Zondag 19/05/2019

Treinramp Buizingen

"Er was één overlevende in de eerste wagon. Ze heeft nooit over het treinongeluk willen praten”

Beeld AFP

“Ik nam nooit de trein. Maar omdat het die ochtend gesneeuwd had, ben ik toch naar het werk gespoord. Ik was zes maanden zwanger.” Op 15 februari is het negen jaar geleden dat de treinramp van Buizingen het leven kostte aan 19 passagiers en 171 gewonden maakte. In de aanloop naar het langverwachte proces blikken overlevenden en nabestaanden terug op de seconden die hun leven voorgoed veranderden. “Een oorverdovende klap, een wagon die scheurde als papier, de doodskreet van de treinbestuurder. Dat geluid achtervolgt me nog altijd.”

Maandag 15 februari 2010, 7.27. In het station van Saint-Ghislain stapt de jonge archeoloog Jérôme Andronikos, 24, op de IC-trein Quiévrain-Luik om naar Brussel te reizen. Zijn vader Panayotis, die zelf in het station werkt als loketbediende, ziet zijn zoon in de eerste wagon stappen en wuift hem uit. Trein E1707 vertrekt met enkele minuten vertraging door de sneeuw.

Panayotis Andronikos: “Jérôme reisde altijd in eerste klas. Als spoorwegbeambte kon ik een voordelig abonnement voor hem krijgen. Hij had de gewoonte om neer te ploffen op de eerste vrije bank. Hij zat dus maar enkele rijen achter de stuurcabine.”

Om 7.45 uur rijdt de trein van Jérôme het station van Bergen binnen. Daar staat Anita Mahy, een 52-jarige secretaresse, op het perron te rillen van de kou. Omdat ze die ochtend de bus naar het station heeft gemist, is ze later dan gewoonlijk. Haastig klimt ze in de vierde wagon en nestelt ze zich op een bank, tegen de rijrichting in. 'Dat detail heeft mijn leven gered.'

Ook Sebastien Lefèbvre, een boekhouder van 26, is op weg naar zijn werk in Brussel, nog een beetje suf van het weekend. Hij kiest de tweede wagon en let niet op de verzorgde jongeman die een paar meter verder in de eerste wagon opstapt, en die – toeval – dezelfde naam heeft. Twee Lefèbvres op dezelfde trein: Sebastien uit Hornu, Sébastien uit Bergen. Over minder dan een uur zal het noodlot hun levens in een seconde scheiden. De één zal overleven, de ander niet.

In Brussel-Zuid loopt om 8.10 uur de stoptrein van Leuven naar 's Gravenbrakel binnen. Sofie Vandesompele, 35 en zes maanden zwanger, klimt in de eerste wagon. Ze moet maar een paar haltes mee, tot in Halle.

Sofie Vandesompele: “Ik was goedgemutst die ochtend. Normaal gezien nam ik nooit de trein om naar het werk te gaan, maar de avond voordien waren mijn verloofde en ik verrast door een sneeuwbui, na een etentje voor Valentijnsdag. Terwijl we over de glibberige wegen naar huis reden, besloot ik om 's anderendaags stressloos naar het werk te sporen. Ik was 27 weken zwanger en had de perfecte zwangerschap. Geen last van ochtendmisselijkheid, ik was alleen een beetje moe. En met de baby ging alles prima. Onderweg sms'te ik naar een collega die me aan het station zou komen oppikken.”

Sebastien Lefèbvre: “Er zat minder volk dan gewoonlijk op de trein, omdat veel mensen na het carnaval in Binche een dag thuisbleven. Ik kon twee zetels inpikken en installeerde me met mijn rug tegen het raam. Ik was nog moe en dommelde in.”

Anita Mahy: “Ik was die ochtend in een weemoedige bui. Mijn moeder, die al twintig jaar bij me inwoonde, was net gestorven en ik miste haar vreselijk. Mijn zoon was ook net apart gaan wonen. We hadden jaren met z'n drieën in één huis gewoond. Het was de eerste dag na haar dood dat ik opnieuw ging werken.”

‘‘Sebastien Lefèbvre? Een beetje door elkaar geschud, maar hij is oké’, zeiden ze. Toen kregen we niet onze zoon aan de lijn, maar een naamgenoot.’ Beeld Guy Puttemans

8.27 uur. Met een snelheid van 70 kilometer per uur nadert de IC-trein uit Quiévrain via spoorlijn 96N één van de drukste spoorwegkruispunten van het land, ter hoogte van Buizingen. In het station van Buizingen vertrekt de stoptrein uit Leuven naar Halle, waarbij hij zo goed als zeker een sein voorbijrijdt dat op rood staat. Te laat merkt de bestuurder dat de trein uit Quiévrain zijn traject kruist. Hij claxonneert meermaals en voert een noodremming uit, tevergeefs. Om 8.28 uur ramt de trein uit Leuven die uit Quiévrain in de flank, en veroorzaakt daarmee één van de dodelijkste treinrampen in de Belgische geschiedenis.

Sebastien Lefèbvre: “We hoorden een luide knal, BOEM! Onze wagon begon te schokken, alsof we met een auto over grote keien reden, en kantelde. Omdat ik aan de goeie kant zat, werd ik met mijn rug tegen het raam gedrukt, maar alles draaide, alsof we in een wasmachine zaten. Koffers, spullen en mensen vlogen door de lucht. Het glas van de vensters spatte uit elkaar. Overal was geroep, gegil, paniek. We dachten allemaal dat we zouden sterven. Dat de wagon overkop zou gaan en ergens te pletter zou rijden. Het duurde 30 seconden voor hij tot stilstand kwam.”

Mahy: “Het geluid van een trein die te pletter rijdt, klinkt als een colablik dat wordt verfrommeld, maar dan duizend keer sterker. Door de schok ben ik dieper in mijn zetel geduwd, en de man die tegenover me zat, is tegen me aangevlogen. Hij was gewond aan zijn buik en benen, ik had alleen een gezwollen lip.

“De drie rijtuigen voor ons waren ontspoord, maar onze wagon kwam op de sporen tot stilstand. De eerste wagon was in stukken gereten, door het raam zag ik de bestuurderscabine op ons afkomen. Ik dacht dat we eraan gingen, maar op een meter van ons kwam hij tot stilstand. Vanuit de cabine steeg een akelig geroep op van de bestuurder, die besefte dat hij ging sterven. Ik wilde hem helpen, maar was machteloos. Hij stierf nog voor de hulpdiensten arriveerden, geplet tussen het staal. Die doodskreet achtervolgt me al negen jaar in mijn dromen.”

Vandesompele: “Het laatste wat ik me herinner, is een hels getoeter, lang en oorverdovend, alsof er een stoomboot naast je oor ligt. En een man, ik vermoed dat het de treinbestuurder was, die roepend uit de cabine naar achteren kwam gelopen. En dan weet ik niets meer.”

Mahy: “Buiten op de sporen zag ik mensen liggen die uit de trein gekatapulteerd waren. Verhakkelde lichamen. Toen drong tot me door hoe erg de ramp was. In de wagon was het plots heel stil, je hoorde alleen zacht gesnik. Door de intercom kregen we de melding dat iedereen moest blijven waar hij was tot de hulpdiensten arriveerden.”

Sebastien Lefèbvre: “Onze wagon lag op zijn zij, we konden er niet uit. Mijn gsm werkte nog; de eerste die ik belde was mijn moeder, om te zeggen dat ik oké was. Daarna heb ik naar het werk gebeld om te zeggen dat ik wat later zou zijn (lachje).

“Ik was in shock, maar de adrenaline hield me overeind, en ik ging kijken of de andere passagiers hulp nodig hadden. Ik kende de meesten van gezicht, we zaten elke ochtend in dezelfde wagon. Sommigen lagen op elkaar en waren zwaargewond. Ik probeerde hun moed in te praten.

Beeld Belgaimage

“We hebben 40 minuten opgesloten gezeten in de wagon. Voor mij leken het uren. De hulpdiensten arriveerden 25 minuten na het ongeluk. Brandweermannen hebben ons uit het rijtuig bevrijd langs een smalle spleet. Ik was één van de eersten die uit de trein klauterden. De ravage was enorm. Overal liepen mensen in gele en oranje hesjes, die lakens legden over de doden die op de sporen lagen. Toen besefte ik waaraan ik was ontsnapt.

“De meeste doden zijn in de eerste wagon gevallen. Er bleef haast niets van over, alsof er een bom op was gevallen. Er was maar één overlevende, een jonge vrouw met lang haar. Ik zag haar uit de trein komen, trillend en bevend. Het was een wonder dat ze het overleefd had. Ze heeft nooit over het ongeluk willen praten.”

Vandesompele: “Hoe ik uit de trein ben geraakt, kan ik me niet herinneren. De brandweer is achteraf bij ons geweest om uit te leggen hoe ze mij gevonden hebben. De wagon lag op zijn zij. Ik was de enige die nog rechtop stond, ik hield me vast aan een bagagerek boven mijn hoofd – waarschijnlijk een reflex om mijn buik te sparen. De brandweer heeft het glas van de schuifdeur kapotgeslagen, de gewonden zijn als door een brievenbus uit het rijtuig gehaald. Het eerste wat ik me van na het ongeluk herinner, is dat ik op een brancard lig en het nummer van mijn verloofde aan de verpleegster dicteer.”

Dodenwagon

In Saint-Ghislain zit Panayotis Andronikos te werken aan de loketten.

Andronikos: “Rond kwart voor negen kreeg ik een vrouw aan de lijn die bezorgd vroeg wat er aan de hand was met de E1707, want die had zoveel vertraging. Ik kon haar niet helpen, want er was ons niets gemeld. Ik zei nog dat ik haar ongerustheid begreep, want dat ik zelf een zoon had die op die trein zat.

“Ik heb het nieuws over het ongeluk niet via het werk vernomen, maar op de radio. Ik moet u niet vertellen wat je voelt als je dat hoort. (Stilte) Ik vreesde het ergste. Ik had Jérôme zien opstappen in de eerste wagon, de meest kwetsbare plek bij een ongeval.”

Marc Lefèbvre: (vader van Sébastien uit Bergen) “Wij hoorden pas 's middags van het treinongeluk, toen we in een restaurant zaten en de beelden op televisie zagen. Samen met mijn vrouw Anne – Sébastiens stiefmoeder – en onze dochter had ik de hele ochtend in de winkel gewerkt en het was erg druk geweest. 'Is dat niet de trein van Sébastien?’, vroeg Anne. Ik probeerde mijn zoon te bellen, maar hij nam niet op.”

Andronikos: “Toen ik het nieuws hoorde, ben ik mijn vrouw thuis gaan oppikken en zijn we naar Halle gereden, ik was nog in mijn spoorweguniform. De sporthal was ingericht als crisiscentrum. Er waren nog andere families van slachtoffers, ontredderd, op zoek naar hun geliefden. Niemand kon ons iets vertellen over onze zoon. We belden naar de ziekenhuizen in de omgeving, maar daar werden we niet wijzer van. We konden alleen maar wachten en hopen. Misschien lag hij toch ergens in een ziekenhuis en kon hij ons niet bellen? Het was zenuwslopend. Die dag kwam koning Albert op bezoek, en een paar ministers. Maar op dat ogenblik heb je daar weinig aan. Je wilt maar één ding weten: waar is mijn zoon?”

Panayotis Andronikos, vader van Jérôme: 'Ik ben zelf jaren treinbestuurder geweest. Maar het werd steeds moeilijker om te werken voor een werkgever die mijn zoon had gedood.' Beeld Guy Puttemans

Marc Lefèbvre: “Ze hadden ons gezegd dat we beter niet naar Halle kwamen, dat het daar één chaos was. We zijn samengekomen in het appartement van Sébastien, in het centrum van Bergen: mijn vrouw Anne en ik, Sébastiens moeder, zijn zus. Anne belde naar het crisiscentrum. Daar kregen we eerst goed nieuws: 'Sebastien Lefèbvre? Maak u geen zorgen, die is een beetje door elkaar geschud, maar alles is goed met hem.' We waren opgelucht, maar het bleef vreemd dat hij zijn telefoon niet opnam. Op den duur werden we heel onrustig. Hij zou ons toch iets moeten laten weten! Dat was niet normaal.”

Sebastien Lefèbvre: “Toen we uit de trein waren bevrijd, klommen we op de spoorwegberm naar de straat. Daar werden de gewonden naar ziekenhuizen in de buurt gevoerd. Ik ben naar de sporthal gegaan om mijn naam op te geven, nog helemaal in shock. Terwijl het bleef sneeuwen, zag ik de mensen toestromen. Met snijwonden, bebloede hoofden, gescheurde kleren, hinkend. Verdwaasde, lijkbleke gezichten.”

Mahy: “Ik ben die dag nog met de bus gaan werken. Mijn baas wilde me naar huis sturen: 'Je hebt net in een dodelijke treinramp gezeten.' Ik heb me kwaad gemaakt: 'Ik kom werken!' Dat was de schok. Ik heb die dag op het bureau natuurlijk niets uitgericht.”

Vandesompele: “Toen ik mijn verloofde aan de lijn kreeg, had hij het nieuws van de treinramp nog niet gehoord. Ik kloeg over pijn aan mijn rug en klonk erg verward, vertelde hij me later. Toen hij me zag binnenrijden in het ziekenhuis van Jette, zag mijn gezicht paarsblauw, helemaal opgezwollen. Toen ze mij met drie verplegers op een bed legden, hoorde hij me schreeuwen van de pijn. Ik herinner me dat ik nog zei: jullie gaan mijn jas toch niet openknippen? (lacht) En mijn boterhammenzakje was zoekgeraakt op de trein. Dat was mijn enige zorg, terwijl mijn verloofde in de kamer ernaast de langste minuten van zijn leven doormaakte. Alle doemscenario's kwamen in zijn hoofd voorbij. 'Als ze maar niet verlamd is.' 'Als er maar niks met ons kindje is.'

“Ik besefte niet hoe zwaargewond ik was. Mijn schouder was ontwricht, mijn longen waren geraakt, ik had verschillende breuken in mijn bekken en overal inwendige bloedingen. Maar omdat ik zwanger was, konden de dokters weinig doen. Pijnstillers kon ik niet nemen, vanwege de baby.”

Anne Daneels: (stiefmoeder van Sébastien uit Bergen) “Omdat we niets van Sébastien hoorden, heb ik opnieuw naar het crisiscentrum gebeld. Daar gaven ze mij het telefoonnummer dat hij had opgegeven. Het was een ander nummer dan wij hadden, maar hij veranderde voortdurend van telefoonnummer, dus op zich was dat niet zo vreemd. Ik belde en kreeg die jongen aan de lijn.”

Sebastien Lefèbvre: “Ik nam op en hoorde de stem van een vrouw die ik niet kende. 'Sébastien? Sébastien?' – 'Ja,' antwoordde ik. Het was raar, want niemand in de familie noemt me Sébastien. Het is 'Seba' of 'Seb'. 'Is alles goed met je?' vroeg de vrouw. 'Ja,' zei ik. 'Maar wie bent u?' 'Ik ben het, Anne.' 'Ja maar, ik ben Sebastien Lefèbvre uit Hornu.'

“Ik hoorde haar ontgoocheling, en ze hing op. Dat blijft tot vandaag aan me knagen. Ik heb de hoop om haar zoon te horen in de grond geboord. Ik was de brenger van slecht nieuws.”

Op de trein zaten twee mannen met dezelfde naam. Sebastien Lefèbvre (foto) overleefde het, Sébastien Lefèbvre niet. ‘Dat blijft tot vandaag aan me knagen. Ik heb de hoop om haar zoon te horen in de grond geboord.’ Beeld Guy Puttemans

Daneels: “Het was een enorme klap. Ik dacht echt dat ik onze Sébastien aan de lijn had. Dat betekende dat er twee jongens met dezelfde naam op de trein zaten! Ik belde terug naar het crisiscentrum en vroeg de geboortedatum van de man die zich bij hen had aangemeld. Het was een andere datum dan die van onze Sébastien.”

Loterij

Andronikos: “We bleven de hele dag in de sporthal wachten, tot acht uur. Dan werden we buiten gezet. 'We gaan sluiten, jullie moeten weg.' Wat nu? Ze verwezen ons door naar het militair hospitaal in Neder-Over-Heembeek. We kenden de weg niet, en we konden die aan niemand vragen. Zoek het maar uit, in de sneeuw, hartje winter. Toen we het uiteindelijk vonden, zaten de andere families al in de grote hal, wachtend op nieuws. De mensen waren erg nerveus, en de politie probeerde ons te kalmeren. Er liepen psychologen van het spoor rond, maar die ontfermden zich niet over ons.

“De eerste dag was er één familie die nieuws kreeg. Een vrouw kreeg te horen dat haar broer, een man uit Halle, het niet had gehaald. We zijn die nacht naar huis gereden en de volgende ochtend teruggekeerd. Dan begon het lange wachten opnieuw.

“De tweede dag volgden nog enkele families. Iemand kwam hen in de zaal halen, dan werden ze in een apart zaaltje op de hoogte gebracht. We keken naar elkaar: wie zal de volgende zijn? Het was als een loterij. Ook de tweede dag ging voorbij zonder dat iemand ons kwam halen. En zolang je geen nieuws hebt, is er altijd een beetje hoop. De derde dag, toen we 's morgens klaarstonden om naar het hospitaal te vertrekken, kregen we telefoon.”

Op de trein zaten twee mannen met dezelfde naam. Sebastien Lefèbvre overleefde het, Sébastien Lefèbvre (foto) niet. ‘Sébastien was dol op zijn zoontje Sasha. Sébastien droeg een opvallende zilveren armband, dezelfde als zijn zoontje. Maar die hebben ze nooit gevonden.’ Beeld rv

Marc Lefèbvre: “Toen we het nieuws over de treinramp hoorden, hebben we de winkel gesloten met een briefje op de deur, en dan begint het bange wachten, dagenlang. Je kunt niets doen, je leven staat stil. De DVI (politie-eenheid Disaster Victim Identification, die slachtoffers identificeert, red.) kwam ons thuis opzoeken. We moesten alle lichamelijke kenmerken van Sébastien beschrijven. Die ondervraging was heel pijnlijk, omdat de foto die we hun hadden gegeven blijkbaar niet volstond. Ze vroegen naar littekens, moedervlekken... Sébastien had heel bijzondere tatoeages op zijn schouder en zijn arm, en hij droeg ook een opvallende zilveren armband, dezelfde als zijn zoontje. Maar die hebben ze nooit gevonden, net zomin als zijn telefoon en zijn computer.”

Daneels: “We hebben twee volle dagen gewacht. De derde dag werd Marc gebeld door iemand van het militair hospitaal. Om te zeggen dat ze zijn zoon geïdentificeerd hadden, dat hij dood was. Dat ze hem dat per telefoon vertelden, vond ik monsterlijk.”

Andronikos: “Ik ben zelf spoorwegbeambte en heb jarenlang met de trein gereden. Dat ik mijn zoon verloren heb in een treinramp, is heel pijnlijk. Na het telefoontje zijn we onmiddellijk naar het hospitaal gereden. Mijn vrouw wilde daar niet vertrekken voor ze Jérôme gezien had. We hadden het geluk dat zijn lichaam nagenoeg ongeschonden was. Hij zag er verzorgd uit, ze hadden zijn haren gewassen en hem aangekleed. Er zijn families die hun geliefde niet meer hebben gezien. Dat werd hun afgeraden omdat het slachtoffer te zwaar was verminkt. Velen hebben spijt dat ze niet méér hebben aangedrongen, want ze hebben nooit afscheid kunnen nemen.”

Marc Lefèbvre: “We hebben Sébastien 's avonds gezien, in het mortuarium van het militair hospitaal. Hij zag er mooi uit, zonder verwondingen. Daar waren we blij om, want hij vond het belangrijk om er goed uit te zien. Alleen zijn voeten waren erg toegetakeld.

“Het verdriet is niet te beschrijven. Ik beleefde alles in een waas. Sébastien leefde graag en hard, met 200 kilometer per uur. Hij zei van zichzelf dat hij nooit oud zou worden. Hij was handelsingenieur, heel intelligent en ondernemend, en werkte vaak aan overheidsprojecten, zoals de lancering van Tax-on-web. We maakten voortdurend ruzie, maar we konden niet zonder elkaar. Hij was ook dol op zijn zoontje van drie, Sasha. Die is intussen al twaalf. Hij lachte graag, was erg sociaal. Iedereen in Bergen kende hem. Er waren achthonderd mensen op zijn begrafenis.”

Sebastien Lefèbvre: “Ik ben niet naar de uitvaart van mijn naamgenoot gegaan. Ik kon het niet. Na het treinongeluk ben ik in mezelf gekeerd. Ik sloot me thuis op, kon het niet aan om met onbekenden te praten, had zwarte gedachten. Ik heb een paar keer dicht bij zelfmoord gestaan. Nee, ik was niet blij dat ik het had overleefd. Ik voelde me schuldig. Zeker tegenover die andere Sébastien. Achteraf hoorde ik dat hij een zoontje had. Ik had geen kinderen. Waarom was hij gestorven en ik niet?”

Buizingenbaby

Vandesompele: “Een week heb ik op intensieve gelegen, en dan zes weken in Gasthuisberg in Leuven, op de afdeling van de risicozwangerschappen. Op de echografie hadden ze gezien dat ons meisje een bloedklonter in haar hoofd had. Ze had een hersenbloeding gehad door de klap. Het was bang afwachten tot haar geboorte. Dan pas zouden de gevolgen duidelijk worden.

“Gelukkig waren de mensen op de afdeling heel attent. Toen ik na enkele weken opnieuw moest leren lopen met krukken en mijn eerste stapjes zette, stond het personeel te applaudisseren. Iedereen leefde mee. Collega's, vrienden, familie. Dat hield ons overeind. Ik stapte elke dag een stukje verder, moeizaam en met veel pijn, want ik had nog steeds geen pijnstillers. Vijftig meter overbruggen was een overwinning.

“Op 26 maart mocht ik naar huis, maar voor alles had ik hulp nodig. Ik lag beneden in de woonkamer in een ziekenhuisbed, mijn verloofde zorgde ervoor dat er altijd iemand bij mij was. Drie weken later ben ik getrouwd, in een rolstoel en met krukken. Een week voor het huwelijk ben ik nog met mijn moeder gaan winkelen, in de rolstoel, om een jurk te vinden. Trouwschoenen had ik al: die was mijn verloofde gaan kiezen toen ik nog in het ziekenhuis lag. Het personeel keek wel op toen hij met een stapel schoendozen de kamer binnenkwam, om me verschillende modellen te laten passen. Maar de tijd drong (lacht). Het werd een rustig feest. Van een openingsdans was natuurlijk geen sprake.

De wrakken van de twee treinen in Buizingen. ‘Na de treinramp in Pécrot in 2001, waar acht doden vielen, zeiden ze dat ze het spoornet beter zouden beveiligen. Ze zouden op alle treinen automatische remsystemen installeren. Ze hebben 300 van die toestellen gekocht en ze vervolgens opgeslagen in een hangar in Mechelen.’ Beeld BELGA

“Twee weken na ons huwelijk, op 26 april, is ons dochtertje geboren, een beetje vroeger dan aangekondigd. 'De Buizingenbaby,' noemden ze haar. Mijn collega's schreven: 'Ze heeft al bewezen dat ze een vechtertje is.' Achteraf zou blijken dat ons dochtertje een mentale en motorische handicap heeft, door de hersenbloeding. Ze was nog geen zes weken oud toen ze een hersenoperatie moest ondergaan. Die hele periode vooraf was ik zonder veel nadenken doorgesparteld: je moet erdoor. Psychologische bijstand vond ik niet nodig. Maar na haar operatie heb ik wel hulp gezocht. Je kind na zes weken moeten afgeven voor een hersenoperatie, dat is niet niks.

“De NMBS heeft de twee mooiste momenten in mijn leven afgenomen: mijn huwelijk en de geboorte van mijn kind. Het derde trimester van mijn zwangerschap heb ik niet bewust meegemaakt. Ik lag plat en kon niets doen. Toen ons dochtertje werd geboren, kon ik niet voor haar zorgen zoals een jonge moeder dat doet. Mijn ouders of mijn man waren altijd in de buurt. Ik kon niet opstaan voor haar flesje.

“Elf maanden later ben ik zelf geopereerd. Mijn bekkenbreuk was nog altijd niet hersteld. Na de operatie moest ik opnieuw zeven weken plat liggen. Doe dat maar eens, met een baby van negen maanden. Ik ben noodgedwongen met mijn dochtertje bij mijn ouders gaan inwonen, want we zaten midden in verbouwingen.

“Terwijl ik bij mijn ouders aan het herstellen was, heeft ons dochtertje een epilepsieaanval gehad, ten gevolge van haar hersenoperatie. Ze was negen maanden oud. Ik kan je verzekeren: dat zijn bange uren. Gelukkig heeft ze nu geen last meer van die aanvallen.

“Het is heel zwaar geweest voor mijn man en mij, maar voor mijn dochtertje vind ik het het ergst. De treinramp van Buizingen heeft haar leven bepaald – en ook dat van ons.”

Angstaanvallen

Voor Anita Mahy bracht de treinramp, ondanks al het verdriet, ook iets goeds teweeg. Ze ging in de politiek en ontmoette haar man.

Mahy: “'Waarom heb ik deze ramp overleefd?' vroeg ik me af. Zoveel doden, waarom was ik daar niet bij? Achteraf heb ik begrepen waarom. Toen het ongeluk gebeurde, was ik ontroostbaar door het verlies van mijn moeder. Ik denk dat zíj me met een doel op die trein gezet heeft, want gewoonlijk nam ik een trein vroeger. Zij heeft me beschermd en ervoor gezorgd dat ik het overleefde, en dat heeft me de kracht gegeven om mijn leven weer zin te geven.

“Een week later ben ik een petitie begonnen voor meer veiligheid op het spoor. In mijn eentje. Elke ochtend en elke avond sprak ik iedereen op de trein aan met de vraag om de petitie te tekenen, een jaar lang. Dat hielp me ook om de trein te nemen, want dat was telkens weer een overwinning. Alle treinbegeleiders kenden me en steunden mijn actie. Toen had ik 5.500 handtekeningen, die ik op de eerste verjaardag van de ramp heb overhandigd aan de ombudsman van de NMBS, onder grote mediabelangstelling.

“Kort daarop kreeg ik een voorstel van de partij PTB (de Franstalige tegenhanger van de PVDA, red.) om politiek actief te worden. Ik wilde me gráág engageren, en de PTB paste het best bij mijn persoonlijkheid. Zo ben ik in de politiek gegaan. Ik ging overal in het land spreken over de veiligheid op het spoor. Op één van die avonden, in Luik, zat een oud-treinbegeleider in het publiek, die ik later beter leerde kennen. In 2016 zijn we getrouwd, en nu zitten we samen in de vzw die ijvert voor meer veiligheid op het spoor, en die ook de jaarlijkse herdenking organiseert – dit jaar is dat op 10 februari, om 10 uur op het gemeenteplein in Buizingen, bij de gedenksteen voor de slachtoffers.

“De provincie vindt het maar om de vijf jaar nodig om een herdenking te organiseren, en daarom doen wij het in de jaren tussenin. We smeren zelf de broodjes en zorgen voor bloemen en een plechtigheid.”

Anita Mahy (links): 'Een week na de treinramp ben ik een petitie begonnen voor meer veiligheid op het spoor. Alle trein­begeleiders steunden mijn actie.' Beeld Guy Puttemans

Sebastien Lefèbvre: “Ik ben twee jaar geleden voor het eerst naar zo'n herdenking gegaan. Voor mij was dat een enorme stap voorwaarts, want ik heb jarenlang niet over het ongeluk kunnen praten. Vroeger was ik een feestbeest, ik ging graag uit, had veel vrienden. Dat is door de treinramp helemaal veranderd. Ik kan niet meer op café gaan, ga niet meer naar concerten: te veel mensen om me heen. Mijn psychiater zegt dat het wellicht te maken heeft met die momenten na het ongeval, toen ik met al die mensen opgesloten zat in de wagon en het gevoel had dat ik niet kon ontsnappen.

“Ik kan de trein niet meer nemen, nog steeds niet. Ik heb het één keer geprobeerd, maar ik ben bij de volgende halte uitgestapt, overmand door paniek. Alleen al het geluid van een trein die het station binnenloopt, maakt me angstig. Het monotone ritme van de wielen op de sporen, het gesis en geklik van metaal, tsjoektsjoek... dat achtervolgt me tot in mijn dromen. Ik heb vaak flashbacks. Beelden van het ongeluk, van de dodelijke slachtoffers die onder de lakens liggen.

“In het begin reed ik met de auto naar het werk, maar na enkele maanden moest ik ook dat opgeven. Op de autosnelweg kreeg ik angstaanvallen, ik raakte in ademnood en moest stoppen op de pechstrook. Ik probeerde met iemand mee te rijden naar Brussel, maar daardoor kwam ik vaak te laat op het werk. Ik werkte op de belastingendienst in de financiëntoren, waar ik interne dossiers controleerde. In 2014 ben ik ontslagen, wegens misbruik van ziekteverlof. Ik moest mijn loon van de laatste drie jaar terugbetalen. Ik leef nu van een invaliditeitsuitkering en ben in schuldbemiddeling. Ik moet rondkomen met een paar honderd euro per maand. Ik verplaats me alleen in mijn eigen buurt, op de wegen die ik ken. Tot voor kort was het huis van mijn ouders de enige plek waar ik zonder angstaanvallen naartoe kon gaan.

“Het moeilijkst zijn de sollicitaties. Sinds vorig jaar probeer ik werk te vinden, maar dat is lastig als je niet met nieuwe mensen durft te praten. Een jaar geleden had ik dit gesprek ook niet aangekund. Ik heb er medicatie voor genomen. We zijn negen jaar later, en pas nu begin ik stilaan een beetje een normaal leven te leiden.”

Verouderde trein

Andronikos: “Ik heb nog twee jaar voor de spoorwegen gewerkt, en dan ben ik met vervroegd pensioen gegaan. Toen ik zag hoe het gerechtelijk onderzoek aansleepte en hoeveel vertragingsmanoeuvres er waren, werd het steeds moeilijker om te werken voor een werkgever die mijn zoon had gedood. Jérôme had nog zijn hele leven voor zich. Hij zou een jaar in Oxford gaan studeren. Archeologie was zijn passie, al van kindsaf. We hadden hem wat geld gegeven, als startkapitaal in zijn leven. En dan moet je als ouder plots erven van je zoon, en successierechten betalen. Een echte schande vind ik dat. Ze halen je leven overhoop, je zoon is dood, en dan moet je nog betalen ook.”

Jérôme Andronikos. Zijn vader: ‘We hadden hem wat geld gegeven, als startkapitaal in zijn leven. En dan moet je als ouder plots erven van je zoon, en successierechten betalen. Een echte schande.’ Beeld rv

Marc Lefèbvre: “Ik ben in mijn werk gevlucht. Vandaag ben ik 66, en ik ben nog alle dagen aan het werk. Ik renoveer gebouwen, en hoe meer problemen er opduiken, hoe liever. Dan heb ik iets aan mijn hoofd. Ik praat elke dag over Sébastien. Ik haal herinneringen op, grappen die we maakten. Dat heb ik nodig.”

Daneels: “We zijn nadien niet gespaard gebleven. Onze dochter van 30, die dol was op haar oudere broer, heeft al een paar jaar tongkanker. Ze heeft last om te praten, wat heel moeilijk is voor een spontaan en sociaal meisje als zij. We weten niet hoe het verder zal gaan, maar ze is heel moedig, en ze klaagt nooit. Ze heeft nog altijd veel verdriet om Sébastien.”

Vandesompele: “Er zijn dagen dat het heel moeilijk is. Ik heb blijvende schade aan mijn bekken, en ik doe ook niet meer dezelfde job. Dat kon niet meer in combinatie met de zorg voor ons dochtertje. Gelukkig heeft mijn werkgever, Deloitte, mij enorm geholpen: ik kon in een andere functie aan de slag. Soms ben ik blij dat ik kan gaan werken. Dan denk ik even niet aan de problemen thuis. Even ademhalen, mensen zien. Maar goed, we moeten verder, voor onze dochter. Het is een vrolijk, pittig kind, maar soms heel vermoeiend. Ze is nu negen, maar zit op een ontwikkelingsleeftijd van zes, zeven jaar. Lezen gaat goed, schrijven kan ze nog niet, rekenen gaat op haar tempo. We weten niet of ze die achterstand nog inhaalt. Ze loopt wat houterig. Springen is ook moeilijk. Gelukkig heeft ze een enorm doorzettingsvermogen. Ze heeft bijvoorbeeld geleerd om te fietsen zonder wieltjes. Met veel moeite, maar ze kan het.

“We weten niet of ze ooit zelfstandig zal kunnen leven. Op een dag zijn wij er niet meer, en wat gaat er dan met haar gebeuren? Het moeilijkste is de vraag: wat als de treinramp niet was gebeurd? Wat voor kind zou ze dan geweest zijn? Wat als ik die dag met de auto naar het werk was gegaan?”

Andronikos: “En nu zijn we negen jaar later. Dat het proces zo lang op zich laat wachten, is voor ons bijna ondraaglijk. Ik begrijp niet hoe ze nog kunnen talmen terwijl de verjaring zo dichtbij komt, begin volgend jaar al. Op 19 februari is de eerste zitting, dan worden de experten gehoord die het treinongeluk hebben geanalyseerd. We hopen eindelijk te weten te komen wat het ongeluk heeft veroorzaakt. Daarmee verwerk je het niet, maar het helpt om het te begrijpen. Dat brengt onze zoon niet terug, maar het geeft zin aan ons bestaan. Sinds Jérôme dood is, hebben we nog weinig om voor te leven.”

Marc Lefèbvre: “Ze zeggen dat de treinbestuurder door een rood licht is gereden. Zelfs als hij die fout gemaakt heeft, dan is dat menselijk. Er zouden veiligheidssystemen moeten bestaan die ervoor zorgen dat er in zo'n gevallen geen ongelukken kunnen gebeuren. Die man heeft dat niet opzettelijk gedaan.”

Mahy: “Uit de rapporten van de experten blijkt dat de NMBS en Infrabel zwaar in de fout zijn gegaan. De stoptrein uit Leuven was veel te oud, met een veiligheidssysteem dat dateert uit 1930, bijna honderd jaar oud dus! Die trein mocht normaal gezien niet meer rijden.

“Trouwens, de plek waar het ongeluk is gebeurd, is één van de drukste en gevaarlijkste knooppunten op het spoorwegnet in België. Treinbestuurders noemen het 'de kerstboom', omdat de lichten van de signalisatie er zo flikkeren. Er was een extra veiligheidsgrendel ingebouwd via de wissels, zodat een trein die door een rood licht reed, automatisch werd omgeleid. Net op dat drukke knooppunt had de NMBS die wissels gedeactiveerd, 'om voor vlotter verkeer te zorgen'. De NMBS vond dat belangrijker dan de veiligheid. Daar tilt het Openbaar Ministerie erg zwaar aan. Als de wissels hadden gewerkt, was het ongeluk niet gebeurd. Daarom worden de NMBS en Infrabel vervolgd wegens nalatigheid.”

Sebastien Lefèbvre: “Na de treinramp in Pécrot in 2001, waar acht doden vielen, zeiden ze dat ze het spoornet beter zouden beveiligen. Ze zouden op alle treinen automatische remsystemen installeren. Negen jaar later was dat nog altijd niet gebeurd. Ze hebben 300 van die toestellen gekocht en ze vervolgens opgeslagen in een hangar in Mechelen. Ze vonden geen geschikte ingenieurs om ze te plaatsen. Ik kan dat moeilijk geloven, in een tijd waarin we naar Mars vliegen. Pas ná de catastrofe van Buizingen zijn ze met de installatie begonnen.”

Vandesompele: “Wat de uitkomst ook is, het verandert niets aan de situatie. Je moet ermee leren omgaan en het een plaats geven. Ik heb geen andere keuze, met mijn dochter. Het zet een domper op je gezinsleven, maar ik ben gelukkig heel positief.

‘De stoptrein uit Leuven was veel te oud, met een veiligheidssysteem dat dateert uit 1930, bijna honderd jaar oud dus! Die trein mocht normaal gezien niet meer rijden.’ Beeld BELGA

“Behalve als het sneeuwt. Dat geeft me geen goed gevoel. Dat was de reden waarom ik die dag de trein heb genomen. Het maakt me bang. Als het sneeuwt, denk ik aan Buizingen.”

©Humo

Nood aan een gesprek? Wie met vragen zit over zelfdoding, kan terecht bij de Zelfmoordlijn op het gratis nummer 1813 en op de site zelfmoord1813.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.