Woensdag 18/05/2022

Evi Hanssen Ik kijk met afschuw naar twintigjarigen

M

ac is nog maar dik drie maanden oud, maar Hanssen staat alweer vrolijk over de sterren te tateren in De maandagshow - het programma schuurt en schokt nog altijd wat te veel, zelfs na een half jaar, maar het is wel een rotpoos geleden dat een magazine op vtm zo veel kijkers trok. En er staat al iets nieuws in de steigers waar ze nog niets over mag vertellen, en in mei zijn ze dus weer weg voor een maand, Evi en Mac en Scout, naar de Filippijnen of naar Thailand, dat staat nog niet vast.

Je ziet aan haar dat het Vlaamse kermis is in haar hoofd. De nagels van haar linkerhand zijn mooi rood gelakt, die van haar rechter is ze vergeten te doen - “Gisteravond, Scout moest eten, ik dacht: ik doe straks voort, en nu ben ik zelfs het potteke vergeten.”

En ze zegt ‘abominent’ als ze ‘abonnement’ bedoelt, en ‘republiek’ als ze ‘rubriek’ wil zeggen, en in het groot staat in blauwe bic ‘Pampers!’ op de rug van haar hand, voor straks in de Delhaize.

Is dat de vergeetachtigheid van de jonge moeder?

Evi Hanssen: “Reken maar. En het gaat al veel beter dan een tijd geleden. Ik rijd met een Mini met zo’n start-stopsysteem, al anderhalf jaar, ik weet dus hoe het werkt, het enige wat je moet doen is het ontkoppelingspedaal induwen en de auto start vanzelf. Aan het rode licht op de leien in Antwerpen kreeg ik hem niet meer aan de praat: ik heb de wagen aan de kant geduwd, ik was ervan overtuigd dat hij stuk was, Fred (Di Bono, haar man, muzikant bij Silverene, MP) is me moeten komen helpen. Nu ja, helpen: hij is de ambriage komen induwen (lacht). Ik was helemaal de kluts kwijt.”

Als je gewoon ‘P!’ op je hand zou schrijven, bestaat dan het risico dat je straks met pastinaak thuiskomt?

“Of met een stift Pritt (lacht). Echt: je zit met je hoofd helemaal in een andere wereld. Veel dingen registreer je gewoon niet meer, laat staan dat je ze opslaat. Heel bizar.”

Ik citeer even uit een gesprek na je eerste bevalling: ‘Ik heb mij in heel dit verhaal - zwanger zijn, bevallen - nooit zorgen gemaakt. Wil ik niet. Ik ben altijd rotsvast overtuigd geweest dat alles goed zou lopen, dat de bevalling een fluitje van een cent zou zijn, dat ik geen blètkind zou krijgen, en iedereen zei: ‘Ja, wacht maar.’ Maar ik ben dat blijven geloven. Niet hopen, hé, overtuigd zijn. Uiteindelijk was het ook een fluitje van een cent.’ Is dat de tweede keer ook gelukt?

“Het is een klein beetje in het honderd gelopen. Het is te zeggen: het is een spookverhaal geworden. Er was ’s nachts een stukje placenta gescheurd en mijn water was gebroken. Je weet wat er gebeurt als je een glas bloed in een emmer water doet: het water wordt bloedrood. Ik zal je de verdere details besparen. In het ziekenhuis zeiden ze: ‘Hoe jij onder die omstandigheden zo kalm bent gebleven, dat is niet te verklaren.’ Een zwangere vrouw mag veel, maar ze mag vooral niet bloeden, hé. Ik moet er dus toch weer een beetje rotsvast van overtuigd geweest zijn dat alles wel goed zou lopen, dat er míj niets zou overkomen.”

Is het een blètkind?

“Nee. Wéér een voorbeeldige worm (lacht). Hij heeft een droog velleke - dat is het ergste, denk ik. En hij kotst soms wat. De mensen zeiden: hij heeft reflux, maar een refluxbaby, daar doe ik niet aan mee (lacht). Hij huilt ook niet, hij doet gewoon af en toe een kotske.”

Je bent een buikmama - je hebt lak aan de boekjes met verzorgings- en hanteringsadviezen.

“Ik heb Scout altijd opgepakt als hij huilde. Dat mag normaal niet. Je zou ze zo te veel verwennen. Ik volg mijn hart. Een vriend laat je ook niet huilen als die verdriet heeft. Kinderen opvoeden: het is duizend generaties lang gelukt zonder boeken, puur op intuïtie - je maakt me niet wijs dat je daar nu plots een handleiding voor nodig hebt.

“Ik ga er niet mee in discussie, bijvoorbeeld. Als Scout niet wil eten, dan probeer ik het een paar keer en dan zet ik zijn bord weg en wordt er niet meer over gesproken.”

Wat zegt de vakliteratuur daarover? Erin proppen?

“Ik denk dat. Ik hoor ouders bezig: ‘Hij wil niet eten, het is een drama.’ Bij ons is dat geen drama, omdat we het geen drama laten worden. Hetzelfde met stout zijn: ik zet mijn kind nooit in de hoek. Als hij iets doet wat niet mag, zeg ik: ‘Het mag niet’ en dan gaat hij heel ostentatief op de grond liggen, wat koppig doen, en dan duurt dat toch zéker dertig seconden. Daarna heeft hij een stuk speelgoed gezien en gaat hij spelen.

“Discussiëren met een kind van twee: komaan! Ik zie hoe vrienden hun peuter in de hoek zetten, en dan gaat papa met de kleine babbelen om nog eens precies duidelijk te maken waar het over ging, en dan wordt er geknuffeld en dán mag hij weer gaan spelen. Ja, nou, pffft. Het is een kínd. Als Scout mee naar de supermarkt gaat en hij begint zich na een half uur te vervelen en de komkommer uit de kar op de grond te gooien: dat is normaal. Ik raap die op en ik leg hem wat verder, waar hij er niet bij kan. Maak jezelf niet druk: dat helpt. Babbel wat tegen je kind, zing een liedje.”

Vond Scout het eigenlijk leuk in Maleisië?

“Hij is al twee keer mee geweest - wat denk je? In zijn blote poep in de zon lopen, in het water spelen: zalig vond hij het.”

De meeste moeders zouden het in hun broek doen, denk ik, met hun kind in spinnenland.

“Hier krijgen ze RSV, van in de crèche te zitten. Dat heb je daar dan weer niet.”

Je was vanaf het begin vastbesloten om je eigen koers te blijven varen, kinderen of niet.

“Je stopt er ontzettend veel tijd in, natuurlijk. De laatste weekends hebben we niks anders gedaan: thuis zijn, naar het park, spelen. Ik kon er af en toe nog een uurtje sport afknijpen, maar in hoofdzaak kent je leven twee bedrijven: werk en kinderen. En we nemen ze ’s nachts niet mee op café, hé, in een doos onder de stoel. Zo bijzonder is het dus niet.

“Al waren er ook mensen die raar keken toen wij twee weken nadat Mac was geboren, met z’n vieren naar Frankrijk trokken. We hadden een huisje in de Pyreneeën. Het was leuk om even gezinnetje te zijn. Dan lagen wij ’s avonds allemaal samen in bed en dan durfden wij elkaar wel eens een stomp geven, fluisterend: ‘Dit is geluk, hè?’ (lacht) Het duurde maar even. Bij de volgende stomp was het: ‘Staat gij op? Ik ben daarstraks opgestaan.’”

En dat voor iemand die pakweg vier jaar geleden gruwde van snottebellen.

“En die vooral géén kinderen wilde, klopt. Ik was de jongste thuis, ik had nooit voor een broertje of zusje moeten zorgen, en mijn moeder was kleuterleidster. Ik had het gewoon echt niet begrepen op die mormels met hun plakhandjes en hun loopneuzen. Kinderen van andere mensen vind ik overigens nog altijd niet echt interessant, in dat opzicht.”

Dat ruikt, hé?

“Dat vind ik van mijn eigen kinderen ook. Scout, die stinkt naar peuter. Flink gespeeld, overal met de handjes aangezeten, goed gezweet onder het potske, zodat je z’n kleertjes er echt moet afpellen thuis: heerlijk! Hij gaat naar een crèche in Antwerpen Noord, en daar zitten veel vreemdelingen en krijgen ze goed afgekruid eten. Als hij bij mij in het weekend geen patatjes wil eten, zeggen de opvoeders: doe er wat kurkuma en peper onder, dan lust hij het wel. Nu, wat ik wilde zeggen: dat scheelt in de stoelgang.”

Kies je daar met opzet voor, voor zo’n multicrèche, zoals Tom Naegels, voor het goed van de samenleving?

“Nee. Ik ga niet de hippie uithangen. Maar ik mijd het ook niet. Hoe kies je een school? Het moet in de buurt zijn, niet te grote klasjes, lekker veel zingen en dansen. Je kind moet zich er goed voelen. Scout is gelukkig tussen de Afrikanen, de Marokkanen, de Turken en de Oostblokkers. Het enige nadeel is dat hij (met keelstem)chmama en chpapa zegt. Zelfs de Marokkaanse opvoeders hebben mij er al op aangesproken: bent u zéker dat hij geen Arabische roots heeft? (lacht)”

Het is in ieder geval gezonder dan tussen alleen maar Kelly’s en Kevins op te groeien.

“Hij kijkt er niet van op als we op straat een grote Afrikaan voorbijlopen, en hoofddoekjes is hij volledig gewend. Maar zou dat zo’n verschil maken? Zit zoiets niet in je aard?”

Als je als moeder bij het opdoemen van die grote Afrikaan telkens je kind onder je rok zou stoppen en snel zou oversteken, kweek je wel iets lelijks.

“Allicht. Het doet me denken aan wat ze in het moederhuis zeiden, laatst. Toen Mac ook weer zo’n kalme baby bleek te zijn. ‘Jullie zijn kalme ouders. En één regel klopt haast altijd: kalme ouders, kalme baby’s.’”

Heten je kinderen Di Bono of Hanssen, of een mix van de twee?

“Di Bono. Als je een man hebt met zo’n prachtige achternaam, mag je niet twijfelen. Als het Fred Seldermans geweest was, hadden we misschien wel voor Hanssen gekozen. Het is heerlijk voornamen kiezen, bij Di Bono.”

Vreemd dan ook dat je man zichzelf Fred laat noemen. Hij heeft de keus.

“Hij heet voluit Raimondo Giuseppe Frederico Di Bono, ja. Ik snap ook niet waarom ze er de banaalste roepnaam uitgekozen hebben. Het is de schuld van Limburg.”

Waarom heet Mac Mac?

“Gewoon. Geen reden.”

Het doet denken aan McDonald’s. Of aan Mic Mac Jampudding.

“Wij hoopten op sponsoring van Mac. Een nieuwe iBook of zo (lacht).”

Scout had Elvis moeten heten.

“Dat was onze eerste keus, maar dat mocht niet van mijn moeder.”

Ze zat in het vorige seizoen mee in jouw aflevering van Mag ik u kussen?. Dat was prachtig.

“Ik schrok me rot: ze zat daar alsof ze al jaren niks anders deed, als een VRT-coryfee, grappig te zijn, met een perfecte timing en flair. Het was verdorie de eerste keer dat ze zoiets deed. Ik was trots op haar.

“Maar ze heeft goed overdreven. Dat ze vroeger de handen vol had met het keuren van mijn vriendjes, zogezegd: dat is niet waar. Ik kan mijn lieven op één hand tellen.”

Er waren er eens twee op één dag, zei ze.

“Dát kan wel. Misschien één keer: dat ik het had uitgemaakt met een vriendje, omdat ik al iets had met een ander. Maar ze liet uitschijnen dat het een constante stoet was, en dat was het niet.

“Ze had graag dat er iets speciaal aan was, aan een lief. Dat het vooral niet Andy van de bakker was, dat vond ze niet interessant. ‘Spreekt hij Nederlands?’, vroeg ze dan, in de hoop dat hij géén Nederlands sprak. Een punker had ze graag gehad. Of een zwarte. En ik kwam altijd maar thuis met doodnormale, blanke jongens. Een halve Limburgse Italiaan ten slotte - en dan ook nog het Nederlands machtig.”

Waarom wou ze dat zo graag?

“Omdat ze wilde dat haar kinderen niet te hard binnen de lijntjes kleurden. Dat ze alles uit het leven zouden halen wat erin zit. Grenzen opzoeken. Wij zijn een open gezin, wij zijn zonder veel complexen opgegroeid. Ik weet nog hoe grappig ma het vond toen twee van mijn broers op een bepaald moment van lief wisselden. Anneke. Eerst was ze Wim zijn liefje en kwam ze aan de deur: ‘Is Wim thuis?’ Plots zagen we haar twee weken niet en toen stond ze daar terug, en mama zei: ‘Ik zal Wim eens roepen’, maar ze kwam voor Koen.”

Heb je iets vergelijkbaars met je zoons? De hoop dat ze een leuke roetsjbaan zullen vinden?

“Ik hoop níks. Ik heb mij nog nooit voorgesteld wat Scout misschien zou gaan studeren, of de hoop gehad dat hij later veel gaat reizen, of dat hij muzikaal is of advocaat wordt. Ik leef nú. Vandaag. Ik hoop dat hij morgen een leuke verjaardag heeft. En Macje, die heeft al twee dagen geen kaka gedaan, dus hoop ik dat hij vandaag kaka doet (lacht). Verder reikt mijn hoop niet.”

Je grootmoeder woont kangoeroegewijs in bij je moeder.

“En dat lukt prima. Haar man is gelukkig twee weken na de geboorte van Mac gestorven. Gelukkig, ja. Hij was zevenentachtig en al twaalf jaar dement, hij had nog opflakkeringen en dan zei hij: ‘God is mij vergeten. Ik wil dood zijn. Zo dood als een pier.’ En maar huilen. Hij zat in een katholieke instelling, waar hij goed verzorgd werd, en hij bleef maar de griepepidemies overleven. Wij vroegen geregeld of er niet kon worden ingegrepen maar van euthanasie kon geen sprake zijn. Uiteindelijk hebben we ze toch zo ver gekregen dat ze hem alleen nog pijnstillers gaven, hij is in een coma gegaan en heeft het zo - in tegenstelling tot de beloofde vijf - nog tien dagen uitgehouden. Mijn moeder zei dat het verschrikkelijk was om te zien. En hoe mooi en rustig hij eruitzag, toen hij gestorven was.”

Wat een hypocriet gesukkel toch, omtrent dat levenseinde.

“Vreselijk. Mijn moeder heeft haar papieren al ingevuld. En ik zal er ook niet te lang mee wachten. We grappen er wel eens over: als het zo ver is, duw je mij dan eens van de trap?

“Mijn grootvader was door een auto overreden toen hij een sportieve zeventiger was. Toen is het begonnen. Was hij toen gestorven, iedereen had het verschrikkelijk gevonden. Maar soms is het beter om tien jaar te vroeg te sterven dan tien jaar te laat.

“Hij is op 20 oktober gestorven en - wist jij dat? - dan pakken ze de hele maand pensioen terug. Ondertussen lopen wel je ziekenhuiskosten tot de twintigste door. Eén goede raad: sterf in het begin van de maand (lacht).”

Je broer Koen is psychiatrisch patiënt. Hij woont in het tuinhuis bij je moeder.

“Woonde. Hij is vorig jaar beschut gaan wonen - in een huis, samen met een paar lotgenoten. Wij hadden daar weinig vertrouwen in. Hij had het al een paar keer geprobeerd. Maar het lijkt te lukken. Hij is gestopt met drinken. Zijn blik is helderder.”

Waar lijdt hij aan?

“Waaraan níét? Schizofreen, manisch-depressief, angsten, dwangneuroses, tourettesyndroom. Maar hij scheldt niet, al goed. Hij heeft verschillende keren geprobeerd zelfmoord te plegen. Maar dat doet hij niet meer, sinds hij gelezen heeft dat volgens de boeddhisten iemand die zelfmoord pleegt, moet terugkomen. Stel je voor: dat is vérder denken dan zelfmoord. ‘We zullen deze rit maar uitzitten, om niet het kleinste risico te lopen dat we er anders van voren af aan aan moeten beginnen.’

“Tot zijn zevende was er niks aan hem te zien. Toen kreeg hij tics. Hij heeft een redelijk normale tienertijd gehad, dankzij goeie leerkrachten en goeie vrienden, hij werd niet weggepest. Hij was slim, hij volgde Latijn-Grieks. Maar hij begon te spijbelen, hij is ongelukkig geworden, op zijn negentiende heeft hij zijn eerste zelfmoordpoging gedaan. Op mijn verjaardag.

“We hebben veel contact. Hij belt me geregeld, als hij angsten heeft en stemmen hoort. Dan praten we wat, en dan moet je maar hopen dat het beter gaat. Maar geluk, dat is iets dat hij gewoon niet kent. Hij heeft al zijn moed nodig om de dag door te komen. Elke dag opnieuw.

“De maatschappij weet eigenlijk gewoon niet wat ze met zulke mensen aan moet. We zorgen voor de zwakkeren, dat zeker, maar we zijn nog altijd zo prestatiegericht dat we niet echt om kunnen met mensen die niet mee kunnen. Daarom woonde Koen in het tuinhuis: zodat we er altijd voor hem konden zijn. Ik vind dat we hem uit de psychiatrie hadden moeten houden. Zo lang als het kon. Hem van de medicatie hadden moeten afhouden. Het heeft het allemaal nog veel erger gemaakt.”

“Ik leg mezelf heel veel op. Te veel. Het werk, de muziek, sporten, er weer goed uitzien, een goeie mama zijn, een goeie vrouw: het maakt het allemaal wat véél, zeker met twee kinderen zo kort, veel te kort na elkaar. Ik gun mezelf ook geen tijd. Ik raak soms helemaal in de war, ik heb te veel dingen om aan te denken.

“In 2011 zou alles weer wat rustiger worden. Ik had met Fred afgesproken: ik ben twee jaar lang moeder geweest, nu gij efkes. En ik vader. De pantoffels en de pijp. Maar dat lukt dus niet (lacht).”

Véronique De Kock stond een dag na haar bevalling al op de Powerplate. Jij?

“Ik doe pilates: een soort van yoga.”

Kijk je met afschuw naar je lichaam, na twee drachten?

“Nee, ik kijk met afschuw naar twintigjarigen (lacht). Ik vind ouder worden niet erg - al stel ik het wel vast. Ik kan het een plaats geven: in die buik heeft een kind gezeten, die borsten hebben gevoed. Daardoor zien ze er wat anders uit. Er moet nog vier kilo af. Ik wil weer in mijn kleren passen, dat is de enige reden.”

Je Maandagshow is een onverwacht succes.

“Er was duidelijk behoefte aan. Vanaf dag één haalden we dertig procent.”

Het is nochtans niet zo goed.

“Ik dacht al: waar blijft hij? (lacht) Maar ze kijken wel, hé.”

Te veel getelefoneer: je hoort aan de grapjes dat ze recht van het papier komen.

“Ik begrijp het.”

Is er nog nood aan Expeditie Robinson?

“Nu het met bekende mensen is, draait het weer.”

Je kijkt er niet meer naar uit: een dozijn mensen die naar elkaar loensend rond een urn zitten te zweten.

“Ik verzeker je: het presenteren is top! En binnenkort begin ik aan iets nieuw, iets reportageachtig, waar ik weer eens iets anders van mezelf in kwijt kan.”

Wat vind jij toptelevisie?

“Basta. Ik liep voorbij het toestel en ben met de wasmand op de schoot blijven kijken. En Tegen de sterren op: geweldig grappig. Iemand subtiel in de zeik zetten door een simpele imitatie: het is geniaal. Axelle Red met haar liefdadigheid, Annemie Struyf bij de nonnen...”

Waardoor je pas goed besefte hoeveel ze van Magda Van Damme weg heeft.

“Van wie?”

Magda Van Damme. Huisvrouw uit Schelle. Leugenpaleis. Tang van een wijf.

“Ah. Say no more (lacht).”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234