Donderdag 21/01/2021

Er is nog

Vooral in de hoofdstukken over het bewustzijn en de vrije wil blijkt hoe weinig we in feite nog maar weten over onszelf

Prof. dr. Philip Van Loocke schetst de evolutie van de wetenschap

veel werk aan de winkel

Philip Van Loocke schreef een bijzonder erudiet en eerlijk boek over het ontstaan van ons wetenschappelijke wereldbeeld waaruit blijkt dat ook magie en holisme tot grote ontdekkingen kunnen leiden. Door Marnix Verplancke

De Amerikaanse astrofysicus Joel Primack zei ooit dat wetenschappelijke zekerheid veel gemeen heeft met liefde: zolang het duurt, is het zalig, maar je weet dat er ooit een einde aan komt. Theorieën zijn er inderdaad om gefalsifieerd te worden en geen enkele waarheid is eeuwig. Vraag het maar aan Newton, wiens zwaartekrachtwetten door Einsteins relativiteitstheorie aan gruzelementen werden geslagen.

Daarom is het goed dat er van tijd tot tijd iemand een overzicht geeft van de stand van zaken, en dat doet Philip Van Loocke in Het wereldbeeld van de wetenschap, een lijvig boek dat in feite in geen enkel gezin zou mogen ontbreken, zoiets als het kookboek van de boerinnenbond dus, maar dan wel interessanter. Het geeft immers niet alleen een beeld van de geschiedenis van de fysica en de kosmologie, het plaatst ze ook nog een keer in een culturele context. Van Loocke concentreert zich bovendien in twee lange hoofdstukken op vragen omtrent bewustzijn en vrije wil, twee onderwerpen die lange tijd tot de filosofie behoorden, maar de voorbije decennia door de wetenschap zijn ingepalmd.

Aha, denkt u nu, dat kennen we al: Aristoteles, Avicenna, Galilei, Kepler, Newton, Faraday, Maxwell, Einstein, Planck, Bohr, Heisenberg, Schrödinger en natuurlijk Hawking, en zij komen inderdaad wel ter sprake, maar Het wereldbeeld van de wetenschap is nog zo veel meer. Zo begint het boek met een hoofdstuk over mythologie, niet om er minnetjes over te doen, maar wel omdat de mythologie over het ontstaan van de wereld uit de hersenen ontsproten is die later de wetenschappelijke methode zouden uitdenken en omdat er daardoor heel wat overeenkomsten zijn. Mythen waren manieren om met de wereld om te gaan en er zin aan te geven, wat sommige hedendaagse auteurs ertoe verleidt op te roepen tot het creëren van een eigentijdse, op de huidige kosmologie gebaseerde mythologie.

Het eerste echte wetenschappelijke inzicht ontstond bij de Oude Grieken, leren we altijd, waarna zij de fakkel doorgaven aan de Arabieren, die de wetenschap netjes bewaarden tijdens de bij ons zo duistere middeleeuwen, waarna de rationele renaissance kon aanbreken en we in een glijdende beweging bij de snaartheorie uitkomen. Van Loocke wil aantonen dat dit verhaal met een serieuze korrel zout dient te worden genomen. Zo waren het bijvoorbeeld niet alleen de Grieken die het warm water uitvonden. Ze kregen dat deels aangeboden op een gouden schaaltje. Eeuwenlang bakkeleiden die Grieken wanneer de vraag ter sprake kwam wat het nu precies betekent iets te zien. De een had het over stralen die uit de objecten vertrokken en onze ogen raakten en de ander wou dan weer dat die stralen uit onze ogen kwamen. Dat we echter iets zien door de weerkaatsing van het zonlicht, kwam nooit bij hen op. Daar hadden we de Arabieren voor nodig. Uit India kwamen onze cijfers, net zoals het idee van het heliocentrisme, en Pythagoras mag de Babyloniërs op zijn blote knieën danken dat ze nooit een proces tegen hem hebben aangespannen wegens zijn beroemde Stelling, want in feite hadden zij die bedacht. Ietwat overtrokken beschuldigt Van Loocke daarop filosofen als Hume en Locke van racisme. Zij gaven de vroege wetenschap een exclusief Griekse oorsprong en verdoezelden de oosterse wortels ervan, beweert hij. Vraag is natuurlijk of deze Britten überhaupt iets van de Indiase connectie afwisten.

Maar over naar de renaissance, die heel wat minder rationeel was dan gedacht. Newton wordt immers niet voor niets de laatste mysticus genoemd in plaats van de eerste rationalist. De man schreef veel meer over God dan over de zwaartekracht, en daar kreeg hij trouwens ook heel wat meer achting voor. Alchemie, magie en holisme waren de drie goede feeën die aan het wiegje van de kleine Scientia stonden en het kind beschermden tot het op zijn eigen benen kon staan. En daar had ook de katholieke kerk heel wat mee te maken. Aanvankelijk steunde die immers het mechanistische wereldbeeld dat de hele schepping als een groot horloge ziet. God was de grote horlogemaker en iedere nieuwe wet was een bevestiging van zijn grootheid. Was het immers niet mooi dat hij de wereld zo gemaakt had dat je een steen uit de kerktoren kon gooien en je kon berekenen wanneer die precies op de kop van een ketter terecht zou komen? Want daar was het uiteindelijk om te doen: de wind uit de zeilen halen van al het bijgelovige gespuis dat verzamelen geblazen had in de nissen en krochten van de heilige stoel. Pas toen de wetenschap zo ver gevorderd was dat die grote horlogemaker bijzaak was geworden, maakte Rome zich zorgen en haalde er Thomas van Aquino bij, maar dan was de zaak allang verloren.

Van Loocke heeft duidelijk een boontje voor de tegencultuur die altijd aanwezig geweest is in de marge van het wetenschappelijke bedrijf, en soms ook in het centrum ervan. De term holisme is al gevallen, en die blijkt in de geschiedenis van de wetenschap belangrijker geweest te zijn dan we over het algemeen denken. Het romantische tijdvak stond er bijvoorbeeld bol van, en heel wat toenmalige wetenschappers, onder wie alle echt belangrijke, zoals Davy, Faraday en Oersted, brachten eer aan Spinoza en Schelling, twee bij uitstek holistische filosofen.

Dat de wetenschap niet los te denken is van de rest van de cultuur, blijkt uit het prachtige hoofdstuk over de culturele context van de relativiteitsleer, waarin de auteur aantoont hoe zwanger de wereld eind negentiende eeuw wel was van de vierde dimensie. Openbarend is bijvoorbeeld de anekdote over fysicus Johann Zöllner, die in 1877 het van oplichting beschuldigde medium Henry Slate ter hulp schoot. Volgens Zöllner had de verdachte niet meer gedaan dan gebruikmaken van de vierde dimensie en was hij dus een wetenschapsman in plaats van een oplichter, waarin hij meteen bijgetreden werd door een hele schare collega's, onder wie niemand minder dan J.J. Thompson, de onderzoeker die in 1906 de Nobelprijs zou krijgen voor de ontdekking van het elektron. Je kon in die tijd bij wijze van spreken je kont niet keren of de vierde dimensie hing eraan vast. De kubisten schilderden ze en de futuristen probeerden ze in sculpturen te vangen. Salvador Dali kruisigde er Christus aan en Edwin Abbott ging ernaar op zoek in zijn beroemd geworden Flatland, een novelle over een tweedimensionaal land waaruit het heerlijk ontsnappen is. Zelfs Lenin liet er zijn licht over schijnen, wat hem in 1905 de notoire opmerking ontlokte dat hij niets had tegen de wetenschappelijke zoektocht naar de vierde dimensie, maar dat de tsaar alleen in de derde afgezet kon worden.

Over het algemeen wordt ons wetenschapsbedrijf beschreven als een succesverhaal eerste klas. Dat we naast onze kennis ook nog heel onwetend zijn, wordt dan maar even onder het tapijt geveegd, maar volgens Van Loocke is dat geen goede zaak. Het is beter te tonen hoe imperfect onze wetenschap is dan om onszelf fabeltjes wijs te maken. Imperfectie is immers nog geen overbodigheid. Vooral in de hoofdstukken over het bewustzijn en de vrije wil blijkt hoe weinig we in feite nog maar weten over onszelf. Waarom het bewustzijn ontstaan is, kan nog steeds niet evolutionair verklaard worden.

Om te overleven heb je het niet nodig, en neuronen die gebruikt worden voor het bewustzijn zien er krak hetzelfde uit als hun soortgenoten die daar niets mee te maken hebben. Daniel Dennett en Susan Blackmore zien het bewustzijn als iets materieels, dat bovendien heen en weer schiet als een schichtige muis. De continue gedachtestroom is volgens hen een fictie. David Chalmers - tiens tiens, alweer een holist - heeft het dan weer meer voor het idee van panprotopsychisme, waarbij de hele wereld een soort bewustzijn heeft, en dit natuurlijk niet terug te brengen is tot louter materie. Wie heeft gelijk? Ook Van Loocke zou het niet weten, wat hem bij Colin McGinn brengt, die beweert dat ons inzicht in het bewustzijn momenteel te vergelijken is met het inzicht dat de presocratici hadden in de materie. En hetzelfde zou gezegd kunnen worden over de vrije wil. Of die bestaat, is nog steeds een onderwerp van discussie, zelfs over de vraag waaraan we hem eventueel zouden kunnen herkennen, bestaat er geen akkoord. De een wil keuzevrijheid als het doorslaggevende criterium, de ander rationaliteit, terwijl een derde het meer ziet in de richting van wilskracht. En helemaal problematisch wordt het wanneer uit wetenschappelijke experimenten blijkt dat de wil om een vuist te ballen pas 200 milliseconden na het samentrekken van de handspieren ontstaat. De wetenschap heeft dus nog werk aan de winkel, zo blijkt, maar gelukkig is er een Van Loocke die haar vorderingen op een bevattelijke manier te boek stelt.

Philip Van Loocke

Het wereldbeeld van de wetenschap

Garant, Antwerpen, 564 p., 44,50 euro.

Van Loocke heeft duidelijk een boontje voor de tegencultuur die altijd aanwezig geweest is in de marge van het wetenschappelijke bedrijf

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234