Vrijdag 23/10/2020

'Er is geen nieuwe

Martin Walser over schrijven in Duitsland

literatuur'

Met Een springende fontein publiceerde Martin Walser een prachtige schets van een Duitse jeugd tussen 1932 en 1945; met zijn uitspraak over het te pas en te onpas verwijzen naar Auschwitz schopte hij een nationale rel. Een gesprek met een geniale provincialist, over de innerlijke klok van de schrijver, de duizend romans van Nietzsche en de schoonheid van trivialiteit.

door Wim Vermeylen

Martin Walser

Een springende fontein

uit het Duits vertaald door Ria van Hengel, De Geus, Breda, 413 p., 998 frank.

ø

Martin Walser en Günter Grass hebben een aantal zaken gemeen. Ze zijn in 1927 geboren en publiceren sinds de jaren vijftig, ze zijn beiden lid geweest van de Gruppe 47, ze hebben de ontwikkeling van de Bondsrepubliek op de voet gevolgd en met commentaren begeleid. De Duitse literaire wereld heeft hen bedolven onder de literatuurprijzen. Het zijn twee dwarskoppen. Ze zouden onder hun beiden een hele discussie kunnen opzetten over hun land. Grass, erg kritisch over de eenmaking en zeker over de manier waarop ze totstandkwam. Walser, veeleer instemmend, gelukkig dat Duitsland een kans krijgt om samen te groeien.

Peter Glotz, een man met gezag in Duitsland, noemt Walser "een geniale provincialist". Met zijn novelle Een vluchtend paard uit 1978 heeft Walser volgens Glotz een van de sleutelteksten afgeleverd over de oude Bonner Republik. Het is een treffend verhaal over de identiteitscrisis en de radeloosheid van ouder wordende veertigers. Begin dit decennium heeft Walser een prachtige roman geschreven, Die Verteidigung der Kindheit. De auteur schetst daarin het hilarische maar tragische portret van de jongeheer Alfred Dorn, een obsessief verzamelaar van zijn verleden. "Een figuur die mij lief is," zegt Walser. Zijn nieuwste, mooie roman Een springende fontein ligt nu in de boekwinkel (Café des Arts Boeken, 16.9.1999).

Ik heb ooit in Die Zeit gelezen dat een boek in de jaren vijftig lang in het uitstalraam kon liggen. Een recensie kon maanden op zich laten wachten omdat men een ander begrip van tijd had. Klopt dat?

"Dat geloof ik niet. Het uitstalraam is terrein dat telkens opnieuw moet worden ververst, of het nu om schoenen, hemden of boeken gaat. Die visie hoort bij de reeks cultuurpessimismen zoals 'boeken hebben het moeilijk, de mensen lezen niet meer'. In Mainz is er een instituut ter bevordering van het lezen. Ik vind zoiets nutteloos, zelfs schadelijk. De indruk wordt gewekt dat boeken patiënten zijn waarmee het erg gesteld is. De mensen zouden alleen nog tv-kijken en meer van die pseudo-statistische onzin. Wanneer iemand mij zegt dat hij niet leest, heb ik daar alle begrip voor. Mijn boeken werden in elk geval nog nooit zoveel gelezen. Mijn werk verschijnt nu al dertig jaar als pocket en elk jaar worden er nog drie- tot vijfduizend exemplaren verkocht."

Het gaat niet slecht met de literatuur.

"Natuurlijk niet. Laat me een vergelijking maken met de Duitse klassieken rond 1800. De 'serieuze' literatuur had een erg beperkte oplage, vijfduizend exemplaren was zeer veel. De Werther van Goethe was natuurlijk een bestseller in heel Europa en Jean Paul, toch ook een 'serieus' auteur, werd zelfs ooit door Goethe en Schiller met de vinger nagewezen omdat een van zijn boeken zo goed verkocht. Maar dat waren uitzonderingen.

"Drie van mijn vier dochters schrijven ook. Het debuut van een van hen was goed voor achtduizend exemplaren, haar tweede boek verkocht zestienduizend keer, het derde weer minder maar goed. Mijn eerste boek, Ein Flugzeug über dem Haus uit 1955, had een oplage van tweeduizend exemplaren. Het heeft minstens vijftien jaar geduurd voor die verkocht waren."

Voor een verhaal uit dat boek hebt u de prijs van de Gruppe 47 gekregen. Hoe is dat in zijn werk gegaan?

"Ik publiceerde in tijdschriften. Iemand heeft toen tegen Hans Werner Richter gezegd dat de groep mij eens moest uitnodigen. Ik heb voorgelezen in 1953, 1954 en in 1955, in dat jaar heb ik de prijs gekregen en ben ik ermee gestopt. Dat voorlezen voor de jury in een zaal was verschrikkelijk. Het leek wel een tribunaal, en de jury zat maar grappen te maken. De Gruppe 47 heeft een aantal van haar bijeenkomsten in het buitenland gehouden en dat vond ik toen niet erg slim. Stel je voor: de Nationale Ploeg Literatuur speelt in het buitenland. Bovendien, wanneer een groep in het buitenland representatief wil zijn, moet iedereen de kans krijgen om voor te lezen. Dat was absoluut niet zo: in besloten kring werd beslist wie mocht komen."

Moest de literatuur van de jonge Bondsrepubliek de mensen mede aan een nieuwe ethische basis helpen?

"Volgens mij niet. Het heeft tot de jaren zestig geduurd voor wij, auteurs, naar buiten zijn gekomen. In de jaren vijftig zijn de emigranten terugkomen, we moesten een inhaalbeweging maken, lezen wat we niet hadden kunnen lezen: Thomas Mann, Hermann Hesse. In het binnenland waren twee auteurs belangrijk voor mij: Heinrich Böll en Arno Schmidt. De laatste schreef wat mij betreft het mooiste proza. En, heel belangrijk, er was ook nog Gottfried Benn, toen zonder twijfel de grootste nog levende dichter.

"Ik heb mij in de jaren vijftig nauwelijks voor politiek geïnteresseerd. Tegen het einde van dat decennium kwam een nieuwe generatie met Grass, Uwe Johnson, Hans Magnus Enzensberger en ikzelf op de voorgrond. Ik heb mij toen door de politiek laten mobiliseren. In 1961 heb ik gepoogd een aantal collega's te motiveren om mee aan de kar te duwen van de SPD. Het resultaat was het boekje Die Alternative oder brauchen wir eine neue Regierung. Als ik nu het lees, heb ik er spijt van."

Frank Schirrmacher schreef in 1992 in de Frankfurter Allgemeine Zeitung dat het gedaan was met de literatuur van de Bondsrepubliek. Gelukkig, schreef hij, want die was sinds de jaren zestig volledig verstard.

"Tja, voor mijn part probeert hij iets hard te maken wat er niet is. Afscheid van de literatuur van de Bondsrepubliek zou betekenen dat wij nu anders schrijven dan vroeger, stilistisch, esthetisch, poëtisch. Dat is onzin. Er zijn uiteraard auteurs uit de nieuwe deelstaten bijgekomen, zoals Durs Grünbein en Ingo Schulze. Formeel zijn hun boeken Midden-Europees, ze zouden ook in Frankfurt of Hamburg geschreven kunnen worden, al is de wereld waaruit ze putten het vroegere Oosten. Iemand kan een boek schrijven over het feit dat dit land er nu anders uitziet dan vroeger en er een adequate vorm voor zoeken, maar niemand schrijft anders en niemand kan beweren dat er een nieuwe literatuur is."

En verstard?

"Ik zou niet weten wat hij daarmee bedoelt. Elke auteur heeft zijn eigen autobiografisch programma. Voor mij zijn er alleen mannelijke en vrouwelijke auteurs en hij of zij reageert op een soort innerlijk programma. Natuurlijk, het geestelijk klimaat en de literatuurgeschiedenis spelen ook een rol. Laat mij twee voorbeelden geven. Rond de eeuwwisseling schrijft Thomas Mann Tonio Kröger en Robert Walser Jacob von Gunten. Die twee romans zouden in twee verschillende werelddelen geschreven kunnen zijn, zelfs in verschillende eeuwen. Die hebben helemaal niets met elkaar gemeen, afgezien van de taal. Ik zou ook kunnen teruggaan naar 1795. Van Goethe verschijnt Wilhelm Meisters Lehrjahre en van Jean Paul Hesperus. Twee prachtige boeken maar ze liggen continenten uit elkaar, zo tegengesteld zijn ze. Oké, samen vormen ze een literatuur maar daarmee is alles gezegd.

"Wel is het interessant om te bestuderen hoe Duitstalige auteurs in het decennium 1790-1800 hebben gereageerd op de Franse Revolutie. Fichte reageerde geëngageerd, Jean Paul temperamentvol, Goethe afstandelijk. Dat kan men vaststellen, maar esthetisch of poëtisch zijn het allemaal solitairen. Bij elke auteur ontstaat een andere literatuur."

Waarom?

"Daarover zijn er verschillende standpunten, ik weet het ook niet zo precies. Wij hebben in de negentiende eeuw géén romanschrijver gehad. We hebben geen Tolstoj, geen Dostojevski, geen Dickens, Flaubert, Stendhal. Er is wel de Oostenrijker Adalbert Stifter en de Zwitser Gottfried Keller, maar geen van beiden heeft een echt belangrijke roman geschreven. Het waren geen romanciers die de ontwikkeling van een maatschappij begeleidden. Geen neerslag van de geschiedenis van een land via een private levensloop, zoals bij Tolstoj."

En Theodor Fontane?

"Ja, oké, dat is de eerste, daar begint het. Fontane, Thomas Mann, Hesse. Er moeten, denk ik, maatschappelijke redenen voor te vinden zijn. We hebben geen maatschappij gehad, het zou ook kunnen dat het met religie te maken heeft. In plaats van een grote romancier hebben we wel een gigant van een auteur gehad: Nietzsche. Je zou kunnen stellen dat hij wel duizend romans geschreven heeft. Je kunt Nietzsche lezen als een grote psychologische of existentiële roman. Ik was vijftien toen ik Also sprach Zarathustra las."

Net zoals Johann in Een springende fontein. Bent u net zo hoog gevlogen als uw romanfiguur toen die Zarathustra las?

"Jazeker. De mensen zullen ermee lachen en zullen het puberachtig noemen, maar dat vind ik een stom woord voor de grote koorts die op dat ogenblik op je lichaam valt. Plotseling merk je voor de eerste keer dat er een hele hoge toonzetting bestaat die niet uit de kerk komt. Zo'n verrukkelijk stemregister was er alleen maar in de religie. En dat krijg je dan in een wereldlijke tekst aangeboden, daar ben je hulpeloos aan overgeleverd, niets aan te doen. De titel Een springende fontein is ontleend aan het nachtlied van Zarathustra. 'Nacht is het: nu praten luider alle springende fonteinen en ook mijn ziel is een springende fontein.'"

Waarom hebt u zo lang gewacht om over uw jeugd te schrijven?

"Dat is dat autobiografisch programma weer, die innerlijke klok. Maar in de loop van de jaren heb ik vastgesteld dat schrijven over Duitsland en zijn geschiedenis steeds normatiever is geworden. Dat verleden is het voorwerp van een retoriek met een aantal dwingende voorschriften, we zijn daarin steeds onvrijer geworden. Ik hoef toch geen roman te schrijven over hoe men zich vroeger had moeten gedragen? Dat weten we wel allemaal. Wat voor mij belangrijk is geweest bij het schrijven van Een springende fontein is de spanning tussen de onschuld van de hoofdfiguur en het huidige tijdsklimaat. Hoe formuleer je die spanning? Hoe kan ik een karakter vrijwaren voor de druk en de verwachtingen van het einde van de twintigste eeuw?"

Hoe voelt het om Duitser te zijn op het einde van deze eeuw?

"Wij zijn onschadelijk, volstrekt ongevaarlijk. In mijn feestrede voor de Vredesprijs vorig jaar heb ik een zin gebruikt die me zwaar is aangerekend: 'Waarvan zou een intellectueel niet allemaal verdacht worden indien hij zou beweren dat wij een normaal land zijn?' In feite was dat statement erg banaal, ik wou zeggen dat we toerekeningsvatbaar zijn geworden. Dat men van ons iets kan verlangen en verwachten, dat we ons decent gedragen. Ik ben er zeker van: een extreem rechtse partij zal in Duitsland nooit nog een kans krijgen. Nooit meer. Dat is geen verdienste maar het resultaat van een verschrikkelijke geschiedenis."

U hebt een beschouwende inleiding geschreven bij elk deel van Een springende fontein. Is dat niet van het goede te veel?

"Wel, ik wou het centrale probleem, die spanning tussen toen en nu, niet verloren laten gaan. Het was misschien riskant, die stukken vormen toch een drempel, maar ik had dat nodig. Ik heb mijn hoofdfiguur helaas niet helemaal voor de druk van onze tijd kunnen beschermen, ik had hem nog onschuldiger moeten maken, ik ben door de knieën gegaan, ik ben laf geweest. Maar het woord Auschwitz valt niet en dat noemen de controleurs in Duitsland bagatelliseren. Johanns karakter zou echter totaal ongeloofwaardig zijn wanneer hij iets weet dat hij niet kan weten, dat zou hem kapotmaken.

"Ik ben erg tevreden over de eerste zin van het boek: 'Zolang iets is, is het niet wat het geweest zal zijn.' De drie laatste woorden moet je traag en apart uitspreken, dat klinkt heel goed. Die combinatie van verleden en toekomst creëert een enorme spanningsboog, die kun je rationeel niet meer vatten, die kun je alleen nog voelen."

In dit decennium hebt u wel drie keer een biografie of autobiografie geschreven: Die Verteidigung der Kindheit, Finks Krieg, Ein springender Brunnen.

"Ik zou dat niet zo stellen. Ik heb het schrijven van een roman altijd beschouwd als een antwoord op eigen ervaringen. Naar gelang van de stof wordt de inhoud esthetisch anders uitgewerkt. Ik kan niet zonder mezelf schrijven. Zelfs wanneer ik over een objectieve, solide stof beschik, moet ik van mezelf uitgaan, van de dag waarop ik schrijf. De stof moet nauw met mezelf verbonden zijn, anders functioneert het niet."

Uw hoofdfiguren zijn geen onaantastbare helden, meestal hebben ze redelijk wat averij opgelopen.

"Ik vind ze zonder dat ik ernaar moet zoeken. Indien ik ooit andere helden ontmoet, dan zullen ze meerlettergrepige namen dragen. Tot zolang heten ze Halm, Buch, Dorn, Zürn, Fink. Mijn volgende romanfiguur is een vrouw en zij heeft ook een eenlettergrepige naam."

Vanuit welk perspectief gaat u vertellen?

"Zij is de hoofdfiguur, dat zal moeilijk zijn, daar ligt het hoofdprobleem. Het boek heet Liebesleben en speelt zich af in Düsseldorf. Zo'n titel is uitsluitend voor een vrouw geschikt, hij roept dat woord terug naar zijn oorsprong. Liebesleben, ik vind dat een prachtig woord, het is de hoogste tijd dat een boek die titel krijgt. Dat woord wordt helaas meer en meer opgeëist door boeken uit de zoölogische sector met titels zoals Liefdesleven van de woestijnslang. De roman loopt van 1962 tot ongeveer 1996, maar dat is in feite onbelangrijk."

Waarom uitgerekend Düsseldorf?

"Die geschiedenis heeft zich oorspronkelijk in Düsseldorf afgespeeld en dan is elke andere stad sowieso uitgesloten. Het verhaal staat sinds 1982 in mijn notitieboekje. Dat is het reële gegeven. Het boek is een poging om trivialiteit om te zetten in iets verhevens. Het basisgegeven kan in feite niet triviaal genoeg zijn om uit te zoeken wat voor een schoonheid dat triviale bezit. Dat zou ik graag doen, de trivialiteit in haar volledige schoonheid vertellen. Ik moet daarvoor een toon vinden. Een melodie voor deze vrouw."

Martin Walser: 'Wij, Duitsers, zijn volstrekt ongevaarlijk. Een extreem rechtse partij zal hier nooit nog een kans krijgen.' (Foto Ostkreuz)

'Wij hebben in de negentiende eeuw géén romanschrijver gehad... wel een gigant van een auteur: Nietzsche'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234