Dinsdag 07/12/2021

ENSOR tussen Fred Bervoets en Monty Python

James Ensor is niet onder één hoedje te vangen. De tovenaar uit Oostende, de man in black, was een grensverleggend schilder met zijn lichtflitsen, kleurenvuurwerk, skeletten en onpeilbare maskerades. Hij was ook een voortreffelijk tekenaar, zoals nooit eerder getoond werk laat zien op een prima tentoonstelling in Luik.

In het grote en prachtige kruitmagazijn van het Luikse stadsmuseum Le Grand Curtius worden 52 schitterende tekeningen getoond van de hand van James Ensor (1860-1949). De vroegste maakte hij op zijn 20ste in 1880. Naar verluidt zijn deze tekeningen nooit eerder in het openbaar te zien geweest: ze komen uit de collectie van het Musée des Beaux-Arts de Tournai (Doornik) en worden voor de gelegenheid aangevuld met een reeks etsen en schilderijen uit het bezit van het Luikse Museum voor Schone Kunsten BAL (zie kader).

De tekeningen, sober opgehangen in het Grand Curtius, behoorden oorspronkelijk tot de privécollectie van de befaamde Brusselse mecenas Henri Van Cutsem. Die was een van de eersten om James Ensor te steunen en zijn werk aan te kopen. Vermoedelijk verwierf Van Cutsem die tekeningen voor enkele luttele franken bij de jonge Ensor. In totaal zou hij er 52 vergaren, het merendeel gesigneerd en ondertekend. Van Cutsem overleed in 1904. Na zijn dood werden die Ensortekeningen, samen met een groot deel van zijn schitterende kunstverzameling, geschonken aan het Musée des Beaux Arts de Tournai, dat de Brusselse mecenas trouwens mee had helpen bekostigen. Het merkwaardige gebouw, een ontwerp van Victor Horta, zou echter pas in 1928 gereedkomen.

Virtuoos

Een groot deel van de tekeningen wijdt Ensor aan zijn directe omgeving: met potlood tekent hij - accuraat, krachtig en gedreven - stillevens met telkens de focus op een geïsoleerd object: een glas, een fles, een boekentas, een vaas, een stapeltje boeken. Hij houdt van zware contrasten en hecht veel belang aan het licht. Datzelfde licht zal in zijn schilderijen een belangrijke rol gaan spelen. Aanvankelijk gaat het om daglicht dat hij laat flonkeren in een glas of fles. Het zijn vermoedelijk probeersels of al voorstudies voor dat magnifieke schilderij De oestereetster(1882, KMSK Antwerpen), waarop een burgervrouw zich te goed doet aan oesters en edele wijnen. De tafel staat vol met deels gevulde flessen, glazen en een karaf, van diverse kleuren en met al even verscheiden inhoud. In dat landschap van glas kon Ensor zijn fascinatie voor het licht en al zijn reflecties virtuoos botvieren.

Tussen haakjes: het (voor ons vrij klassieke en burgerlijke) schilderij De oestereetster zorgde voor de ene controverse na de andere. Het werd in 1882 geweigerd op de Driejaarlijkse Salon van Antwerpen en op een tentoonstelling in Brussel, en het museum van Luik weigerde het in 1907 aan te kopen. Het geeft een idee hoe moeilijk de modernistische Ensor het toen had. En dan was hij nog niet eens aan zijn maskers, skeletten en metafysische schilderijen begonnen. En het bewijst ook hoe belangrijk mecenassen als de Brusselaar Van Cutsem en het Antwerpse echtpaar Lambotte voor hem wel waren.

James Ensor maakte de tekeningen die nu in Luik hangen op zijn zolderkameratelier in Oostende, in het ouderlijke huis op de hoek van de Vlaanderenstraat en de Van Iseghemlaan, waar moeder en vader Ensor souvenirs en carnavalsartikelen verkochten. Zoek niet meer naar het huis, het werd gesloopt in 2000. Ensor ging er op zijn 20ste weer wonen na zijn weinig succesvolle studie aan de Brusselse academie. Maar hij had in Brussel wel leren tekenen - zoveel is duidelijk. Dat blijkt bijvoorbeeld uit die fantastische schetsen van bromvliegen en muggen. Wat een accuratesse! Dat hij later ook de etskunst zou bedrijven, ligt al besloten in zijn tekeningen die hij arcerend tot stand liet komen. Hij tekende 'al etsend', zou je kunnen zeggen.

Ensor reisde niet alleen rond zijn kamer, hij keek ook naar zijn familieleden: hij tekende een slapende en schrijvende vrouw, het zou zijn zus Mietche kunnen zijn. Maar er is nog niet de minste vorm van karikatuur te bespeuren. Ensor oefende zich op dat moment in het tekenen naar levend model. Zo schetst hij ook een jongen met een pet op, misschien het model van De lampenist, het eerste werk dat door een Belgisch museum werd aangekocht, de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel, in 1895.

Opium voor het volk

Ensor keek ook naar buiten. Vanuit zijn kraaiennest op de vierde verdieping zag hij Oostende evolueren van klein dorpje tot mondaine badplaats. Hij observeerde het reilen en zeilen in de straat: passanten die zien en gezien willen worden, mensen die staan te praten, een kar met paard, maar evengoed een boer of arbeider die gebogen staat over zijn kruiwagen. De meeste mannetjes en vrouwtjes zijn vaak weinig meer dan snel en virtuoos geschetste contouren.

In de etsen uit dezelfde periode zien we al een andere Ensor: die met zijn vileine, misantrope trekjes. Hij etst een massa mensen op het ijs, à la Bruegel (1882). Ze vallen en schuiven en brengen er weinig van terecht. Het is eenzelfde wriemelende mensenmassa als in zijn beroemde ets Baden in Oostende(1899). Ensor etst de kerk van Oostende met een zee van mensen ervoor: die lijken meer op kasseien en lijken ook op te gaan in de architectuur van de kathedraal zelf. De boodschap is duidelijk: godsdienst als opium voor het volk.

In de serie over de hoofdzonden gaat Ensor voluit in zijn uitbeelding van gulzigheid, woede, onkuisheid en hoogmoed. Mensen zitten te kotsen aan tafel, één dikzak staat op springen - dat zijn absurde overdrijvingen, La grande bouffeen Monty Python avant la lettre. We zien mensen die elkaar te lijf gaan met messen en kachelpoken - daar heeft schilder en tekenaar Fred Bervoets ooit goed naar gekeken. Ensor etst alsof hij de oude Vlaamse miniatuurtraditie voortzet, maar dan wel met zijn bijtende en amusante misantropie.

Enkele schilderijen - waaronder het Stadhuis van Brussel(1885) en latere gifkleurige stillevens - vervolledigen de expo, maar hét schilderij, dat het nauwst aansluit bij de etsen, hangt om de hoek in het Musée des Beaux-Arts de Liège: La Mort et les Masquesuit 1897, een van de topstukken van de Franse gemeenschap. Dat is te fragiel om te verplaatsen. Luik zet Ensor in de etalage. Discreet maar groots.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234