Zondag 07/03/2021

Evgeny Morozov Het internet: wapen of valkuil? Nog meer waarschuwingen tegen de interneteuforie

Niet alleen de politieke aspecten van het internet, ook de technische werking ervan levert heel wat boeken op. En ook hier staan believers en meer sceptische geesten lijnrecht tegenover elkaar. Nadat in een boek als Wikinomics de opkomst van opensourcesoftware juichend werd onthaald, komen de professoren Lerner en Schankerman nu met een wetenschappelijke analyse van de rol die deze vrije software speelt bij de ontwikkeling van het net. Dat die groot is, blijkt uit het succes van Linux als alternatief voor het ‘commerciële’ Microsoft en van Android, dat op onze smartphones andere besturingssystemen aftroeft. Maar de auteurs waarschuwen dat opensource (dat trouwens al in de jaren tachtig bestond, maar toen zonder hype) niet altijd goedkoper is en allang niet meer alleen het domein is van enthousiaste vrijwilligers. Nog een boek dus dat de interneteuforie relativeert - maar ditmaal zonder oneliners.

ronisch genoeg begon de sociale netwerkhype met een revolte die faalde. Dat de jongeren die in de zomer van 2009 in Iran de straat op trokken om te protesteren tegen wat zij zagen als frauduleuze herverkiezing van een verfoeilijk regime in het Westen op veel sympathie mochten rekenen, daar was natuurlijk niks mis mee. Maar dat de rol van die betogers bijna werd overschaduwd door buitenlandse mediakreten als “de revolutie zal getwitterd worden” of “dit is de eerste revolutie die werd gekatapulteerd door de sociale netwerken”, dat gaat Morozov te ver. Niet alleen omdat tijdens die protestgolf nauwelijks 20.000 Iraniërs twitterden. Niet alleen omdat de opstand door de overheid hardhandig in de kiem werd gesmoord. Maar vooral omdat Ahmadinejad en de zijnen daarbij doeltreffend gebruikmaakten van datzelfde bejubelde internet doordat ze met behulp van wat ze vonden op Facebook, YouTube en Twitter de identiteit en de plannen van de demonstranten konden opsporen en zo in de tegenaanval konden gaan. Met het bekende, betreurde maar voor Morozov niet verrassende resultaat.

Eerst voor alle duidelijkheid: we hebben hier niet te maken met een internetscepticus-op-leeftijd met heimwee naar de dagen van Gutenberg. Integendeel, want dit naar Amerika verhuisde Wit-Russische wonderkind werd geboren in 1984, was twee jaar directeur nieuwe media bij Transitions Online, een internetnieuwsdienst die ngo’s bundelt in het vroegere Sovjetblok, is nu verbonden aan de Amerikaanse Stanforduniversiteit en verzorgt voor het tijdschrift Foreign Policy de blogsite ‘Net Effect’. Jong dus, en een onvervalste geek, die Morozov. Maar dan wel eentje die weet hoe in dictatoriale landen zoals zijn eigen Wit-Rusland de overheid omgaat met de nieuwe technologie en vanuit die ervaring waarschuwt tegen de momenteel wat overspannen verwachtingen. Hij beseft natuurlijk dat het net wel degelijk een rol kan spelen in de strijd voor democratie. Maar hij ziet grote gevaren in wat hij ‘cyberutopisme’ noemt: de overtuiging dat de internetcultuur op zichzelf al democratisch is en in ‘internetcentrisme’, dat ervan uitgaat dat elk politiek of maatschappelijk thema vanuit een internetoptiek kan worden benaderd.

Want de grote (Amerikaanse) internetmultinationals, “zijn niet bepaald onbuigzame verdedigers van vrije politieke expressie”, het zijn vooral hun afzetmarkten en beurswaarde waar het om draait. Googles befaamde botsing met de Chinese autoriteiten, bijvoorbeeld, had minder te maken met mensenrechten dan met censuur en, jawel, economische omstandigheden. En ook de meest bezongen sociale netwerken van het moment hebben geen smetteloos blazoen. Twitter, hier smalend maar wel grappig beschreven als “ooit het domein van een groep verveelde hipsters die een onweerstaanbare drang hadden om hun ontbijtplannen te delen met anderen” maar intussen zelfs door een oud-veiligheidsadviseur van George Bush voorgedragen voor de Nobelprijs voor de vrede, is “geen instrument voor revolutie”, zo toont Morozov aan de hand van voorbeelden aan. En Facebook blijft in de nasleep van de omwentelingen in Tunesië en Egypte “om fraude te bestrijden” bij de eis dat gebruikers hun identiteit onthullen - ook al maakt dat van die gebruikers potentiële doelwitten van autoritaire regimes. Ook hebben Facebook en Twitter zich niet aangesloten bij het nieuwe Global Network Initiative, een ngo waarvan de leden (met inbegrip van de evenmin onbesproken Google en Yahoo) beloven zich te gedragen volgens de wetten en normen die de vrijheid van meningsuiting en privacy vastleggen zoals vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Ook hekelt de auteur de dubbele standaard die de westerse landen hanteren wanneer ze enerzijds de internetcensuur in een land als China veroordelen en anderzijds zelf plannen maken voor een ‘kill switch’ - maar dat natuurlijk alleen om een goede reden. In 2005 had Hillary Clinton het nog over “de technologische uitdagingen waarmee ouders en kinderen tegenwoordig worden geconfronteerd”, maar intussen is ook de minister helemaal verzoend met het ‘gevaarlijke’ internet, dat ze vorig jaar beschreef als “een werktuig in de handen van mensen overal ter wereld die daarvan gebruik kunnen maken om democratie en mensenrechten te bevorderen”. En zopas ging ze nog een stap verder door te beginnen twitteren. In het Arabisch en het Farsi nog wel!

Wie zich herinnert hoe communicatiemiddelen zoals Radio Free Europe tijdens de Koude Oorlog Oost-Europese dissidenten oppepten om hen dan in de steek te laten toen de Russische tanks binnenrolden, kan zich wel vinden in de waarschuwing van Morozov tegen “roekeloze promotie” van technologie als een prodemocratisch wapen en zijn waarschuwing dat autoritaire regimes daar juist hard, en in veel gevallen even hoogtechnologisch, tegen kunnen optreden. Daarbij soms, onbedoeld, geholpen door enthousiaste westerse cyberutopisten, zoals de ambtenaar van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken die tijdens de eerste revolte in Iran aan Twitter vroeg om aangekondigde onderhoudswerken uit te stellen zodat de actievoerders met elkaar konden blijven communiceren. Wat voor Teheran bewees dat Washington achter de onrust zat en wat ook bij andere autoritaire regimes de overtuiging deed groeien dat het internet een westers wapen was waartegen men zich ook technologisch moest verdedigen.

Virtuele vs. échte barricades

Tot daar zijn de waarschuwingen van Morozov beredeneerd en gefundeerd, maar als hij zich buigt over het internet zelf, en over de gebruikers ervan, slaat hij wel heel wild om zich heen. Hij hekelt “de tendens van het net om mensen af te leiden van elke vorm van politiek engagement”, waarbij zijn verontwaardiging over het feit dat de meeste mensen online gaan om zich te vermaken en te ontspannen, op zijn zachtst gezegd naïef is. Maar in één adem pakt hij ook degenen aan die wel gebruik willen maken van het internet om iets te veranderen aan de maatschappij. Getuige zijn wat gemakkelijke schimpscheut op een online-organisatie die de honger in Afrika wil bestrijden en daartoe, ondanks de 1,7 miljoen leden, niet meer dan 12.000 dollar inzamelde. Iets serieuzer is zijn klacht dat veel mensen “denken dat alle problemen zijn opgelost als er maar veel tweets over zijn” en natuurlijk klinkt het logisch wanneer hij vaststelt dat het eenvoudiger is om op virtuele dan op echte barricades te staan - al hebben recente gebeurtenissen in Egypte, Tunesië en andere Arabische landen aangetoond dat er wel degelijk bereidheid is om in die echte wereld dictators te trotseren. En dat de nieuwe vormen van activisme de oudere, volgens de auteur doeltreffender vormen om mensen te mobiliseren en organiseren kunnen uithollen, is ook een boutade die door de Arabische revolutie wordt tegengesproken.

Morozov weet duidelijk dat een in venijn gedoopte pen en een talent voor oneliners mooi zijn meegenomen om van non-fictieboeken bestsellers te maken. Dat hij daarmee soms overdrijft, neemt niet weg dat de basisstelling van zijn boek belangrijk blijft. Want hij heeft gelijk wanneer hij de overenthousiaste cyberutopisten verwijt “alleen uit te gaan van wat er mogelijk is op het internet en doof te zijn voor de sociale, politieke, culturele en politieke subtiliteiten van een bepaalde situatie”. Wanneer hij waarschuwt tegen de veronderstelling dat het internet uitsluitend positieve politieke veranderingen kan opleveren en de mogelijkheid oppert dat “het bevrijdende potentieel van het internet ook de kiemen bevat voor depolitisering en ontdemocratisering”. Daarom pleit hij voor “cyberrealisme” om van het internet “een echte bondgenoot te maken en specifieke politieke doeleinden te bereiken”. Want zoals hij terecht stelt: “Tweets doen geen regeringen vallen, dat doen mensen.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234