Zaterdag 27/02/2021

Er komen betere tijden. Het móet

Samen vormen ze een generatie: Michael Boogerd (1999) en Erik Dekker (2001) zijn de laatste twee Nederlandse winnaars van de Amstel Gold Race. Na hen kwam de leegte: de Rabobank Wielerploeg, het Oranje Fabriekje, hield op met produceren. Maar zie, vandaag is Nederland wederom hoopvol. Er is weer talent, in drievoud zelfs. Eén sprinter, één klimmer, en één allrounder. ‘Gesink en Boom, mij hoor je niet zeggen wat ze niét kunnen winnen.’

Erik Dekker en Michael Boogerd over het nieuwe Nederlandse wielrennen

door Jan-Pieter de Vlieger

De classicus: Lars Anthonius Boom (24) uit Vlijmen

Ter introductie, een korte voorstelling van de sprekers: Michael Boogerd is renner op rust, zevenendertig jaar oud en momenteel druk doende om een eigen wielerteam op poten te zetten. Confrater Erik Dekker is net zo goed renner op rust, negenendertig jaar oud en ploegleider bij de Rabowielerploeg. Boogerd valt hieronder (af en toe) aan, Dekker verdedigt. En dat heeft dus alles te maken met de respectieve werkgever. Nu, over het eerste onderwerp is er een consensus: Lars Boom is een hele goeie renner.

Michael Boogerd: “In Boom zie ik een soort Cancellara. Een renner die kan wat de anderen niet kunnen. Je zag het ook in de Ronde en in Roubaix: steeds attent vooraan. Tot tweehonderd kilometer dan.”

Dekker: “Wat Lars toonde, geeft moed. Hij mist alleen de lange afstanden. Hij komt uit een sport van één uur. Nu moet hij zijn energie verdelen over zeven uur. Een heel groot verschil. Zijn lichaam is nog ingesteld om snel te verbranden.”

Boogerd: “Hij rijdt nu tot het lampje uitgaat. Ik ken dat gevoel. In 1997 rijd ik La Redoute over met de allerbesten en een kilometer later is het voorbij. Eén jaar later ga ik wel mee. Zo snel kan het gaan.”

Dekker: “Lars maakt de omslag. Zijn talent, zijn wilskracht en zijn aanleg voor tijdrijden maken hem in potentie gewoon een erg goeie klassieke renner. Wat geldt voor Robert Gesink, geldt ook voor Lars. Mij hoor je niet zeggen wat ze niet kunnen winnen.”

Nu, Lars Boom is een eenzaam lichtpunt. Hij laat vermoeden dat het straks beter gaat in de kasseiklassiekers. De evaluatie van het voorjaar tot nog toe is vooral negatief. Alles wat moest presteren stelde eigenlijk teleur. Voor Sebastian Langeveld, Martijn Maaskant en Niki Terpstra gaat eenzelfde verhaal op: vorig seizoen was veelbelovend, maar 2010 stelt teleur. Langeveld sukkelde met de knie en Maaskant was herhaaldelijk slachtoffer van ‘oversignalisatie’, maar er is dus ook het ‘grotere verhaal’.

“Nadat ik en Erik Dekker ermee ophielden, is geen nieuwe generatie opgestaan”, zegt Michael Boogerd. “Ik sla mezelf niet op de borst, maar een goeie Nederlander van achtentwintig bij Rabo die elke wedstrijd zorgt dat hij presteert, maakt het voor de jonge generatie zoveel makkelijker. Langeveld en co hebben het in zich om door te groeien. Het zou zonde zijn als ze daar niet in slagen omdat er niemand boven hen staat. Renners als Pieter Weening en Joost Postuma presteerden goed in 2005 en 2006. Van hen dacht je dat ze grote renners konden worden. Vandaag hebben zie die verwachting niet ingelost. En dan kijken de mensen meteen naar de categorie onder hen.”

Die gemiste generatie heeft zijn redenen: er was minder talent. “Maar”, zo zegt Boogerd, “het scoutingprogramma van Rabo was ook lang gefixeerd op Tourrenners. Zo is er talent door de mazen van het net geglipt voor de wedstrijden als Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix.” Dekker gaat akkoord: “Misschien was de reflex ooit inderdaad ‘bergop stelt het allemaal niet veel voor’. Maar daar zijn we nu wel van af.”

Boogerd ziet nog een reden waarom Nederland niet scoort in de klassiekers. Eendracht maakt geen macht bij de grootste Nederlandse wielerformatie: “Er ontbreekt een bepaalde chemie bij Rabo. Dat was in mijn tijd niet anders. Pas in 2007, met het geel van Rasmussen, heb ik echt iets gevoeld tussen de renners.

“Het kan geen kwaad om als renner van zevenentwintig jaar je hart leeg te rijden voor iemand die vier jaar jonger is. Daar word je heus geen slechtere renner van. In 2006 reed ik volledig in dienst van broekje Thomas Dekker. Je hoopt dat renners dat oppikken. ‘Goh, die Boogerd doet dat toch maar.’

“Dat gebeurt te weinig: vandaag denken jongens: we hebben iets gepresteerd, nu is het alles voor ons.’ Maar soms moet je je ook kunnen wegcijferen. Nuyens, een goeie renner, komt bij Rabobank rijden voor het klassieke werk. Slechte wil kun je hem niet aanwrijven, hij probeert er te staan. Maar vaak zie je hem in zijn wedstrijden ook helemaal achteraan in het peloton rijden. Geen goed voorbeeld voor een jonge gast. Een renner met zijn status, moet er in de kleinere koersen voor andere renners kunnen staan. Daar wordt nu aan voorbijgegaan.”

De ronderenner: Robert Gesink (23) uit Varsseveld

“We hebben er weer één. Zo begon een verhaal over Robert Gesink in het Nederlandse magazine De Muur. Het was een allusie op de Nederlandse tendens om elke renner met enige aanleg voor het klimwerk uit te roepen tot een potentiële Tourwinnaar. Remmert Wielinga is daarin ondertussen een begrip. Een goeie Dauphiné gereden in 2004, ticket 'potentiële tourwinnaar gekregen, maar vandaag niet langer beroepsrenner. Vandaar dat ze in Nederland voortaan in understatements doen als het over ronderenners gaat.

Boogerd: “Gesink is de groeibriljant van het Nederlandse wielrennen. Zo'n grote kwaliteiten: als het loopt zoals het hoort te lopen, dan beleven we daar gewoon ontzettend veel plezier aan.”

Dekker: “Je kunt je afvragen: wat kan Gesink worden? Maar stel dan ook de vraag: wat is Gesink nu al? Ik vind hem nu al wereldtop. Ik weet echt niet waar het eindigt. Voorlopig wordt hij nog altijd iets beter.”

Boogerd: “Kan hij de Tour winnen, dat is dan altijd de vraag. Ik vind het een moeilijke. We hebben het al zo vaak geroepen. En zolang Contador blijft rijden... Ik zal zeggen: hij kan hele hoge ogen gooien in de Tour.”

Dekker: “Ik maak daarvan: hij is iemand die vooraan gaat rijden in de Tour. Maar ik kijk het liever nog even aan. Laat ons ’s avonds op het terras in Parijs een oordeel vellen.”

Boogerd: “Gesink kan zondag ook perfect de Gold Race winnen. Vorig jaar was hij derde. Alleen moet de wedstrijd zich voor hem natuurlijk op een bepaalde manier ontwikkelen. Dat kan nu. Freire is goed, Martens is goed. Stel dat ze met drie Rabo’s vooraan zitten in een kopgroep van twintig, dan kan het voor Gesink. Ik verwacht ook Karsten Kroon. Hij is gewoon een gevestigde waarde in de Gold Race.”

Dekker: “Kroon is iemand van die verloren generatie die het bijvoorbeeld wel heeft waargemaakt.”

Anders dan op de kasseien is er in het klimwerk meer dan Gesink alleen. Er is ook nog Bauke Mollema, ook drieëntwintig en dit seizoen opvallend vijfde in de Ruta Del Sol. Maar ook hier is er unanimiteit: Mollema doorstaat de vergelijking met Gesink niet.

Dekker: “Er zijn raakpunten: het zijn beiden klimmers, ze hebben beiden de Tour de l’Avenir gewonnen, maar je mag de vergelijking niet maken. Gesink heeft een enorme stabiliteit, Mollema minder. Ze hebben ook een heel ander voortraject.”

Boogerd: “Gesink is meer wielrenner. Die had op zijn jongenskamer posters van mij aan de muur hangen. Bij wijze van spreken. Mollema komt uit een andere cultuur. Vraag hem wat er gebeurde op de klim naar Luz Ardiden in 2003 en hij antwoordt: ‘Waar heb je het over?’ Gesink weet zulke dingen wel. Ik vind dat niet zonder belang. Een zeker historisch besef hoort er bij.”

Dekker: “Robert heeft dat. Langeveld en Boom ook. Maar je mag het niet van iedereen verwachten. Het zegt niet noodzakelijk iets over gedrevenheid.”

De sprinter: Theo Bos (26) uit Hierden

Noem Bos dit seizoen gerust een revelatie. Deze week was hij nog goed voor een dubbele ritwinst in de Ronde van Castilië en Léon. Hij komt uit het baanwielrennen en de ambitie is om ritten te winnen in de Tour. Zelf noemt hij Mark Cavendish een voorbeeld.

Boogerd: “Theo Bos is onze sprinthoop voor de toekomst. Hij heeft nog een lange weg af te leggen, maar bij Cervélo moeten ze hem nu vooral grote wedstrijden laten rijden. Dan kan het heel snel gaan.”

Dekker: “Dat Bos niet meer bij ons zit, doet pijn aan het hart. Wij hadden hem heel graag in de ploeg gehouden, maar dat ging gewoon niet. Theo wilde gewoon bij Cervélo rijden. Punt. En ik heb daar ook respect voor. Ik heb hem altijd gezegd: ‘Een renner moet de juiste keuzes maken, proberen om de toekomst te voorspellen. En dan moet je zeggen: kiezen voor Cervélo is niet dom. Een goeie ploeg met capabele mensen. Dat wedstrijdprogramma was gewoon een breekijzer. Als je zegt dat je kopman wilt zijn in de Tour, en niet wil rijden voor Gesink, dan weet je waar het eindigt.”

Rabo speelde in het tussenseizoen niet alleen Theo Bos kwijt. Ook Michel Kreder, de Nederlandse revelatie in de Ronde van het Baskenland, verliet het team voor het Amerikaanse Garmin-Transitions. “Een renner die ik er altijd had bijgehouden”, zegt Boogerd. Dekker pleit andermaal overmacht: “Bizar vroeg, ergens in mei, had Kreder al een contract getekend bij Garmin. Niet helemaal correct. Jammer ook. Ik ken het ventje: veel ambitie, een bijzonder talent. Hij koos voor Garmin. Amerika spreekt aan: wat van ver komt, is beter.”

Kampt Rabo, en bij uitbreiding het hele Nederlandse wielrennen, dan met hetzelfde imagoprobleem als het Belgische? Dat van het oude wielrennen: een beetje oud de tijd, vastgeroest in tradities?

Boogerd: “Dat is het verhaal van de media. Voor Rabo gaat het niet op. Die hebben net ontzettend gemoderniseerd. Begin 2008 is er met Harold Knebel een directeur van buiten het wielrennen gekomen. Die zorgde voor een frisse wind. Alles wat oud en bepalend was, is mondjesmaat verdwenen. Bij QuickStep is dat misschien minder zo. Boonen is samen met Cancellara nog altijd de beste renner van het voorjaar, maar je moet blijven kijken hoe het onderaan evolueert.”

Dekker: “Wat die Engelstalige ploegen doen, dat doen wij al jaren. Alleen praten wij er niet over. Begin februari kwam iemand me vertellen dat ze bij Omega Pharma-Lotto een trainer in dienst hadden en dat ze met het SRM-meetsysteem gingen werken. Dan denk ik: ‘Is er dan een renner die dat niet doet?’

De slotconclusie is dat het wel goed komt met het wielrennen in Nederland. Ook daarover is er geen discussie.

Boogerd: “Als ik naar het potentieel kijk, dan moet er gewoon een goeie tijd aan komen. Het moet echt: we zijn dramatisch gezakt op de wereldranglijst. Vorig jaar maar een selectie van zes renners op het WK: triest gewoon.”

Dekker: “Je leeft bij de gratie van echt talent. En dat is er nu voor handen. We hebben geen vijf namen voor de Tour en geen tien voor de klassiekers, maar we hebben er wel die echt kunnen meedoen.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234