Woensdag 29/01/2020

Er staat wat er staat

Tekststudie van de vroege romans van Walschap

door Jos Borré

Elke Brems

Manteau, Antwerpen, 308 p., 795 frank.

Tot nu toe heeft men Walschaps romans hoofdzakelijk gelezen als illustraties bij zijn overtuigingen. Als verhalen waarin hij aandrong op meer mededogen voor gecomplexeerde of zwakke mensen, die er niet in slaagden het door de kerk voorgehouden, van de realiteit vervreemde ideaal te realiseren. Als verkapte argumenteringen die zijn conflict met de clerus weerspiegelden. Het is niet verwonderlijk dat men hem zo leest. In zijn interviewboeken met Albert Westerlinck en in talloze essays en polemische stukken heeft de auteur zelf op deze lectuur aangedrongen. Het is ook de meest voor de hand liggende lectuur, omdat de ontwikkelingen in leven en werk van Walschap als een rits in elkaar haken.

Maar, zegt Elke Brems, doordat hij zelf voor zijn lezers de weg naar zijn werk heeft aangewezen, dwingt hij hen ook een interpretatie op en verspert hij bewust of onbewust de weg voor andere benaderingwijzen. Brems promoveerde een jaar geleden met een doctoraalscriptie over de negen romans die Walschap tussen 1929 en 1940 schreef. Die heeft ze als autonome romans gelezen, dus zonder in te gaan op mogelijke verwijzingen naar of parallellen met de buitenwereld, louter als tekst. Waarom staat er wat er staat? En wat kun je daaruit afleiden?

Hoe gaat dat dan in zijn werk? Neem nu de roman Adelaïde, Walschap eigenlijke debuut uit 1929. De 'biografische' lezer zegt dat Adelaïde verscheurd wordt tussen haar natuurlijke seksuele lust en het door de kerk opgedrongen zondebesef. Stel u daar in die tijd niet te veel bij voor: Adelaïde is een bloeiende jonge vrouw die aanvankelijk geniet van haar huwelijkse staat, haar man, haar kind. Als haar omgeving haar verwijt dat ze er te goed uitziet omdat ze maar één kind heeft, en als de onderpastoor zegt dat God haar daarvoor zal straffen, gaat ze flippen. Om te vermijden dat ze in haar kind wordt getroffen, offert ze haar huwelijk op en wil ze, nochtans verteerd door jaloezie, haar man, een onschuldige amateur in de plaatselijke toneelbond,

vreemd laten gaan. Waarschijnlijk, zegt de 'biografische' lezer, wilde Walschap wijzen op de onhoudbare kerkelijke huwelijksmoraal en hoe die bij al te volgzame mensen tot verschrikkelijke en onnodige drama's kon leiden.

Elke Brems stelt vast dat als Walschap het over Adelaïde heeft, hij zo veel reflexieve werkwoorden gebruikt. "Reflexieve werkwoorden hebben een ontdubbelend effect op hun subject. Adelaïde treedt dan tegelijk op als subject en als object, ze neemt zichzelf waar." Zo wordt ze tegelijkertijd rechter en beschuldigde, en dat schept een ambiguïteit, een 'dubbelheid' waar ze niet mee kan leven omdat ze niet kan relativeren: goed en kwaad, een opgelegde rol spelen of zichzelf zijn, zichzelf zien of gezien worden, realiteit of bewustzijn. Adelaïde geeft zelf gestalte aan die onverzoenlijke dubbelheid. Daarbij is elk woord van belang. Walschap schrijft: "Maar zij voelde zich verkillen, vreemde driften zich vastklampen in haar lichaam." Elke Brems: "Het kan gaan om dezelfde drift die zij tevoren als haar drift ervoer, maar die zij nu in haar gespletenheid als vreemd ervaart. Zij ervaart zichzelf als vreemd en eigen tegelijk, in een dynamisch proces. Er staat niet: zij verkilde, maar wel: zij voelde zich verkillen. Er zijn dus twee belevingen, de ene is het verkillen en de andere, het voelen, neemt de eerste waar. Weer is Adelaïde duidelijk ontdubbeld." Ze komt er niet uit, zegt Elke Brems als conclusie, want door haar dood (valt ze uit het raam of is het zelfmoord?) bewijst ze haar onmacht. Maar doordat de lezer geleid wordt door haar blik en zij "de zogenaamde normale omgeving als vreemd, ambigu, tegenstrijdig" ervaart, "verschuiven de grenzen van normaliteit en abnormaliteit".

Wijkt deze conclusie zo ver af van die van de 'biografische' lezer? Natuurlijk loopt die 'biografische' lezer het gevaar blind te blijven voor (belangrijke) dingen die er wel degelijk staan, maar die hij niet opmerkt omdat ze niet meteen naar gebeurtenissen, conflicten of disputen in het leven van de auteur verwijzen. Daarom is de 'thematische' lezer te verkiezen. Voor hem is een eventuele verwijzing naar de wereld buiten de roman niet noodzakelijk, maar ze kan wel de aanbreng en de behandeling van een thema helpen verhelderen. Hij staat al een stuk dichter bij de tekst. Maar ook de 'tekstuele' lezer, die zich dus uitsluitend om de tekst bekommert, heeft de objectiviteit niet in pacht. Vooraan in Eric (1931), het vervolg op Adelaïde, staat: "De toneelbond viel stillekes uiteen." Elke Brems: "Ironisch gelezen, slaat de toneelbond op het gezin dat Ernest en Adelaïde vormden, dat bol stond van theatraliteit. Dat 'stillekes uiteen vallen' is dan een eufemisme voor Adelaïdes val." Dat is een een wel erg persoonlijke interpretatie van wat er staat, waar ik niet in meega. Dat geldt ook voor andere redeneringen en interpretaties, bijvoorbeeld die van Erics starende blik en blindheid tijdens zijn epilepsieaanvallen, te lang om hier te reproduceren.

Heel het boek lang word ik zo heen en weer geslingerd tussen verwondering over wat er inderdaad allemaal zou kunnen staan als ik mij liet meeslepen in de redenering, en scepsis als ik ervan overtuigd ben dat Elke Brems zich te buiten gaat aan onwaarschijnlijke interpretaties. Gefascineerd door de grillig meanderende gedachtegangen vol onverwachte verbanden, en vol ongeloof om de blakende Hineininterpretierung. De vraag of Walschap al die betekenissen bewust in zijn woorden gelegd heeft, is echter irrelevant - er staat nu eenmaal wat er staat. Toch ben ik geneigd te zeggen dat Elke Brems uitputtend grote bochten maakt - zoals dat hoort in een doctoraalscriptie, natuurlijk - om tot tamelijk vanzelfsprekende conclusies te komen, die ze via een binnenweg even overtuigend had kunnen halen. Dat veel van Walschaps hoofdfiguren aandoenlijke macho's zijn die zich graag omringen met dienende of zichzelf opofferende vrouwen die nooit de kans krijgen om op de voorgrond te treden, is gauw duidelijk. Daar hoef je niet elk woord afzonderlijk voor onder de loep te nemen.

Maar ik ben niet objectief, natuurlijk. Vanzelfsprekend heb ik dit boek heel de tijd met opgerichte stekels zitten lezen, de moeilijkst te overtuigen lezer die Elke Brems zich kon indenken. Ik ben namelijk die thematische lezer van Walschap en ik kan het voorzeker niet hebben dat iemand wil tornen aan het beeld dat ik me van Walschap heb gevormd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234