Zaterdag 07/12/2019

Essays. Zwerftocht door het drempelloze universum van Teju Cole Een veelwetende vrijbuiter

Teju Cole flitst door de wereld van kunst, literatuur, politiek en fotografie. En schrijft daar kraakheldere en sierlijke essays over vol kennislust. Vertrouwde en vreemde dingen is een schoolvoorbeeld van global writing.

Freischwebende Intelligenz, het zijn fraai klinkende Duitse woorden om een kritische, ongebonden en toch sensibele geest te typeren. Vrij vertaald: meanderend verstand dat zich aan hokjes weinig gelegen laat liggen. Op niemand lijkt het begrip beter van toepassing dan op de Amerikaans-Nigeriaanse schrijver Teju Cole (°1975) en de esprit die hij in zijn nieuwe essaybundel Vertrouwde en vreemde dingen tentoonspreidt.

Met sprekend gemak onderneemt Cole sierlijke hinkstapsprongen van politiek naar kunstgeschiedenis en van literatuur naar fotografie, om vervolgens uitstapjes langs filosofie, film én politiek te maken. Cole is een breedspectrumschrijver die bijna achteloos westerse en Afrikaanse culturele invloeden integreert.

'Er is geen wereld waarin ik de intimiderende schoonheid van de Yoruba-poëzie zou willen inruilen voor de sonnetten van Shakespeare, en ook geen wereld waarin ik de voorkeur zou geven aan de Brandenburgse Concerten boven de kora's van Mali', schrijft hij.

Heimwee

Rondreizend en voortdurend rondkijkend sleept hij een zeer gevarieerd palet aan artistieke ervaringen zijn universum binnen. Van de foto's van Saul Leiter, Seydou Keïta of Gueorgui Pinkhassov wipt hij naar auteurs als W.G. Sebald en Nobelprijswinnaar Tomas Tranströmer, of naar regisseurs als Michael Haneke en Krzysztof Kieslowski. Om er vervolgens met benijdenswaardig gemak over te schrijven.

Nergens werpt Cole drempels op. Zijn veelweterij behoudt iets vloeiends, misschien ook omdat hij veel persoonlijke accenten aanbrengt. Zo lezen we dat Cole, als hij 's nachts de slaap niet kan vatten, naar dorre video's van Jacques Derrida kijkt. Bij heimwee naar zijn ouders in Nigeria zoekt hij hun huis op via Google Maps.

Sinds Cole in 2012 de wereld verblufte met Open stad, zijn tweede roman op de scheidslijn tussen fictie en non-fictie, is hij door intellectueel links omarmd. In dat bezielde boek ontpopte de voormalige aspirant-arts zich als een continentenreiziger, een flaneur in het kielzog van Walter Benjamin of Joseph Roth, feilloos de vinger leggend op wat ons tijdvak beroert, met een accuraat oog voor de migrerende mens en zijn zoektocht naar identiteit.

Tegenwoordig is Cole een veelgevraagde scribent in toonaangevende Amerikaanse kranten en tijdschriften als The New Yorker. Als fotografierecensent van The New York Times Magazine breit hij een verlengstuk aan zijn bevlogen stukken op Instagram. Knack noemde hem onlangs 'de Amerikaanse Nooteboom', een epitheton dat hem evenmin misstaat.

Maar boven alles bewaart de in de VS geboren, maar in Nigeria opgegroeide Cole zijn vrijbuiterschap. "Ik heb me in het verleden vaak afgevraagd hoe het zou zijn om creatief vrij te zijn. Als ik kon schrijven over alles wat ik wilde, waarover zou ik dan schrijven?"

Cole beleeft het voorrecht om dat - hoppend van schrijversresidentie naar auteursfestival - te mogen uitproberen en zijn neus achterna te gaan. Hij laat zich daarbij leiden door 'een rush waarin vertrouwde en vreemde dingen voorbijtrekken', een citaat uit een gedicht van Seamus Heaney, waaruit hij de titel van zijn essayverzameling plukte.

De 400 pagina's dikke bundel - goed voor 55 essays - zindert van de intensiteit. Ook als een onderwerp je aanvankelijk maar matig lijkt te boeien, weet Cole je over de streep te trekken. Hij zoekt vaak subtiele verwantschappen en synergieën.

Overal klankborden

Het openingsessay 'Het zwarte lichaam' is het kernstuk van de afdeling 'Dingen lezen', waarin literatuur centraal staat. Het is een soort filosofische oefening over de zwarte identiteit aan de hand van James Baldwin (1924-1987), die zich een tijdlang in het Zwitserse Leukerbad terugtrok en daar als enige zwarte opzien baarde, tot men hem pestte en zelfs zijn haar wilde betasten. Baldwin schreef erover in het essay 'Stranger in the Village'. Hij voelde een pijnlijk buitenstaanderschap, ook tegenover westerse cultuuruitingen als pakweg Bach.

Cole reist hem achterna en gaat er voorzichtig tegenin. Hij constateert dat Bach universeler is dan op het eerste gezicht lijkt. 'Bach, die zo door en door menselijk is, hoort ook bij mijn voorouders.' En: 'Ik voel me geen indringer als ik naar een portret van Rembrandt kijk.' Al weet Cole maar al te goed dat er 'ten aanzien van zwarte lichamen nog steeds vooroordelen bestaan'. Zijn combattiviteit over racisme is groot, ook hij is slachtoffer van 'microagressies'. Maar dat dempt zijn liefde voor de westerse cultuur geenszins.

Kwesties van ras en identiteit flakkeren op in het hele boek, bijvoorbeeld in essays over Joseph Conrad of Wole Soyinka of wanneer hij Rio de Janeiro bezoekt. En wanneer Cole als jonge Afrikaanse schrijver wordt uitgenodigd op een feest bij V.S. Naipaul, heeft hij zijn bedenkingen bij het reactionaire gedrag van Sir Vidia. Toch kan hij het goed vinden met de bewonderde auteur van A House for Mr Biswas. 'Ik dacht dat je kribbig zou zijn en ik lomp', zegt Cole bij zijn vertrek. Naipaul gromt goedkeurend: 'Heel goed, heel goed. (..) Je moet het op papier zetten, zodat anderen daarvan weten.'

Tot de hoogtepunten in het literaire luik behoort een essay over de Duitse cultauteur W.G. Sebald, waarin hij het graf van de voortijdig verongelukte schrijver in East Anglia gaat opzoeken. Tijdens de rit met een taxichauffeur - die gefascineerd is door de talloze WO II-vliegvelden in de regio - duiken er onvermoede parallellen op met Sebalds oeuvre. Net als de taxichauffeur wilde Sebald 'kleine en veronachtzaamde verhalen' redden, zij het op een geheel andere manier.

En zo ontmoet Cole altijd weer klankborden. Ergens noemt Cole zijn essays 'epifanieën', 'momenten van inzicht', ogenblikken waarin alles mogelijk lijkt. Dat is nog vaker het geval in het krachtigste onderdeel van het boek, 'Dingen zien', waarin film, kunst en fotografie triomferen en hij zich in het kielzog nestelt van Susan Sontag.

Hij schrijft over het I'm Google-project van Dina Kelberman, over Henri Cartier-Bresson, Alex Webb of oorlogsfotografen als Peter van Agtmael, maar bovenal over het onopdringerige talent van de bejubelde straatfotograaf Saul Leiter. 'De overheersende emotie in zijn werk is een roerloosheid, tederheid en gratie die haaks staat op de waanzinnige drukte van het New Yorkse straatleven.'

En het is waar: 'Leiters beste foto's missen elke pretentie en stralen een productief soort twijfel uit. (...) Je ziet het beeld niet zozeer, je laat het oplossen in je bewustzijn, als een tablet in een glas water.'

Cole - zelf voortdurend op pad met de camera - weet bijna altijd iets behartenswaardigs te noteren, in accurate zinnetjes die lang in je hoofd rondtollen.

Virginia Woolf

'Een ballerina moet tijdens het dansen niet te veel aan haar benen denken', aldus Cole in een interview met Aleksandar Hemon. Ook een schrijver weet niet steeds waar zijn woorden hem heen voeren. Voor Cole moet een boek een zwerftocht zijn. Dat is precies wat er gebeurt in deze essays, waarin je soms de grond onder je voeten voelt wegschuiven.

Veelvraat Cole schrijft bij voorkeur over schoonheid, maar evengoed over wat hem zorgen baart. Stellig als het moet - zoals in zijn evaluatie van Barack Obama - dan weer zoekend en tastend als het over Fernweh gaat in een prachtig essay over wat het aangeharkte Zwitserland en zijn bergen met hem aanrichten. Of nerveus wanneer hij in São Paulo fanatiek speurt naar het flatgebouw vanwaar de Zwitser René Burri zijn beroemde foto Men on a Rooftop (1960) nam. En die plek uiteindelijk vindt. Geen enkele schrijver maakt de wereld als global village zo tastbaar als Cole.

Valt er dan niets ten nadele van dit associatieve, bewust eclectische boek te zeggen? Toch wel. Soms ontbeert Cole humor en klinkt hij iets te zwaartillend. Ook een strengere selectie had gemogen: de stukken over componist Peter Sculthorpe of Wangechi Mutu zijn te schetsmatig om indruk te maken.

Maar dat zijn slechts schoonheidsvlekjes op een bundel die meestal verbluft, verleidt én de geest scherp slijpt. Tot de laatste alinea. Want niemand zal onberoerd blijven bij het briljante slotessay waarbij de auteur tijdelijk zijn gezichtsvermogen kwijtspeelt na het lezen van de dagboeken van Virginia Woolf. Het komt gelukkig goed, zijn blikveld klaart na een ingreep weer op. Toch is Cole beducht. 'Ik verwacht dat het opnieuw zal gebeuren, en opnieuw, totdat het plaatsmaakt voor iets ergers, zoals staat geschreven.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234