Maandag 14/10/2019

interview

Ex-Belgisch kampioen Kenneth Mercken: “Sport bederft de mens. Ik kan het weten”

Coureur wordt regisseur: het knotsgekke parcours van Kenneth Mercken (42). Beeld Thomas Sweertvaegher

Mislukte profrenners worden niet zelden soigneur of mecanicien. En dan heb je ex-Belgisch kampioen Kenneth Mercken (42), die een film maakte over zijn rauwe koersbestaan. “Mijn pa was te fanatiek, maar ik ook. We zijn te ver gegaan.”

Coureur. Zo simpel kan de titel zijn van een film over de koers. Regisseur: Kenneth Mercken, alumnus van de Brusselse filmschool RITCS in 2011, fiere drager van de Belgische driekleur bij de elite zonder contract tussen juli 2000 en juni 2001, daarna even de fiets aan de haak gehangen maar vandaag opnieuw wielrenner op fietsgame Zwift, of bij de nevenbonden. Woensdag komt Coureur in de zalen. Een must see voor wie begaan is met wielrennen. Een must see ook voor wie begaan is met opvoeding van sportende kinderen. En ten slotte, voor wie weet: hoe disfunctioneel het leven ooit was, het komt allemaal wel goed.

BIO

* Geboren in Genk in 1976
• Werd in 2000 Belgisch kampioen bij de elite zonder contract
• Reed in 2001 voor een semi­professionele Italiaanse ploeg
• Kwam in 2004 terug en werd lid van Flanders, een kleine continentale ploeg
• Ging studeren aan het RITCS, waar hij in 2011 afstudeerde
• Won prijzen met zijn kortfilm The Letter
• Regisseerde in 2018 de langspeelfilm Coureur
• Rijdt nog steeds wedstrijden  

Verzin maar eens een omschrijving voor iemand die in zijn leven al aan koers, mixed martial arts en snelschaatsen deed, lustig epo gebruikte, maatjes was met Tom Boonen, boeken van Charles Bukowski en Wittgenstein verslindt, én tot vandaag soms twee wedstrijden per dag rijdt, in zijn woonkamer. Bij Kenneth Mercken past prettig en licht gestoord. Maar ook bijzonder intelligent, belezen, met een trackrecord als een spannend boek. Het boek kan nog, de film over dé ambitie van zijn leven – renner willen worden en daar veel, heel veel voor over hebben – is er nu.

Gebuisde B-coureur wordt geen soigneur, maar regisseur. Leg dat even uit alstublieft.

Kenneth Mercken: “De microbe voor film heb ik van mijn broer meegekregen. Die had niets met wielrennen en kreeg dus minder aandacht van mijn vader. Hij is vijf jaar ouder en wij keken samen naar alle films. Ik denk dat ik zes of zeven was toen hij mij voor de eerste keer Eraserhead van David Lynch liet zien. Dat was wel heftig. Hij heeft mij ook een keer doen kijken naar Halloween. Mijn broer en zijn vriend hebben mijn kop vastgehouden: ik moest kijken naar een vrouw die werd gewurgd. Die scène vergeet ik nooit meer.”

Je eigen film speelt zich af in het wielermilieu van rond de eeuwwisseling, de hoogdagen van epo. De Vlaming zal zeggen: dat hebben we nu wel gehad.

“Natuurlijk, die reactie verwacht ik. En dat het vandaag beter gaat dan toen ik koerste, dat geloof ik ook. Maar niet dat het er volledig uit is. Sommige figuranten in de film zijn Italiaanse semiprofs en die zeiden mij dat het nog steeds ‘merda’ was. Die corticosteroïden bijvoorbeeld, echt slecht spul, die worden nog steeds gebruikt. En groeihormoon is maar een dag opspoorbaar.”

Wie was de tiener en het jonge coureurtje Kenneth?

“Wat introvert, zoals hoofdrolspeler Niels Willaert (een echte elite zonder contract, HV), maar wel vastberaden het te maken. Ik was een buitenbeentje in het wielrennen want ik las boeken. Ik herinner mij dat ik een keer Charles Bukowski mee had, maar ik had ook opzettelijk Wittgenstein meegenomen. Die lag op mijn nachtkastje, om te choqueren. En dan die andere renners: ‘Mercken jong, wa zijde nu aan ’t lezen? Die is zot zeker?’

“Ik ben ooit eens van mijn bed gelicht door een soigneur in Italië. Ik was aan het lezen en beneden waren ze met de ploeg naar de Giro aan het kijken. ‘Renners moeten niet lezen, die moeten naar de koers kijken.’ Pas op de filmschool ben ik echt uit mijn schulp gekropen. Móéten kruipen.”

Viel je niet wat uit de toon op het RITCS?

“Dat viel wel mee, maar ik moest wel mijn weg zoeken. Voor de toelatingsproef moesten we een verhaal vertellen via foto’s. Ik had zoveel foto’s dat ik een langspeler had kunnen maken. Ik denk dat ze mij eerder toegelaten hebben vanwege mijn inzet dan mijn talent. Ik ben na de eerste twee jaar een tijdje gestopt en opnieuw gaan werken en koersen. Als wielrenner blijf je op een bepaalde manier kind, en ik was niet matuur genoeg om aan een eindwerk te beginnen. Ik kreeg toen weer een profcontract aangeboden: bij zo’n ploegje waar je niet echt wordt betaald, maar zelf geld moet binnenbrengen naargelang je waarde. Pure witwasserij was dat.”

Scène uit ‘Coureur’. Beeld CZAR

Je vader was je grootste supporter en criticus. Wat moet ik van hem denken?

“Hij was te fanatiek, maar ik ook. We zijn te ver gegaan. Na de première op het Filmfestival in Gent was zijn eerste reactie: ge hebt mij wel gespaard. Een beetje een machoreactie. We hebben samen veel meegemaakt, veel heftige dingen.

“Die donkere kant van het wielrennen heeft mij altijd aangetrokken. Mijn pa reed ook rond op doping, maar niet alleen dat. Hij is ooit uit de koers gehaald omdat hij te dronken was. Mijn pa was in zijn categorie een goede renner, maar die dag… tja. Een ander moment dat ik mij herinner, is dat we samen met mijn oom en mijn broer na een tocht met de mountainbike zijn beginnen te drinken en daarna zijn beginnen te vechten met elkaar. Ik weet nog dat mijn pa trots was op mij omdat ik mijn broer een slag had gegeven. Waren wij disfunctioneel? Misschien, maar we functioneerden en we komen nog allemaal goed overeen.

“Mijn pa koerst nog steeds, zit net als ik op Zwift. Zijn FTP (functioneel drempelvermogen, het hoogste gemiddelde vermogen dat iemand een uur kan volhouden, red.) is 275 watt en hij is 75 jaar. Vorige week nog zijn we samen gaan trainen. De hele weg lang wordt niets gezegd, we nemen om de beurt over en we komen thuis tegen gemiddeld 32 kilometer per uur.

“Ik vind het fantastisch dat hij dat op die leeftijd nog kan – ik ben zeker dat hij nu clean is – en dat wij nog samen kunnen rijden. In Sankt Johann vorig jaar zijn we allebei wereldkampioen geworden in onze categorie.

“Mijn pa zal nooit veranderen. Koen De Graeve speelt zijn rol en hij was wat geïntimideerd door mijn vader, niet omgekeerd. Mijn broer had het over een heel mooi moment in de film als je op een bepaald moment twijfel in de ogen van Koen De Graeve ziet. Maar hij zei: dat is wel onze pa niet, want die twijfelt niet. Daar had mijn broer gelijk.”

Het is duidelijk dat je pa zijn gemiste carrière via jou wilde herbeleven.

“Dat klopt. Gingen wij naar een dokter voor mij, dan was hij de hele tijd bezig over zichzelf. Voor mijn vertraagde puberteit en de vermoeidheid die daarmee gepaard ging, excuseerde hij zich bij de dokters en had hij ook geen begrip: ‘Ik snap dat niet, ik train alle dagen en ik ben nooit moe. En híj hier...’

“Laatst was hij er nog eens over bezig dat hij niet snapte waarom ik was gestopt nadat een arts mij had verteld dat het gebruik van veel groeihormoon een kans op een latente kanker zou kunnen stimuleren. Dat vond ik te veel risico. Mijn pa zei letterlijk: ‘Wat is nu die kleine kans op kanker tegenover de kans om een groot coureur te worden?’”

Aparte vader, niet?

“Misschien wel. Pa was juwelier, repareerde horloges en dat kon hij goed, maar hij had weinig geduld met klanten. Daarna heeft hij bewaking van geldtransporten gedaan. In volle Bende van Nijvel-periode was hij nog een van de weinigen die aan de Delhaizes geld durfde op te halen. Hij zei altijd: laat ze maar afkomen. Mijn pa had een illegale Winchester met twaalf-millimeterkogels in zijn auto. De politie wist dat, maar die waren blij dat hij die bij zich had.

“We hebben weleens samen gekoerst en ik herinner mij één wedstrijd, in Andenne, bij de Vrije Liefhebbers. We maakten ons allebei klaar in het peloton voor de sprint. Normaal won ik die, maar toen ik aanging, zag ik een elleboog en een arm komen. Die kende ik. Mijn pa duwde mij zo de dranghekken in. Ik heb alles moeten dichtgooien. Ik zei: godverdomme, ik had kunnen vallen. Hoort erbij, zei hij. Pa was fanatiek ja, maar dat was ik ook. Ik kan hem weinig verwijten.”

Hoe kijk jij naar het fenomeen doping?

“Ik vind dat er overdreven wordt over bericht. Froome en zijn Ventolin bijvoorbeeld, wat voor onzin daarover is verschenen. Armstrong is op menselijk vlak wel ver gegaan. Dat heb ik ook meegemaakt: sport bederft de mens. Mijn pa heeft mij destijds meegegeven dat ik niet zo lief mocht zijn. Daardoor geraakte ik verder, maar je boet in als mens.”

Jij kwam echt op het slechtst denkbare moment in het wielrennen, meteen na de reclamecampagne van de Tour van 1998: allemaal aan de onopspoorbare epo.

“Als je voorin mee wilde doen, kon je niet anders. Mijn epo kwam uit Spanje of van mensen die aan het sterven waren en hem niet meer nodig hadden. In Italië kregen we dat van het team. Ik kende zelfs een Vlaams ploegje in die tijd waar de renners werden betaald in epo en groeihormoon.

“Ik had de pech dat de epo niet aansloeg bij mij. Jij bent een uitzondering, een non-responder, zei de dokter bij wie ik ging om te achterhalen wat er scheelde. Honderdduizenden eenheden heb ik gespoten, maar die rode bloedcellen bleven dezelfde. Is dat geen talent hebben? Misschien wel.

“Toen ik begon, heb ik bij de Groeningespurters gereden. Dirk De Mol was daar ploegleider en met Tom Boonen was ik goed bevriend. We hebben nog thuis op bed onze quadriceps gemeten en dat scheelde echt niks, maar hij vond toch dat de zijne een paar millimeter dikker waren. Niet willen toegeven, dat is het karakter van de kampioen. Van de Groeningespurters heb ik overigens nog 2.500 euro tegoed.”

Wat heb je moeten doen om Belgisch kampioen te worden?

(lacht) “Veel trainen. Jawel, ik reed op epo. Wie niet? En ik heb moeten betalen om te winnen. We waren met drie weg en ik was de sterkste, maar alleen naar de meet rijden was geen optie want het peloton zat te dicht. Dus spraken we af dat de winnaar 50.000 frank (1.250 euro, HV) zou betalen. Die twee anderen hebben mij nog proberen te flikken, maar ik heb toch makkelijk gewonnen. Ik heb 50.000 betaald, gedeeld door twee, wat volgens hen niet de afspraak was. Ik ben nadien nog telefonisch bedreigd geworden door een bekende ploegleider van Mapei.”

Scène uit ‘Coureur’. Beeld CZAR

Jij koerst nog steeds.

“Ja, vorig jaar zelfs in een continentaal team, wat er misschien wat over was. Het was een Oekraïens team. Ik heb wel veel gezien en mij goed geamuseerd: we hebben in Oekraïne, Hongarije, hier in België en zelfs in China gereden. Dat was de Ronde van Qinghai Lake, waar je nauwelijks onder de 2.000 meter komt. Wij arriveerden daar een dag van tevoren, totaal niet aangepast aan het tijdsverschil en de hoogte. Afzien dus. Bij de eerste klim hing ik al achteraan en reed ik ineens naast Pippo Pozzato. ‘Piccolo problema di ossigeno’, zuchtte die. We hadden inderdaad een klein zuurstofprobleempje.

“Nu rijd ik tussen leeftijdgenoten bij de Vrije Liefhebbers. Mijn ploegleider, die ook die kleine rol speelt in de film, heeft mij een nieuwe fiets gekocht, dus ik ben wel verplicht te koersen. Ik train weer heel veel. Niet in Ukkel of Brussel, neen. Hoewel, ik rij vaak thuis op Zwift (een community die in een virtuele wereld tegen elkaar rijdt, te vergelijken met gamen met een geconnecteerde fietstrainer als console, HV). Daarnaast train ik op het parcours in Zolder en tegelijk ben ik weer aan het diëten.”

Wie rijdt in godsnaam twee wedstrijden per dag op Zwift? Je hele woonkamer stinkt dan.

“Je moet wel een raam openzetten. Bij mijn vader, die natuurlijk ook op Zwift zit, is het nog erger want die eet elke dag een teentje knoflook. Dat is daar niet uit te houden. Nu jij het zegt, ga ik misschien toch mijn hart eens laten controleren. Hoe dat met mijn pa en zijn hart zit, weet ik niet en dat wil hij zelf ook niet weten. Het zal hem een zorg wezen of het gezond is wat hij doet. Ik denk dat hij wil doodgaan op zijn fiets.”

Kenneth Mercken: “Ik ga misschien toch mijn hart eens laten controleren.” Beeld Thomas Sweertvaegher

Je hebt geen kinderen, maar stel dat je zelf vader wordt van een zoon en die gaat koersen.

“Ik zou het anders doen. Ik heb mij laatst nog kwaad gemaakt op mijn vader. Mijn neefje heeft gekoerst en deed bij zijn eerste koers even slecht als ik: ongeveer allerlaatste. Mijn pa was echt lastig op hem. Ik ben naar die jongen gegaan en heb hem gezegd: goed gedaan. Mijne pa had het niet meer: wat zeg jij nu? Dat begreep ik niet en ik werd boos. Na alles wat er is gebeurd, na die film, hoop je toch dat hij wat tot inzicht komt, maar neen. Mijn neefje is nu wel gestopt met koersen.”

Heeft iemand die daarvoor heeft gestudeerd al eens gezegd wat er met je scheelt?

(lacht) “Neen, maar ik heb wel een idee dat het pathologisch is. Iets obsessiefs, dat zal het wel zijn. Ik probeer steeds beter de balans te vinden, maar dat lukt niet altijd. Ik heb een vriend die in psychoanalyse is gegaan en dat leek mij zo interessant, dat ik het zelf ook even heb overwogen.”

Je bent een opwindingzoeker, een adrenalinejunkie.

“Zou kunnen. Als ik iets doe, ga ik er meteen vol tegenaan. Op een dag nam een fietsvriend mij mee naar de ijsbaan in Breda. Vier weken later reed ik mijn eerste marathonwedstrijd. Ik lag op kop in de laatste bocht en toen gebeurde iets wat ik nog nooit had gevoeld: verzuurd van kop tot teen, typisch voor schaatsen. Ik ben toch nog derde geworden en daarna heb ik er een paar gewonnen en moest ik een klasse hoger rijden.

“Oké, dacht ik: op naar de Olympische Spelen, maar technisch was ik niet goed. Ik schaatste harder dan wie ook, maar zodra ik was gepasseerd, was het ijs helemaal gesloopt. Ik zag toen ook foto’s van mij als schaatser en het zag er niet uit. Toch niet goed genoeg voor de Olympische Spelen.

“Het meest extreme dat ik heb gedaan, is MMA, mixed martial arts. Mijn broer deed dat want die wilde iets beter kunnen dan ik. Hij nam mij een keer mee naar training en pakte mij daar onmiddellijk in een klem. Heftig. Ik dacht: hola, moet ik ook kunnen. Ik won drie kampen en moest meteen een klasse hoger gaan vechten. Als je het goed wilt doen, moet je een dag trainen op boksen, een dag jiu jitsu, een dag kickboksen en dan weer opnieuw. Heel intensief, dat MMA, maar gevaarlijk? Ik heb mij laten vertellen dat het beter is dat je meteen ko gaat dan dat je veel en lang slagen tegen je hoofd krijgt zoals in het boksen. Maar goed, ik ben daarmee gestopt. Ik fiets liever.”

Tot slot: wat verwacht je van de film?

“Het is nog te nieuw om tevreden te zijn over mijn film, maar ik schaam mij er alvast niet voor. (lacht) Het onderwerp spreekt de Vlaming wel aan, zeker? Ik weet niet goed wat ik moet verwachten. Bij de persvisie waren de kritieken goed. Ook in het buitenland waren de reacties positief en trok de film volle zalen: zevenhonderd man op het filmfestival van Rotterdam. Daar zijn er wel twee flauwgevallen bij de scène met het katheteriseren van de urine (urine met doping erin wordt vervangen door schone urine, ooit een gangbare praktijk, HV). We hebben de film een kwartiertje stilgelegd, ik heb mij geëxcuseerd bij die mensen en dan hebben we de film verder getoond. Eén is teruggekeerd, de andere is buiten gebleven, maar wilde achteraf wel weten hoe het was geëindigd.

“Ik wilde de koers tonen zoals hij is: niet dat gestileerde van andere films, maar het chaotische van het peloton. Het meeste van wat in de film gebeurt, heb ik zelf meegemaakt. Niet die scène met de urinewissel, maar ik weet wel dat dat gebeurde. De bloedtransfusie samen met mijn vader heb ik ook niet gedaan, maar had ik het hem gevraagd, dan had hij meteen ja gezegd. Zeker weten.”

Coureur, op 13 maart in de bioscoop.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234