Zaterdag 22/01/2022

Exclusief: Keith Richards over leven, liefde en de Rolling Stones

Jarenlang zag het ernaar uit dat hij de volgende rock-’n-rolldode zou worden, maar vandaag, zesenzestig inmiddels, is Keith Richards er nog steeds. Wie jonger is dan twaalf kent hem wellicht alleen van die hilarische gastrol in Pirates of the Caribbean, maar voor alle anderen is de gitarist al een halve eeuw het kloppende hart van de Rolling Stones. In zijn gloednieuwe autobiografie Life - voorschot: 7 miljoen dollar - raast zijn leven voorbij op het ritme van een rocksong waarbij het refrein keer op keer uit drank, drugs, seks en arrestaties bestaat. ‘Dit boek schrijven was moeilijker dan tien cd’s opnemen met de Stones.’

e voornaamste conclusie na het lezen van Life is dat het een mirakel is dat Richards zijn leven nog kan navertellen. Sam Cutler, de voormalige tourmanager van de Stones, noemt hem ‘de man die door de dood vergeten werd’ maar wanneer ik hem - dik twee uur later dan gepland - eindelijk de hand schud ziet hij er opvallend fris uit. Gezond ook, zelfs al steekt Richards tijdens ons gesprek vier sigaretten op en heeft het verleden diepe groeven in zijn gezicht getekend. Hij draagt een vilten hoed, een bruine regenjas en een bijpassend sjaaltje. Energie voor tien, ook. Stevige handdruk, een goed gevoel voor humor en niet vies van een beetje zelfrelativering. In tegenstelling tot een paar jaar geleden draagt de man die ‘I can’t get no satisfaction’ létterlijk in zijn slaap geschreven heeft geen lintjes meer in het haar want “daar is het intussen te dun voor geworden.” En wanneer ik hem vraag wat het grootste verschil is tussen de wereld van de boeken en de muziek merkt hij droogjes op dat er “in het literaire milieu veel meer dronkaards rondlopen”, waarna Richards zichzelf een royale scheut Jack Daniel’s inschenkt. En benadrukt dat hij het schrijven van zijn memoires behoorlijk onderschat had. “Het is al moeilijk genoeg om één keer Keith Richards te zijn, dus om voor het boek nog een tweede keer in zijn huid te moeten kruipen was… heavy shit.”

Heb je de biografieën van de andere Stones - Bill Wyman en Ron Wood - gelezen voor je aan de jouwe begon?

“In het boek van Bill ben ik begonnen, maar na drie hoofdstukken heb ik het opgegeven. Ik verveelde me steendood. Hij bleef maar mekkeren over zijn geldgebrek, en op de overige vierhonderd pagina’s kwam je eigenlijk alleen te weten met hoeveel chicks hij had geneukt. (gaapt) Ron z’n verhaal vond ik wel geestig, maar tegelijk voel je toch dat hij de interessantste verhalen niet prijs heeft gegeven. Ik vond dat ik het moest schrijven zoals het geweest is: rough and tough. Het was bij momenten heel moeilijk om open en eerlijk te zijn, want ik heb uiteraard stilgestaan bij de consequenties die dat kon hebben voor andere mensen. Soms moest er opnieuw in oude wonden worden gekerfd. Ook in de mijne, ja. Wie het er niet mee eens is moet zijn eigen boek maar schrijven. Ik zal alvast met veel plezier de memoires van Mick Jagger lezen, mocht het ooit zover komen.”

Wat me opviel in het boek is de passie die je kennelijk nog steeds voor muziek hebt. De honger naar het podium, ook. Ik zou denken dat de Stones na al die tijd stilaan routine zijn geworden.

“Muziek is mijn leven, dus ik ga niet zomaar op een podium staan. Ik kan Mick ook niet zomaar met een revolver tegen zijn slaap dwingen om weer aan het werk te gaan, want met dat soort attitude zouden we nooit een goeie plaat maken. Ik laat het initiatief dus van de anderen komen, maar zodra ik merk dat het bij Mick, Charlie en Ron begint te jeuken, kom ik wel met plezier krabben. Dan ben ik degene die de boel in gang steekt.”

Komt er een nieuwe Stones-cd?

“Volgend jaar, maar hou het stil. De groep vergadert in december pas om te kijken wat we in 2011 allemaal gaan doen.”

Onlangs raakte alvast bekend dat jullie weer op tournee gaan. Niet in stadions, maar langs arena’s en kleinere clubs. Hoe belangrijk is het om het publiek recht in de ogen te kunnen kijken?

“We zijn in kleine clubs begonnen, en daar heb ik me altijd het beste gevoeld. Een voetbalstadion is niet gemaakt om muziek in te spelen. De akoestiek is een hel, en het publiek staat te ver om zich echt betrokken te voelen. De enige plek waar je als muzikant wil zijn, is te midden van je fans. Alleen zijn dat er altijd maar meer geworden, en bijgevolg werden de plekken waar we speelden steeds groter. Aan de basis zijn we altijd een clubband gebleven. De Stones zijn veel populairder geworden dan we zelf ooit voor mogelijk hadden gehouden.”

Ik herinner me optredens met enorme opblaasbare penissen en gigantische poppen op het podium. Je kan toch niet ontkennen dat de klemtoon sinds die grootschalige concerten minder op de muziek lag.

“Dat zal hier en daar wel zo geweest zijn, ja. De ene keer gaven we het publiek wat vuurwerk, dan haalden we er een enorme opblaasbare lul bij. Whatever kept them entertained. Je moest eens weten waar ik in de loop der jaren allemaal ‘neen’ tegen heb gezegd. Op een gegeven moment wilde Mick een school steltlopers mee op tournee nemen. En vijfhonderd gogo-danseressen. En olifanten. Daar heb ik de lijn getrokken. No elephants on stage. Dat hebben we helemaal niet nodig. Ik geef toe dat we even moesten zoeken naar de juiste balans tussen spektakel bieden en overeind blijven in die grote stadions. Maar gaandeweg zijn we daar toch beter in geworden. De uitschuifbare brug die we tijdens de Bridges to Babylon-tournee mee hadden wordt intussen wereldwijd door de brandweer gebruikt. Daar redden ze tegenwoordig mensenlevens mee.”

De jongste Stones-tournees werden

gesponsord door grote multinationals, en daar hebben jullie flink wat kritiek op gekregen. De Rolling Stones zijn

een machine geworden waar geld

belangrijker is geworden dan muziek.

“Er wordt gezegd dat we onze ziel aan de duivel hebben verkocht, maar dat is onzin. Kijk, bij zo’n optreden staan er 80.000 mensen voor onze neus, en die willen een show zien. Ik wil vooral dat er een hechte groep op het podium staat, en dat het geluid deugt. In principe is al dat circus eromheen dus niet zo belangrijk. Alleen: het is wel leuk als de mensen die een halve kilometer verderop staan ook iets hebben om naar te kijken. Zelf ben ik maar een meter vijfenvijftig, en de kans dat ik nu nog veel zal groeien is miniem. Dus die mensen zien in het beste geval een lucifer gitaar spelen. Kortom: we hebben een show nodig. En zo’n show kost geld. Veel geld. Als we alle kosten aan de fans doorrekenen kan er niemand meer komen kijken. Ik heb me nooit gestoord aan het feit dat we van uitverkoop worden beschuldigd. Wij hebben de meeste kritiek gekregen omdat we één van de eersten waren, maar nu laat élke grote groep haar tournees sponsoren. Voor mij is het simpel: als ik onze ticketprijs lager kan houden door geld af te snoepen van een bedrijf dat parfum, gezinsauto’s of ketchup verkoopt zal ik het niet laten. We leven in een kapitalistische maatschappij, man. Ik zou zelfs sigaretten helpen verkopen als ons dat vooruit kon helpen. Daar zie ik echt geen graten in.”

In de jaren zestig en zeventig waren

jullie ook al een populaire groep maar toch begon het grote geld pas in de jaren tachtig binnen te stromen. Bill Wyman heeft me ooit verteld dat hij al langer uit de Stones wilde stappen, maar moest wachten tot na de Steel wheels-tournee in 1989, omdat die hem voor de rest van zijn leven financiële

zekerheid zou garanderen.

“Ach, Bill is altijd al de boekhouder van de groep geweest, de man voor wie de bankrekening écht belangrijker was dan de muziek. Ik heb zijn houding op dat vlak nooit oké gevonden.”

Heb je je weleens afgevraagd hoe het zou voelen om anoniem te zijn?

“Dat zou ik graag willen weten, ja, want dat ben ik lang geleden al vergeten. Af en toe vermom ik me wel, wat op zich ook wat belachelijk is. Vooral omdat ik het al bij al fantastisch vind om mezelf te zijn. En al bij al heb ik een tamelijk normaal leven, hoor. De enige plek waar ik echt in de problemen raak zijn bioscopen. Omdat ik het dan meteen voor alle andere aanwezigen verknal. Je hebt maar één of twee mensen nodig die even niet naar het scherm kijken, en dan duurt het hooguit tien seconden voor ik achter mijn rug hoor fluisteren dat ‘Keith Richards in de zaal zit’. Dan is de lol er voor mij ook af. Dus voor ik ergens binnenstap kijk ik meestal eerst waar de uitgang is, zodat ik als dat nodig is weg kan vluchten. Maar afgezien daarvan kan ik bijna overal ter wereld over straat lopen. Meestal komen de mensen me een schouderklopje geven, of bedanken ze me voor de muziek. Daar kan ik perfect mee leven.”

Vreemde vraag misschien, maar het viel me opnieuw op toen ik je boek las: bekende mensen kweken haast zonder uitzondering een hechte band met huisdieren, en bij jou is dat niet anders. Heeft dat te maken met het feit dat ze niet beseffen dat hun eigenaar wereldberoemd is, en de aandacht die je van hen krijgt dus puur en oprecht is?

“Dat vat het goed samen, ja. Ik heb in al mijn huizen honden en katten rondlopen, en daar voel ik echt liefde voor. Al vind ik het op zich niet eens zo erg dat er altijd wel mensen zijn die iets van me willen. Aandacht. Een foto. Een handtekening. Of een combinatie van dat alles. Ik snap niet waarom muzikanten daar vaak zo moeilijk over doen. Als je in dit vak stapt weet je dat dat de consequentie is. Bij Brian Jones steeg het succes hem meteen naar het hoofd. Dat werd echt een klootzak. Hij kwam niet opdagen voor concerten, had meer belangstelling voor acid dan voor muziek, en op de duur was de vent nog gewelddadig ook. Zéker tegen vrouwen. Over de doden niets dan goeds, al kan ik niet zeggen dat ik hem mis. Bij Mick heeft het bijna twintig jaar geduurd voor hij naast zijn schoenen begon te lopen. Maar op de duur begon hij de Stones als zijn begeleidingsgroep te zien. Iets waar alle zangers last van hebben. Ik noem dat het lead vocalist syndrome. Gek hoe heel redelijke kerels plots zichzelf verloochenen eens ze een beetje bekend worden. Op de duur geloven ze écht dat ze een geschenk van God aan de mensheid zijn.”

Jij hebt je nooit beter dan de rest

gevoeld?

“Nee. Iedereen vertelt me al vanaf mijn negentiende hoe fantastisch ik wel ben, maar diep in mijn binnenste wist ik dat dat bullshit was. Omdat ik het vak nog aan het leren was. Maar ik wilde wel alles doen om fantastisch te worden, om de dromen waar te maken die anderen voor me hadden uitgetekend. En daar heb ik verdomme hard voor gewerkt. Geloof me: bekend zijn is een zwaard dat aan twee kanten snijdt. Het heeft me moeite - véél moeite - gekost om Mick met beide voeten op de grond te houden. Hij was te clever en te wijs om echt in die val te trappen, maar soms zwelde zijn ego zodanig op dat ik er toch weer een gaatje in moest prikken om het weer tot aanvaardbare proporties terug te brengen. Kijk: ik beschouw hem als mijn broer. En broers moeten elkaar af en toe een klap voor hun kop verkopen. Wie gaat het anders doen?”

In de jaren tachtig was de sfeer in het Stones-kamp tot het vriespunt gezakt. Charlie Watts verkocht Mick Jagger een dreun omdat hij hem ‘mijn drummer’ had genoemd. Mick ging solo en sprak over de Stones als ‘een molensteen om mijn nek’, jullie vaste pianist Ian

Stewart stierf, Charlie Watts speelde nauwelijks mee op Dirty work, en Bill Wyman telde streepjes zettend de dagen af tot hij genoeg geld had om op te

stappen. Hoe dicht hebben jullie toen tegen een split aangezeten?

“Er zijn zeker een paar fragiele momenten geweest toen, dat is waar. Dat Charlie niet op alle nummers van Dirty work meespeelt, heeft te maken met het feit dat hij één van zijn vrienden - Steve Jordan - meer geschikt vond. Hij hield alleen het eindresultaat voor ogen, en vond de muziek belangrijker dan zijn eigen ego. Laat ons wel wezen: Charlie Watts is de beste drummer aller tijden. Een heel solide vent, ook. Alles wat van ver of van dichtbij met celebrity te maken heeft, glijdt totaal van hem af. Het heeft niet de minste impact. Misschien komt dat doordat hij achteraan op het podium zit, en dus wat meer afstand kan nemen.”

Ben je het ermee eens dat het uitgerekend de voortdurende persoonlijke wrijvingen tussen jezelf en Mick Jagger zijn die ervoor zorgen dat jullie op creatief vlak wél met elkaar kunnen opschieten?

“Die spanningen zorgen ervoor dat er af en toe een parel in de oester zit, dat is waar. Dus zolang de frictie tot goeie songs leidt, hebben zowel Mick als ikzelf daar vrede mee. We kennen elkaar al zo lang, en ik geloof niet dat we elkaar vandaag bij de Stones nog zouden kunnen choqueren. Ik vond wel dat ik Mick mijn boek moest opsturen voor het verscheen. Hij heeft het gelezen, en laten weten dat hij zich de eerstvolgende maanden best goed kon verstoppen. (lacht) Het enige wat hem irriteerde was dat ik schreef dat hij met een zangleraar werkt. Terwijl iederéén dat toch al wist? Bovendien is het niet zo onnozel om als zanger af en toe wat lessen te nemen. Zéker niet als je elke avond voor 80.000 mensen moet optreden. Alleen: ik was het kotsbeu om de hele tijd naar zijn opwarmingsoefeningen te moeten luisteren. Al dat gelalalala… Gék werd ik ervan. Ik zorg er dus voor dat mijn kleedkamer op tournee zo ver mogelijk van de zijne ligt. Ik geloof niet dat ik de voorbije twintig jaar nog een stap bij hem binnen heb gezet voor een optreden. Dat hoeft ook niet. Zolang het op het podium maar vonkt.”

Je was behoorlijk pissig toen Mick in

de jaren tachtig achter je rug een deal afsloot voor een solocarrière. Heb je hem nadien ook een exemplaar van

Talk is cheap opgestuurd, je eigen eerste soloplaat?

“Sure. Ik zag er nauwlettend op toe dat hij alles te horen kreeg waar ik mee bezig was. Hij heeft me zijn eerste cd ook opgestuurd, hoor. Al heb ik hem nooit helemaal beluisterd. Wie wel, trouwens? (lacht) Ach, ik heb me al vaak aan hem geërgerd. Mick is vaak onuitstaanbaar geweest. Echt niet te harden. Maar tegelijk hou ik ontzettend veel van hem. Hij is de beste performer die ik me kan wensen. Er zijn in het verleden nog flamboyante frontmannen geweest, maar niemand kan aan hem tippen. En hij werkt zich te pletter op het podium. Tijdens een optreden staan Charlie en ik vaak naar Mick z’n kont te kijken. Vaak is dat niet meer dan een stipje in de verte, en dan horen we hoe hij meer op de echo van de muziek zingt, dan op de muziek die we op dat moment aan het spelen zijn. Dan geeft Charlie aan dat we van ritme moeten veranderen tot Mick weer in de maat zit. Zelf weet hij dat niet, en dat is oké zo. Mick is een soort koorddanser, en wij zorgen ervoor dat er op tijd een vangnet wordt gespannen als er iets dreigt fout te lopen.”

In de jaren zeventig heb je je toen

zevenjarige zoon Marlon een tijdje mee op tournee genomen, ook al was je een junk destijds. Op basis van wat je over die periode schrijft, denk ik dat hij als kind al even goed voor jou zorgde als andersom.

“Hij was heel snel volwassen, dat is zo. Mijn zoon en ik (klopt met zijn hand op zijn hart) hebben een diepe, hechte band. Ik gedraag me ook niet als een vader tegenover hem. Tijdens die tournee woonden we in Zwitserland, en reed ik met mijn zoon als navigator van het ene optreden naar het andere. De grens over naar Oostenrijk. Dan Duitsland. Nadien op naar Polen. Hij was erg goed. Telkens als we de grens naderden maande hij me aan om even aan de kant te gaan staan, zodat we nog even konden nagaan of er nog niet snel iets illegaals moest worden weggestopt. (lacht) Het is een showbusinesstraditie om je kinderen al meteen op te nemen in de levensstijl die je zelf aanhoudt. Muzikanten zijn nomaden die voortdurend van de ene plek naar de andere trekken. En vanaf het moment dat je rechtop kan lopen maak je deel uit van het team.”

Tijdens diezelfde tournee overleed je toen pas twee maanden oude zoon Tara.

“Het ergste wat je als mens kan meemaken is dat één van je kinderen sterft. En om het zoveel jaren later nog eens allemaal te moeten herbeleven met het oog op dit boek was… vreselijk. Ik besefte tijdens het schrijven dat ik hem welgeteld twee keer een luier heb aangedaan. Toen was het alweer tijd om op tournee te vertrekken. Ik had gehoopt dat hij ooit nog zijn eigen kont zou kunnen afvegen, maar het heeft niet mogen zijn. Life is rough. Je mag zoveel geld en succes hebben als je wil, maar dat maakt je niet immuun voor persoonlijke tragedies. (stil) Hij zou nu een dertiger zijn geweest. Toen Tara stierf was ik vooral blij dat ik op tournee was en Marlon bij me had, zodat hij er op z’n minst niet zo onder te lijden had.”

Je had niet de behoefte om het eerste vliegtuig terug naar huis te nemen om bij je vrouw te zijn?

“Natuurlijk heb ik haar gebeld. Maar Anita (Pallenberg, BS) was een ongelofelijk sterke vrouw. Ze verzekerde me dat ze die vreselijke periode wel in haar eentje te boven zou komen. Dus het optreden is die avond gewoon doorgegaan, maar dat was een beslissing die we gemeenschappelijk genomen hebben. Ik weet niet eens waar hij begraven is.”

Vorig jaar sprak ik met Ethan Russell, één van de fotografen die eind jaren zestig vaak met de Stones op tournee gingen. Volgens hem was het Anita die destijds harddrugs bij de groep heeft geïntroduceerd.

“(kijkt op) Nee, zo opdringerig was ze niet. Anita was wel degene die zomaar de kleedkamer kon binnenstormen met het heugelijke nieuws dat ze net drugs had gescoord. Eigenlijk was ik degene die verondersteld werd om iedereen van spul te voorzien. Maar telkens als we op tournee vertrokken kickte ik af, want op dat moment wilde ik de concerten niet laten afhangen van een schimmige dopedealer. Dat is niet professioneel. On the road ben ik altijd clean geweest. Het probleem was de tijd ertussen. Dan had ik te weinig om handen, werd mijn leven wat te relaxed. En voor ik er erg in had verviel ik weer in oude gewoonten.”

Een naïeve vraag vast, maar zelf rook ik niet eens: wat trok je zo aan in drugs, toen?

“(denkt na) We waren negentien toen we voor het eerst op tournee gingen. Bij ons duurde het niet lang voor we er fysiek onderdoor gingen, maar overal kwamen we oudere muzikanten tegen die er allemaal fris en perfect uitzagen. Niet te geloven. We vroegen ons af hoe ze dat klaarspeelden. ‘Simpel: je rookt een beetje van dit en neemt een pilletje van dat en je zal je meteen een stuk beter voelen.’ En dat was ook zo. Maar voor je het weet hang je eraan vast. Het had niets te maken met cool willen doen, of de confrontatie met het publiek niet aankunnen of zo. Iedereen nam wel wat. Zo ging het er gewoon aan toe, backstage in de jaren zestig. Het hoorde erbij.”

Ten slotte: wat beschouw je zelf als de grootste verwezenlijking van de Rolling Stones?

“Simpel: we brengen mensen samen en zorgen ervoor dat ze een fijne avond hebben. Bij de Stones nemen wij het serieuze werk voor onze rekening, en de rest mag genieten. Meer is het niet, en meer hoeft het ook niet te zijn.”

‘Bij Mick heeft het bijna twintig jaar geduurd voor hij naast zijn schoenen begon te lopen. Maar op de duur begon hij de Stones als zijn begeleidingsgroep te zien, iets waar alle zangers last van hebben. Ik noem het ‘lead vocalist syndrome’.’

Keith Richards in zijn bibliotheek in Connecticut.

Family MAN Keith Richards met zijn vrouw Patti Hansen en hun dochters Alexandra en Theodora.

STERKE VROUW ‘Brian Jones was enorm gewelddadig, ook tegenover zijn toenmalige vriendin Anita Pallenberg. Gelukkig was het een heel sterke vrouw: ze sloeg nog harder terug. Ik heb haar niet van hem afgesnoept, vind ik. Ik heb haar gered.’

KraBBEN ‘Ik ben nooit diegene die het initiatief neemt bij de Stones. Ik wacht altijd tot het bij Mick,

Charlie en Ron begint te jeuken. Maar als het dan zover is, wil ik wel graag komen krabben.’

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234