tijdschrift dat van de weeromstuit niet langer in boekvorm wilde verschijnen, maar in steeds wisselende gedaanten. En zo geschiedde: uitdrukkelijk geïnspireerd door de "konsumptiemaatschappij" maakten Segers en zijn kompaan Jan Vanriet de volgende jaren onder meer gebruik van fiches, briefkaarten en inpakpapier om hun dichterlijke waar te verspreiden. De verbeelding die aan de macht kwam, wilde vooral niet elitair zijn. In zekere zin wilde ze zelfs geen kunst meer zijn. Segers bepleitte "een poëzie die niet meer in de literatuur thuis hoort, maar in het gewone leven met de beide voeten op de grond".

Die beide voeten ontbreken in een nog oudere poging om de dichtkunst op inventieve wijze los van het traditionele boek te presenteren. Al eind jaren vijftig bracht Adriaan de Roover (°1923) in kleefletters zijn gedicht 'MJQ' aan op een voetenloze paspop. De titel - een verwijzing naar het Modern Jazz Quartet - staat parmantig op haar hals, deze tweede strofe op haar buik: "waarom kiezen / jonge waaghalzen / mijn nieren als schietschijf / voor hun kleine brandbommen / en lig ik de handen vloeibaar / met diepe luisterwonden" Bepaald géén nieuw realistische verzen zijn dat. De Roover is dan ook een experimenteel schrijver, uit de generatie van Lucebert, Gust Gils en Ivo Michiels. Het experimenteren met het medium had bij die schrijvers niet zozeer tot doel de literatuur dichter bij het publiek te brengen, dan wel dat publiek te verrassen. "Aldus tracht ik ook de surprise in het gedicht te brengen", schreef De Roover in een lezing uit 1955. "Het zijn vooral de surprisen die mij gelukkig maken. De surprisen van woord, beeld en klank." Door een gedicht dat al op papier bestond op een ander medium over te brengen, vergroot de schrijver die surprise: bij de beelden die de dichter in zijn verzen had gebruikt ("de vloeibare handen") voegt zich zo het tastbare beeld van de paspop. Waarna die figuurlijke beelden met het letterlijke beeld in gesprek gaan. Het lichamelijke van de experimentele dichterstaal wordt zo plots erg concreet; de als schietschijf omschreven nieren kun je welhaast aanraken. En de kloof tussen kunst en wereld (die de nieuw realisten tien jaar later zouden willen opheffen) wordt hier onomwonden beklemtoond: in een gedicht over het swingende jazzensemble heeft de pop alles behalve danslustige benen. Veel meer dan ronddraaien op haar driepotige houten staander zit er niet in voor haar.

Wanneer de dichter dat experiment een kleine veertig jaar later herneemt, lijkt het op het eerste gezicht misschien een flauwe herhalingsoefening. Die reactie zegt echter meer over de aan papieren bundels gewende gewoontedieren die wij zijn dan over De Roovers nieuwe paspop. Want waarom vinden we een zoveelste tekst op een zoveelste blad papier géén herhalingsoefening? De Roover gebruikt in 1995 een heel ander gedicht, waardoor de woorden van dat gedicht ook heel nieuwe relaties aangaan met de pop. Zo staat het beginwoord "luisteren" nagenoeg op de plaats waar de stembanden zich bevinden, wat dat "luisteren" acuut onder spanning plaatst. En wanneer de dichter het in de slotstrofe op de onderbuik heeft over "brandstichten in je ingewanden" dan wordt dat, zeker op die rode pop, bijna omineus. De "brokstukken (...) van een vlekkeloos geluk" kan dan weer slaan op de letters (en dus de poëzie) zelf, waarbij de andersgekleurde begin-e van "een" op haar beurt het daaropvolgende "vlekkeloze" relativeert. Toegegeven, het zijn geen spectaculaire surprises. Die ambitie heeft het vast ook niet. Om in de taal van het gedicht zelf te blijven: het is een fysieke vertaling van "het licht / van je hersenen". De flits bezielde inspiratie die wij kunst noemen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234