Woensdag 30/11/2022

De vragen van ProustErwin Mortier

Erwin Mortier: ‘Dat mijn werk zal achterblijven wanneer ik er niet meer ben, laat me volstrekt koud’

Erwin Mortier: 'Dat mijn werk zal achterblijven wanneer ik er niet meer ben, laat me volstrekt koud.' Beeld © Stefaan Temmerman
Erwin Mortier: 'Dat mijn werk zal achterblijven wanneer ik er niet meer ben, laat me volstrekt koud.'Beeld © Stefaan Temmerman

Schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Drieëntwintig directe vragen, evenveel openhartige antwoorden. Deze week: schrijver en dichter Erwin Mortier (56). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?

Stijn De Wandeleer

1. Hoe oud voelt u zich?

“Ik ben 56, iets waar de badkamerspiegel me elke ochtend met zijn ongenadige blik aan herinnert. Al vind ik dat je met het ouder worden eigenlijk veel meer leeftijden in je draagt dan enkel de leeftijd die je bent. Het is alsof je alle levensperiodes die achter je liggen kan openslaan als een boek. Ik kan nog steeds de verrukking van een kind voelen wanneer de ochtendzon naar binnen schijnt, en ook de levensdrift van een adolescent overvalt me weleens. Tegelijkertijd zit ook de bedaardheid en de melancholie in mij die komt met het besef dat je in de tweede helft van je leven bent aanbeland.

“Als je jong bent, leef je een tijd lang alleen maar van de wieg weg, maar op een bepaald moment realiseer je je dat je naar het graf toe aan het groeien bent. Dat je de horizon die zich voor je uitstrekt waarschijnlijk nooit zal bereiken. Daardoor sta ik nu rustiger in het leven dan vroeger. Je wordt mettertijd selectiever in de mensen met wie je tijd doorbrengt en krijgt ook een enorme bullshitfilter. Ik denk nu sneller: hier is het leven te kort voor, in plaats van me op te winden over onbenulligheden.

“Heimwee naar mijn twintiger- of dertiger­jaren heb ik niet. Die periode waarin je alles nog moet uitzoeken ligt ondertussen achter me, en dat is op zich wel prettig. Soms wou ik dat ik de schaarse wijsheden die ik al heb vergaard kon behouden, maar dan in een iets jonger lichaam. Al besef ik dat dat tot regelrechte rampen zou leiden.” (lacht)

2. Wat vindt u een kenmerkende eigenschap van uzelf?

“Ik kan goed luisteren en ben iemand die met veel trilharen en voelsprieten in het leven staat. Als kunstenaar en schrijver is dat natuurlijk mooi meegenomen, want het kunstenaarschap is uiteindelijk toch met extra trommelvliezen naar de wereld luisteren. Maar die gevoeligheid maakt me ook kwetsbaarder, omdat ze soms kan omslaan in gepieker. En als je naar de wereld van vandaag kijkt, zijn er genoeg redenen om te tobben. Alles is aan het verschuiven en aan het knarsen.

“Die gevoeligheid zat altijd al in mij. Ook als kind was ik voortdurend aan het schrijven in een poging grip te krijgen op wat er binnen in en rondom mij gebeurde. Ik ging naar de muziekschool en dweilde de musea af, maar op school werd dat niet gezien of geapprecieerd. Ik werd zelfs als dom beschouwd: dat heeft zo eens letterlijk op een rapport gestaan. Kunst was destijds in het onderwijs toch een soort voetbal voor vreemde mensen.

‘Geliefden kwetsen is in het leven onvermijdelijk. Je moet dan de grootsheid hebben om door het stof te gaan en uit die ervaringen te leren.’ Beeld © Stefaan Temmerman
‘Geliefden kwetsen is in het leven onvermijdelijk. Je moet dan de grootsheid hebben om door het stof te gaan en uit die ervaringen te leren.’Beeld © Stefaan Temmerman

“Ik was een watervalkind dat telkens in een – tussen aanhalingstekens – lager onderwijs­niveau terechtkwam, omdat ik nergens echt mijn draai vond. Vlak voor ze me op mijn zestiende naar het bijzonder onderwijs zouden sturen, hebben twee leerkrachten daar hun voet voor gestoken. Men was van plan mij een C-attest te geven, maar die leerkrachten zeiden: ‘Dan kan hij later niet meer aan de universiteit studeren.’ Dat heeft me gered.

“Mijn schoolcarrière verliep dus erg moeizaam, omdat ik mezelf in die tijd niet goed begreep. Ook mijn ouders wisten niet waarmee ik bezig was. Toen ik in februari van 1999 debuteerde en mijn boek in bescheiden kring werd voorgesteld, zeiden mijn ouders opgelucht tegen mijn uitgever: ‘Nu weten we waar hij al die jaren mee bezig was.’” (lacht)

3. Wat drijft u?

“Het schrijven, natuurlijk. Ik zou kunst en literatuur willen scheppen die de wereld in zich opzuigt en dan in al zijn facetten weer uitzweet. Zoiets kan natuurlijk niet, want een gedicht en een tekst is altijd een concentraat van de werkelijkheid. En toch streef ik ernaar de taal ooit in die mate op te poken om in die opzet te slagen. ‘Kunstenaars weten precies wat ze willen: het onmogelijke’, schreef Patricia de Martelaere in haar schitterende essaybundel Een verlangen naar ontroostbaarheid. En zo is het precies.”

4. Is het leven voor u een cadeau?

“Dat hangt ervan af. Het is een cadeau in de zin dat we er niet voor gekozen hebben. Soms is het een mooi cadeau en soms weegt het pakje in je handen wat zwaarder. Met de jaren besef je dat er aan het leven ook pijnlijke kanten zitten, zeker wanneer er dierbaren beginnen weg te vallen. Ik heb mijn beide ouders vrij kort na elkaar verloren. Mijn moeder werd vroegtijdig dement en is heel lang doodziek geweest. In 2008 raakte ze al haar vermogens kwijt en dan heeft ze nog tot 2017 geleefd. Enkele maanden later werd bij mijn vader ongeneeslijke kanker vastgesteld. Ondertussen stierven ook oudere vrienden. Dat was een eerste confrontatie met de sterfelijkheid, die me niet in mijn koude kleren ging zitten.”

5. Wat was de moeilijkste periode in uw leven?

“Dat moet die periode van overlijdens geweest zijn. Zeker met een ziekte als alzheimer is natuurlijk in de eerste plaats de persoon zelf ziek, maar krijgt de omgeving op een symbolische manier ook een soort alzheimer, omdat het vermogen om verhalen te vertellen zo wordt aangetast. Na een tijd kon ik me bijvoorbeeld niet meer herinneren hoe mijn moeder was geweest vóór haar ziekte, terwijl ze op dat moment nog gewoon in leven was. Dat is een hele troebele existentiële situatie.

“Toen ik Gestameld liedboek aan het schrijven was, waarin ik het verhaal van mijn zieke moeder beschrijf, merkte ik dat mijn herinneringen aan haar langzaam terug­kwamen. Dat schrijfproces is dus ontzettend nuttig geweest om het beeld van mijn moeder te herstellen.

“Wanneer je je beide ouders hebt verloren, valt er een laag weg die tussen jou en de wereld in staat. Het gebinte van het huis staat nog overeind, maar de dakpannen zijn weggewaaid. Dat geeft de ervaring dat je een wees bent. Bij elk overlijden gaan andere doden bovendien weer als oude muggenbeten jeuken. Het overlijden van mijn vader heeft in die zin veel goedgemaakt, omdat we van hem nog bewust afscheid konden nemen. Tot een paar uur voor zijn dood was hij nog bij bewustzijn, omringd door al zijn kinderen, zijn partner, en zijn kleinkinderen. Ze zeggen: it takes a village to raise a child, maar hetzelfde geldt bij het einde van een leven.”

6. Welke kleine alledaagse gebeurtenis kan u blij maken?

“Het schrijven, dat zeker. Ik schrijf elke dag, en lees ook dagelijks minstens een uur. En ook de geur van de aarde wanneer het na een lange droge periode nog eens regent, maakt me blij.”

‘Ik voelde dat ik tijdens die droom een traan moet hebben gelaten. Ik heb op mijn leeftijd dus nog natte dromen, maar dan wel op andere plaatsen.’ Beeld © Stefaan Temmerman
‘Ik voelde dat ik tijdens die droom een traan moet hebben gelaten. Ik heb op mijn leeftijd dus nog natte dromen, maar dan wel op andere plaatsen.’Beeld © Stefaan Temmerman

7. Wat biedt u troost?

“In de eerste plaats de fysieke nabijheid van medemensen: hun armen, huid en alle andere beschikbare onderdelen, daar put ik enorm veel troost uit. Ik ben geen schrijver die zich hele maanden afzondert wanneer hij aan een boek werkt, dat zou ik niet aankunnen. De afzondering van het schrijven en de onderdompeling in het gezelschap van vrienden moet goed in evenwicht zijn.

“Ook uit kunst kan ik troost putten. Ik herinner me de eerste keer dat ik in Madrid was, en door het Museo del Prado liep, waar het werk van Velázquez tentoongesteld werd. Naar mijn mening is hij de beste schilder die ooit geleefd heeft. Het ongelooflijke plezier waarmee hij met een penseelstreek reliëf aanbracht in een mouw of de glinstering van een oog, daar kan ik zo verrukt door zijn. Ook de muziek van Bach staat hier geregeld op. Schoonheid, dat is verdriet getroost door de vorm, hè.”

8. Wat is uw zwakte?

“Die gevoeligheid die me kenmerkt, kan soms omslaan in gepieker. Daar herken ik ook mijn moeder in. Ze was een heel levenslustige vrouw, maar kon soms ook in zichzelf gekeerd zijn. Op de momenten dat ik aan het tobben ben, probeer ik me vooral door vrienden te omringen, of te gaan wandelen. De wereld ingaan helpt af en toe om weer wat uit mijn hoofd te kruipen.”

BIO • geboren in 1965 in Gent • van 1991 tot 1999 medewerker bij het Museum Dr. Guislain • debuteerde in 1999 met roman Marcel, genomineerd voor Libris Literatuurprijs • C. Buddingh’-prijs voor poëziedebuut Vergeten licht • van 2005 tot 2007 stadsdichter in Gent • andere bekende boeken: Godenslaap (2008) en Gestameld liedboek (2011) • in 2020 verscheen de roman De onbevlekte • heeft een relatie met radiopresentator Lieven Vandenhaute

9. Waar hebt u spijt van?

“God, heb je een paar dagen? (lacht) In het leven is het onvermijdelijk dat je, soms ongewild, geliefden kwetst. Op zulke momenten moet je toch de grootsheid hebben om door het stof te gaan en uit die ervaringen te leren. Er zijn weinig mogelijkheden tot herkansing in het leven, want we hebben er natuurlijk maar één. In die zin is het belangrijk om omzichtig met elkaar te leren omspringen. Door sociale media is er een cultuur van gekrijs en gescheld ontstaan, waar ik me over kan verbazen. Al besef ik dat de tierende menigte op Twitter in realiteit slechts een fractie van de populatie weerspiegelt.”

10. Wat is uw grootste angst?

“Zo oud worden dat je netwerk van dierbaren wegvalt. Ik kan me inbeelden dat je dan denkt: wat heeft het leven nog voor zin? Als ik daarover praat, krijg ik weleens vreemde reacties, omdat men oud worden bijna als een verdienste op zich is gaan beschouwen in onze samenleving. Zonder dat iemand zich afvraagt: hóé word ik oud? Want we zijn geen eilanden of op zichzelf staande geïsoleerde wezens, hè. We hebben mensen nodig die ons omringen.

“Ik ben ook niet iemand die troost put uit het feit dat mijn werk nog voort zal leven als ik er niet meer ben. Zodra je een boek uit handen geeft, behoort het niet meer aan jezelf toe, maar aan de wereld. Dan wordt een kunstwerk wat het hoort te zijn: totaal weerloos. Dat het werk mij overleeft, laat me dus volstrekt koud.”

11. Wanneer hebt u voor het laatst gehuild?

“Dat moet enkele maanden geleden geweest zijn, en had ook weer te maken met de dood van mijn ouders. Het is niet dat ik hier hele dagen zit te snotteren, maar iets onverwachts kan me plots toch in de nek kletsen. Net zoals een mooie herinnering aan een overledene me ook plots kan overvallen. Zeker de laatste maanden merk ik dat ik nogal intens over mijn ouders kan dromen. Onlangs hoorde ik in een van die dromen mijn moeder spreken in het volle timbre van haar stem, nog voor ze door haar ziekte getroffen werd. In diezelfde droom hoorde ik ook mijn vader praten, en woorden gebruiken die hij in het echt nooit in de mond genomen zou hebben. Toen ik wakker werd, voelde ik dat ik tijdens die droom een traan gelaten moet hebben. Ik heb op mijn leeftijd dus nog steeds natte dromen, maar dan wel op andere plaatsen.” (lacht)

12. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan?

“Ik ga niet zo gauw door het lint, al denk ik dat het voor mijn mentale gezondheid veel beter zou zijn om af en toe wél eens te ontploffen. Soms kan ik me wel een grumpy old man voelen, wanneer ik bijvoorbeeld in de supermarkt sta en de persoon voor mij een voormiddag nodig heeft om met een stapel kortingsbonnen een brood te betalen. Dan denk ik weleens: doe voort, ik heb wél een leven. Ik werk en betaal voor jouw pensioen.” (lacht)

'Ik ben als kind nog een tijd misdienaar geweest, al was ik eerder een luxeprostitué: ik werkte enkel tijdens feestdagen, omdat je dan 10 in plaats van 5 frank betaald kreeg.' (lacht)  Beeld © Stefaan Temmerman
'Ik ben als kind nog een tijd misdienaar geweest, al was ik eerder een luxeprostitué: ik werkte enkel tijdens feestdagen, omdat je dan 10 in plaats van 5 frank betaald kreeg.' (lacht)Beeld © Stefaan Temmerman

13. Hoe was uw kindertijd?

“Ik ben opgegroeid in een groot gezin met vijf kinderen, van wie ik de oudste ben. Mijn moeder was nog jong toen ik geboren werd: ze moest nog 21 worden. Mijn ouders zagen elkaar heel graag, dus wat dat betreft was het een warm nest, zonder problemen of strubbelingen. Een gastvrij gezin ook, waar er ’s avonds altijd wel iemand bleef plakken aan de eettafel.

“Tegelijkertijd was dat warme nest er een waar mazen in het net zaten. Ik was me er al vrij vroeg van bewust dat ik meer op jongens viel dan op meisjes, en op dat moment val je toch een beetje in het ijle. In 1972 was homoseksualiteit nog iets waarvoor je in de gevangenis kon vliegen en waarover niet echt gepraat werd. Mijn moeder heeft me op mijn veertiende uiteindelijk op de man af gevraagd of ik op jongens viel. Toen ik haar zei van wel, antwoordde ze, waarschijnlijk uit een soort onmacht, dat ik dat beter nog niet meteen aan mijn vader vertelde.

“Tot mijn 21ste heb ik er uiteindelijk met mijn vader niet over gesproken. Tot ik een relatie kreeg met Lieven (Vandenhaute, radiopresentator bij Radio 1, red.). Achteraf is mijn vader ook wel kwaad geweest op mijn moeder omdat ze me had gevraagd om mijn geaardheid zo lang voor hem te verzwijgen. ‘Het enige wat een vader wil, is zijn kinderen gelukkig zien’, is het enige wat mijn vader er later nog over gezegd heeft. Dat vond ik een goede reactie.”

14. Wat hing er aan de muur van uw tienerkamer?

“Ik heb het grootste deel van mijn kindertijd doorgebracht in het huis dat nog van mijn overgrootouders was geweest. Na het overlijden van mijn overgrootvader kreeg ik zijn slaapkamer toegewezen, waar er een oud kruisbeeld met een palmtak aan de muur hing, en een griezelig mariabeeldje dat ’s nachts groen oplichtte. Op het schouwtablet zaten dan weer bruinige vlekken op de plek waar mijn over­groot­vader ’s avonds zijn pruimtabak neerlegde.”

15. Aan wie bent u schatplichtig?

“Aan iedere onderwijzer en onderwijzeres die me in die moeilijke jaren toch heeft gezegd dat ik iets in me had. Dat ik kon schrijven, en dat ik dat talent moest koesteren. Die leerkrachten waren in de minderheid. Het waren ook stuk voor stuk mensen die met de schoolinspectie overhoop lagen en die wat anarchistische trekjes hadden. Ik denk aan de bibliothecaris die me boeken meegaf die eigenlijk nog te hoog gegrepen waren voor mijn leeftijd, of de schoolpsycholoog die geloofde dat ik mijn studie kunstgeschiedenis zonder problemen zou aankunnen. Ik hoop maar dat ons onderwijs dat soort mensen vandaag nog toelaat. Want het zijn niet de structuur en de leerplannen, maar de ménsen die het onderwijs maken.”

16. Welk boek heeft voor u een bijzondere betekenis?

“Op dat vlak heb ik nog steeds het enthousiasme van een kind: als je het naar zijn favoriete boek vraagt, zal het meestal zeggen: het laatste. Mijn liefde voor lezen begon destijds met de boekenkast van mijn grootouders, die toch vrij belezen waren. Ik vrat me als een houtworm van schap naar schap. In hun boekencollectie zat onder andere werk van Hemingway en Hadewijch. Ik las alles wat er te vinden was, en dat doe ik nog steeds: ik ben op boekenvlak een echte omnivoor. Maar toen ik Orlando van Virginia Woolf las, voelde dat als een openbaring. Ik heb me meteen aan al haar andere werk gewijd, en heb later zelfs haar laatste roman naar het Nederlands vertaald.”

'De liefde, dat is elkaars kelders van weemoed dweilen.' Beeld © Stefaan Temmerman
'De liefde, dat is elkaars kelders van weemoed dweilen.'Beeld © Stefaan Temmerman

17. Hebt u ooit een religieuze ­ervaring gehad?

“Ik ben als kind nog een tijd misdienaar geweest, al was ik eerder een luxeprostitué: ik werkte enkel tijdens feestdagen, omdat je dan 10 in plaats van 5 frank betaald kreeg. (lacht)

“Ik herinner me nog één moment waarop ik op een zondagochtend na de mis buitenkwam, en ik in de zon die hoog aan de hemel stond een teken zag dat ik mijn leven ten dienste van God moest stellen. Enkele weken eerder was er een pater op school gepasseerd om reclame te maken voor missiewerk en dat was duidelijk blijven hangen. Maar dat was het enige wat ooit in de buurt kwam van een mystieke ervaring.

“Als ik vandaag al een godsbesef heb, zal het eerder de god van Spinoza zijn. Dat godsbeeld valt samen met de wetten en de krachten van de natuur, die op zich al overweldigend zijn. Het geloof dat het leven niet geschapen is, maar onderhevig is aan evolutie, daar kan ik me wel in vinden.”

18. Hoe definieert u liefde?

“De liefde, dat is elkaars kelders van weemoed dweilen. Beseffen dat je door het leven gevormd en getekend bent, en dat je een rugzak meedraagt waar niet alleen brood maar ook kasseien in zitten. En dat je, als je iemand bemint, ook van die kasseien moet houden, en niet enkel het brood moet willen.

“Ik ben ondertussen 33 jaar samen met Lieven. We spraken elkaar voor het eerst op een verjaardagsfeestje van studievriendin Barbara Sarafian, die net 21 was geworden. Lieven was daar ook. Die avond sprak hij de origineelste opener aller tijden: ‘Ken ik jouw kop niet ergens van?’ Later die avond ging de rest van het gezelschap nog verder feestvieren, waar ik geen zin in had, en stelde Lieven voor om me naar huis te brengen. Zijn eerste vraag in de auto was: ‘Wat denk je: zullen we samen­wonen of gaan we voor een latrelatie?’ (lacht)

“Lieven en ik zijn op een bepaalde manier verwanten in een zekere melancholische kijk op de wereld. We zijn ook allebei eenzaten – ik zeg soms: een twee-eiige eenling – maar wel eenzaten die geregeld het gezelschap van anderen opzoeken. Onze vriendengroep overlapt grotendeels, maar niet volledig. Ik denk dat een verschil ook belangrijk is in een relatie, dat symbiose de dood van de liefde zou kunnen beteken.”

19. Hoe kijkt u naar uw lichaam?

“Het chassis is nog in tamelijk goede staat, maar de vering is niet meer wat ze ooit is geweest. Verder heeft mijn lichaam zoals alle lichamen zijn noden en verlangens. Maar ik ga hier nu ook niet mijn hele privéleven op tafel gooien, hè.”

20. Wat vindt u erotisch?

“De combinatie van intelligentie en hart vind ik heel aantrekkelijk. Pure intelligentie is me te kil, maar als ze ook gedragen wordt door warmte, ontstaat er een vorm van wijsheid. Wanneer mensen daar dan ook nog eens op een ironische manier mee omgaan, ga ik meteen voor de bijl. Die combinatie bezit Lieven ook, wat me destijds in hem heeft aangetrokken.”

21. Hoe zou u willen sterven?

“Ik hoor mensen weleens vertellen dat ze graag plóts, of in hun slaap willen sterven. Dat lijkt me verschrikkelijk, want zo’n dood geeft geen ruimte om afscheid te nemen van iedereen die je dierbaar is. De realiteit leert natuurlijk dat je niet te kiezen hebt hoe je deze wereld verlaat, maar als dat wel kon, zou ik voor een slepende ziekte kiezen die middels verzachtende behandelingen nog draaglijk gemaakt kan worden. Een plotse dood is vooral voor wie achterblijft hard om te dragen.”

22. Wat zou u wensen als laatste avondmaal?

“Voor mij is vooral het gezelschap de beste saus. Dat is belangrijker dan wat er geserveerd wordt. Al wil ik natuurlijk ook geen brol eten: de steak tartaar moet dan wel perfect zijn.”

23. Welke droom heeft u nog?

“Dat ene volmaakte boek schrijven, dat de hele wereld overbodig maakt. Commercieel gezien is dat natuurlijk niet zo interessant, want als je de hele wereld overbodig hebt gemaakt, heb je ook je lezers niet meer nodig. Laat het dus maar bij een nobel streven blijven.”

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234