Woensdag 08/02/2023

Everybody Knows This Is Nowhere

De meeste vrouwen die ik gekend heb - het waren er beslist minder dan Arno maar vermoedelijk toch meer dan Showbizz Bart - hielden niet van Neil Young. Ze vonden hem een treurwilg of een zeurkous. Ze vonden zijn haren onverzorgd of zijn kleren afgedragen. Ze haatten zijn platen en zijn optredens nog veel meer, vooral wanneer hij en een paar leden van zijn begeleidingsgroep Crazy Horse met kromgebogen ruggen tegenover mekaar gingen staan om een modderfokker van een gitaarsolo ten beste te geven die van hen gerust een kwartier mocht duren en van mij zelfs een heel half uur.

Neil Young speelde altijd al gitaar als een losgeslagen mustang en de andere gekke paarden waar hij zich mee omringde kennen er ook wat van. Frank Sampedro, Danny Whitten, Nils Lofgren: het zijn of waren mensen die alleen maar op deze wereld werden gezet met de opdracht zo goed mogelijk elektrische gitaar te spelen en het hoeft geen betoog dat ze zich stuk voor stuk op meesterlijke wijze van die taak gekweten hebben.

Weten die wijven veel!

Het enige wat qua visceraal rock-'n-rollgenot een beetje in de buurt kan komen van een goed Neil Young & Crazy Horse-concert, is de opname van zo'n goed Neil Young & Crazy Horse-concert en de onmiskenbare getuigen daarvan zijn live loeiers van langspeelplaten als Year of the Horse, Weld of de werkelijk wonderbaarlijke dubbelaar Live Rust.

Ik ken Neil Young al van toen ik nog op de middelbare school zat en ik daar vaak in de strafstudie moest zitten met een rijkeluiszoon die van zijn vader - als vergeldingscadeau na een zoveelste zakenreis naar de VS - twee lp's van de Canadees-Amerikaanse rockgroep Buffalo Springfield gekregen had. Die heetten om het overzichtelijk te houden Buffalo Springfield en Buffalo Springfield Again. Het moet dus ten hoogste in 1967 geweest zijn. Gelukkig vond mijn klasgenoot niks aan die platen. Ik steunde hem ook hardnekkig in die mening, zodat het niet opviel dat ik de lp's op vrijwel permanente basis was gaan lenen en ze ook vandaag, ruim veertig jaar later, nog steeds in mijn kast staan te blinken.

Ik vond ze toen geweldig en dat vind ik nog altijd. Niet alleen was ik betoverd door de totale eigen en nieuwe sound van Springfield, niet alleen was ik onder de indruk van de songschrijfkunst van bandleden Richie Furay en vooral Stephen Stills, die met 'For What It's Worth' misschien wel de beste protestsong uit het tweede deel van de jaren '60 schreef. Maar ik was ook toen toch al in de eerste plaats snel helemaal gebiologeerd door de verschijning van de man die mij moeiteloos kon doen huilen bij schijnbaar simpele liedjes als 'Nowadays Clancy Can't Even Sing', 'Flying On the Ground Is Wrong' 'Expecting to Fly' en 'Broken Arrow'.

Die man heette dus Neil Young en is zonder twijfel één van de tien mensen die over honderd jaar zullen bepalen waarom rock-'n-roll een plaats zal verdiend hebben in de kunstgeschiedenisboeken van onze achterkleinkinderen.

Ik ben Neil Young drie keer tegengekomen in mijn leven. Eén keer backstage bij een stadionconcert van Crosby, Stills, Nash & Young, toen die nog wereldsterren waren. Ik kreeg een slap handje van hem en een lange uitleg waarom hij zelfs geen kort interview wilde geven. Jaren later at ik samen met hem en een aantal andere vaderlandse min of meer mediafiguren een hamburger in een restaurant in Elsene. We mochten wel vragen stellen, maar verder niks opschrijven of tapen. Het moest, op bevel van Neils manager Elliot Roberts , allemaal erg informeel blijven. De avond dreigde zelfs even gezellig te worden tot er een ruzie ontstond onder het nationale schrijversgild. Er werden tafels omgegooid, er vlogen enkele bekers tequila sunrise door de lucht, iemand die ergens iets belangrijks deed bij een populaire krant kreeg een kwak ketchup in zijn oog.

Neil poetste algauw de plaat en net toen ik bij hem aankwam om mij namens onze gehele vakgroep te excuseren wegens het zonet vertoonde wangedrag, stapte de grote Canadese bard op een hoek van het Fernand Cocqplein al samen met de chanteuse Véronique Sanson, de ex van zijn maatje Stephen Stills, in een klaarstaande limousine van Duitse makelij.

Twaalf jaar later zat ik nog eens tegenover Young en Roberts in een ruime suite van het Hotel Cavalieri, bovenop één van de zeven heuvels van Rome. Ik sprak maar liever niet over dat spijtige incident in Elsene en ook niet over Neils laatste schijf, zijn vijftiende studio-lp, een stinker van formaat die de naam Landing on Water meegekregen had.

Toch ging het gesprek goed. Dat kwam niet omdat ik zulke interessante vragen stelde, maar omdat ik, zo vertelde Elliot Roberts mij na afloop in de lift terug naar de begane grond, de eerste journalist was die dag die een beetje Engels kende. Frankrijk, Spanje en gastland Italië waren me vooraf gegaan.

Young vroeg me op een bepaald moment wat mijn favoriete nummer van hem was. Ik zei spontaan 'Too Far Gone', dat ik hem ooit bij zijn eerste Brusselse optreden had horen spelen. Het stond jammer genoeg nog op geen enkele officiële plaat van hem. Hij moest glimlachen. "Ik zal het nog eens spelen wanneer ik volgende keer in Brussel ben", zei hij. Maar dat deed hij niet. Drie jaar later stond het gelukkig wel op zijn ijzersterke comebackplaat Freedom. Ik laaf me tenminste nog één keer per week aan die plaat, dankzij de wonderlijke uitvinding genaamd iTunes waarbij ik dan vooral geniet van de opener en tevens sluiter 'Rockin' in the Free World'.

Maar toch is de Neil Young-lp die het voor mij écht deed Everybody Knows This Is Nowhere, zijn tweede solo-avontuur. Het is die plaat met die mooie klaphoes erom, waar hij ergens in de Californische canyons zo achteloos tegen een boom staat te staan in aanwezigheid van een buitengewoon cute hondje en waar hij behalve de titelsong nog zomaar niet minder dan drie andere onmisbare songs aan de toen nog jonge canon van de rock-'n-roll toevoegt.

Opener 'Cinnamon Girl' is nog lichte, maar perfect gekookte kost. En een ideale covertip voor een groep die op zoek is naar een single-hit. Niets dan lof ook onderweg voor waardevolle vulling als 'Round & Round (It won't be long)' en 'Running Dry (Requiem for the Rockets').

Maar waar de duivels pas echt gaan dansen, is op het dekselse duo uitschuifsongs 'Cowgirl in the Sand' en 'Down by the River', die respectievelijk de A- en de B-kant afsluiten. Het eerste is een stuk liefdeslyriek voor gitaar en stem. Zo romantisch als de neten, maar door Youngs doordringende manier van zingen ook zo pijnlijk voelbaar geworden als de verse wonde van een pas gebroken hart kan zijn.

'Down by the River', bij talloze Neil Youngoptredens sedert mensenheugenis en nu nog steeds zeer terecht een tomeloos pièce de résistance, is dan weer heel andere koek: een murder ballad die onderweg een heuse opera wordt, schuld en boete voor beginners, en na intensieve en herhaalde herbeluistering nog altijd van zo'n onaardse schoonheid dat ik soms wel eens denk dat dit zonder meer het mooiste item is uit de hele en uitgebreide verzameling van het virtuele Neil Young Museum.

Al kan op dat gebied het hondje op de hoes van Everybody Knows This Is Nowhere ook wel tellen, natuurlijk!

Treurwilg? Zeurkous? Genie? Na innig overleg met mezelf kies ik toch voor de derde optie. En nu ga ik in mijn dromen en down by the river wat wandelen in het zand, samen met mijn koemeisje.

Neil Young: één van de tien mensen die over honderd jaar zullen bepalen waarom rock-'n-roll een plaats zal verdiend hebben in de kunstgeschiedenisboeken.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234