Woensdag 04/08/2021

'Enkel de sector van de begrafenisondernemingen doet het de laatste jaren goed'

In Botswana gaat achter de façade van een economisch wonder een totaal uit de hand gelopen aids-debacle schuil. Terwijl het land jarenlang een wereldrecordgroei realiseerde, raakte een kwart van de jonge bevolking besmet met het hiv. 'Aids is hier een hele generatie aan het wegvegen.' Deel 4 van de serie over aids in Afrika.

Koen Vidal / Foto's Stephan Vanfleteren

Anderhalve maand geleden, op maandag 11 oktober, passeerde de 32-jarige Air Botswana-piloot Christopher Phatshwe de veiligheidscontrole van de luchthaven van Gaborone, de hoofdstad van Botswana. Niemand die echt lette op zijn slordige kleren: een verrimpeld T-shirt, shorts en een paar slordige sandalen. Phatshwe was veiligheidsverantwoordelijke van de luchthaven. Zijn vliegvergunning en de daaraan gekoppelde premie was hij kort daarvoor kwijtgeraakt omdat hij volgens de directie "onvoldoende fit" was om te vliegen. Hoewel zijn collega's en zeker zijn familie dat ontkennen, twijfelen weinigen aan de precieze betekenis van die vage omschrijving: Phatshwe was seropositief. Rustig wandelde hij naar de hangar, waar hij vroeg welk vliegtuig volgetankt was. Hij stapte in het toestel, taxiede naar de landingsbaan, steeg op en begon cirkels boven de stad te vliegen. "Via de radio eiste hij een gesprek met de president", zegt Phatshwe's schoonbroer Pelontle Kesuble, een politieagent die die ochtend toevallig dienst had op de luchthaven en tot het allerlaatste moment in contact stond met Phatshwe. "'Als ik mijn vliegvergunning niet terugkrijg', riep hij door de radio, 'crash ik op het presidentiële paleis. Of anders op het parlement. Of op het appartement van mijn vriendin, die me niet meer wil'." De president was die ochtend het land uit en de vice-president weigerde uit veiligheidsoverwegingen naar de luchthaven te komen. Schoonbroer Pelontle: "Christopher dreigde er ook mee om op de vertrekhal te landen. Ik zei dat hij dat niet kon maken, omdat er veel te veel onschuldige mensen in het gebouw aanwezig waren. Hij gaf me gelijk, maar zei dat hij dan een ander doelwit zou kiezen. 'Mijn beslissing staat vast, vaarwel', zei hij me net voor hij het radiocontact definitief verbrak. Machteloos zag ik hoe hij met een duikvlucht naar beneden kwam, boven het platform scheerde en recht op twee naast elkaar gestationeerde vliegtuigen van Air Botswana afvloog. De crash kwam enkele seconden later, een explosie, een enorme vuurbal. Geen kans dat Christopher daar ooit nog levend uit zou zijn geraakt."

Christopher Phatshwe, vader van drie kinderen, laat zijn land achter met een emotionele en financiële kater. Air Botswana verloor drie van zijn vier vliegtuigen: kostprijs 1,8 miljard frank. Pelontle: "En het land verloor een briljante jongeman." Velen, en met name de aids-organisaties, beschouwen de crash als een symbolische wanhoopsdaad. "Ik vrees dat ook Botswana weldra zal neerstorten", zegt Ivor Williams van de ngo Bonasa. "Ogenschijnlijk gaat alles goed in dit land, vooral naar Afrikaanse normen. Maar door aids zullen we binnen enkele jaren crashen, net als Phatshwe in zijn vliegtuig." Vooraleer Williams en zijn medewerkster Chilu Simukoko de desastreuze aids-cijfers van Botswana beginnen af te ratelen, schetsen ze het rooskleurige economische plaatje waarmee hun regering zo graag uitpakt. Tussen 1966 en 1991 realiseerde het land een jaarlijkse economische groei van 13 procent. Volgens de Wereldbank is dat een wereldrecord. Die welvaart is vooral te danken aan de diamantmijnen. Na Australië en Kongo is Botswana de grootste diamantproducent ter wereld. Verder komen elk jaar zo'n 900.000 elitetoeristen naar de olifanten van het Chobe-park en de natuurpracht van de Okavango-delta kijken. Sinds de onafhankelijkheid van Groot-Brittannië in 1966 is het land politiek stabiel en de corruptie minimaal, en de rijkdom komt ook de bevolking ten goede. Basis- en middelbaar onderwijs zijn gratis, waardoor 90 procent van de jeugd naar school gaat en de alfabetiseringsgraad hoog is: 70 procent. Ook het gezondheidssysteem is zeer goed uitgebouwd: 76 procent van de bevolking leeft op wandelafstand van een gezondheidspost waar de consultaties gratis zijn voor kinderen, zwangere vrouwen en tbc-patiënten. Dat alles leverde Botswana het koosnaampje 'Afrikaanse tijger' op.

De aanzienlijke rijkdom van Botswana is ook in het straatbeeld zichtbaar. In The Mall, de belangrijkste winkelstraat van Gaborone, staat het ene moderne kantoorgebouw naast het andere en kun je geld uit de muur halen. Wie rondwandelt op het terrein van de universiteit van Gaborone waant zich op een Europese campus: fonteintjes met planten, perfecte tennis- en basketbalvelden, airco. Op de egaal geasfalteerde wegen rijden opvallend veel nieuwe Toyota's. De verkeersregels worden gerespecteerd. Heel on-Afrikaans eigenlijk, en een beetje saai. Geen muziekstalletjes op de straathoeken en redelijk norse mensen die je van top tot teen keuren als je er onvoldoende als elitetoerist uitziet. Sinds de verkiezing van nationale schoonheid Mpule Kwelagobo tot Miss Universe nam die zelfbewustheid alleen maar toe. "We tellen mee in de wereld", werd ons met uitgestreken gezicht verteld. "En dit is nog maar een begin." Botswana heeft zelfs enkele Scandinavische trekjes: bij het binnenrijden van elk dorp waarschuwen grote borden dat afval op straat gooien uit den boze is: 'Keep this town clean'. Wat verder staat een bord met 'Drive safely'. Verkeersagenten, ook al in gloednieuwe auto's, voeren met camera's snelheidscontroles uit en houden je regelmatig staande om knipper- en remlichten te testen. Wie zijn veiligheidsgordel niet draagt, gaat op de bon.

Maar achter de façade van welvaartsstreven schuilt een totaal uit de hand gelopen aids-debacle. Williams en Simukoko halen het ene alarmerende aids-rapport na het andere boven. "Zeventien procent van de totale bevolking is seropositief. Van de groep van 15- tot 46-jarigen is 23 procent besmet. Dat is de bevolkingsgroep die moet instaan voor Botswana's economische toekomst. De ziekte nam het land razendsnel in haar greep. In 1985 werd in Botswana de eerste aids-diagnose gesteld. Zeven jaar later waren er 59.000 hiv-positieven. Vier jaar nadien was dat aantal verdriedubbeld tot 180.000, en in het jaar 2000 zullen er in Botswana 320.000 seropositieven rondlopen. Op een bevolking van anderhalf miljoen! Elke dag raken honderd mensen met het virus besmet. Wetenschappers van het ministerie van Volksgezondheid schatten de verdubbelingstijd van de besmetting op twee jaar." Chilu Simukoko vult aan: "Van alle zwangere vrouwen is 33,5 procent besmet. Een van de gevolgen is dat in dit land 65.000 weeskinderen leven."

Williams: "Waarom die cijfers zo hoog zijn? Tja, waarom? Ik vraag het me ook elke dag af. Er is een aantal verklaringen die te maken hebben met onze tradities. Botswanen hebben altijd drie woningen gehad: één in hun geboortedorp, één op de plaats waar ze hun vee houden en een derde woonst op de plaats waar ze hun gewassen kweken. Zij die in de steden werken, hebben zelfs nog een vierde woning. Gevolg: mensen reizen van het ene huis naar het andere, mannen zijn vaak weg van hun vrouw en vice versa. Die gewoonte bestaat natuurlijk al eeuwen en kan moeilijk de enige verklaring zijn voor de snelle aids-verspreiding. Maar koppel die traditie aan vooruitgangsverschijnselen als een goed wegennet en het stijgende aantal auto's, en je krijgt een uitzonderlijk hoge mobiliteit. Economische groei stimuleert aids, zou je kunnen zeggen. Want omdat Botswana het zo goed doet, komen arbeiders uit de buurlanden Zimbabwe en Zuid-Afrika hier hun geluk zoeken. Sinds de onafhankelijkheid van Zimbabwe en het einde van de apartheid in Zuid-Afrika is de handel met die landen erg snel toegenomen. Mensen reizen op en neer: arbeiders, zakenmensen, leraars, hoertjes, vrachtwagenchauffeurs... Nog een factor is dat de ambtenaren in Botswana regelmatig van de ene naar de andere kant van het land verhuizen. De overheid zet hen in waar ze nodig zijn. Ook dat zorgt voor van elkaar gescheiden levende families, met alle gevolgen van dien." Chilu Simukoko: "In 47 procent van de gezinnen staat de moeder er alleen voor. Het zijn die families die het economisch erg moeilijk hebben. Veel alleenstaande vrouwen hebben seks met verschillende mannen in ruil voor wat geld, eten of een huishoudtoestel. Noem het alsjeblief geen prostitutie, want dat is het niet echt."

"En dan is er nog het taboe", zeggen Williams en Simukoko gelijktijdig. "In Botswana kleeft er een ongelooflijk stigma aan aids. Iedereen weet dat duizenden mensen besmet zijn, maar niemand praat erover. Je moet weten dat wij Botswanen amper de woorden 'seks', 'HIV' en 'aids' durven uit te spreken. Dat komt omdat aids hier nog steeds beschouwd wordt als een straf voor onbehoorlijk seksueel gedrag. Een doodstraf. Iemand die aids krijgt heeft het verdiend, is de redenering." Simukoko: "Ik presenteer elke week een radioprogramma over aids. Weet je dat ik daar voortdurend versluierde taal moet gebruiken? Een penis is geen penis maar een semen producing organ. Zelfs op de universiteit heb ik het moeilijk om het aids-thema bespreekbaar te maken. Toen ik vorige week een voorlichtingsavond voor studenten wou geven, werd ik met blikjes van het podium gekogeld. Sommige studenten kwamen me achteraf vertellen dat ik hen beledigd had door te zeggen dat ook zij ziek kunnen worden. Ze beschouwen aids nog altijd als een ziekte voor de armen. Blijkbaar geloven ze dat hun status en intelligentie hen immuun maken. Ze zouden beter moeten weten. In een nog niet gepubliceerd onderzoek staat dat 40 tot 60 procent van de studenten seropositief is. Zestig procent!" Williams: "Misschien heeft dat taboe ook te maken met het feit dat Botswana zo weinig inwoners telt. Ik overdrijf niet als ik zeg dat iedereen iedereen kent. Vanaf het moment dat bekend raakt dat iemand HIV-positief is, gaat het nieuws als een lopend vuurtje door het land. De roddels zijn ondraaglijk. Dat verklaart ook waarom velen een aids-test weigeren. Iemand die zich ophoudt in de buurt van een aids-ondersteuningscentrum is per definitie seropositief en verliest zijn reputatie. Dat is uiteraard erg gevaarlijk, want iemand die geen test doet weet ook niet dat hij positief is en blijft gewoon met anderen naar bed gaan. Er is daarenboven een enorm schaamtegevoel. Iemand die seropositief is, blijft niet in Gaborone wonen, maar trekt zich meestal terug bij de grootouders in zijn of haar geboortedorp. Heel triest is dat. Als je in het busstation in Gaborone een jonge moeder met haar baby stilletjes in een hoekje ziet huilen, weet je meestal hoe laat het is. Ze gaat terug naar haar dorp. Om te sterven."

Hoe triest een jonge seropositieve moeder wel is, beseften we enkele dagen later tijdens een gesprek met de tweeëntwintigjarige Joyce Malebogo. Een jaar geleden studeerde de aantrekkelijke vrouw nog informatica in Gaborone. Ze raakte zwanger en kreeg enkele maanden later te horen dat ze hiv-positief was. "Mijn wereld stortte in. Ik durfde niet meer naar school", zegt ze terwijl baby Elsa zachtjes ligt te kirren. "Voorlopig is Elsa hiv-negatief", zegt Joyce. Op andere vragen antwoordt ze ontwijkend: Wie de vader is? "Hij leeft in Gaborone." Of hij soms langskomt? "Ja, soms." Ze wil vooral weten of er in Europa al een medicijn tegen aids bestaat. "Gek is dat. Ik voel me helemaal nog niet ziek, maar ik besef dat ik binnen enkele jaren zal sterven." Als we vragen of we van haar en de baby een foto mogen nemen, antwoordt ze resoluut neen. "Geen foto's van mij. Het is al erg genoeg." De baby mag wel alleen op de foto. "Want die heeft nog een toekomst. Hoop ik."

De dag daarvoor hadden we ook de vierentwintigjarige Dorica geïnterviewd. Toen we ons voorstelden, keek de jonge vrouw ons aan met haar wijd opengesperde ogen. Amper verstaanbaar vertelde ze dat ze tot vorig jaar economie had gestudeerd in Zimbabwe. Verder geraakte ze niet. Te vermoeiend. Haar broer vervolledigde het verhaal: "Ze leerde een vriend kennen die seropositief bleek te zijn en raakte besmet. Sindsdien ging haar gezondheid snel achteruit. Ze moest haar studies opgeven en leeft nu weer bij ons in Botswana. Dankzij haar rolstoel is ze nog redelijk zelfstandig." Tegen de zin van haar vader zegt Dorica dat we haar mogen fotograferen. Ze gaat trots rechtop zitten en kijkt met haar imponerende ogen recht de lens in. Als we zeggen dat ze als een echt fotomodel poseert, lacht ze. "Je had haar vroeger moeten zien", zucht haar broer. "Ze was echt knap." Dorica's vader zegt dat hij geen geld heeft om aangepast voedsel voor zijn dochter te kopen. "En ik weiger familieleden of de buren om hulp te vragen. Ik ben beschaamd omdat ik het niet kan betalen. Ik verberg het. Ik verberg mezelf."

Het taboe en de stigmatisering maken dat vele hiv-besmetten/aids-patiënten hun ziekte zo lang mogelijk geheim houden. Outen gebeurt zelden in Botswana, zeer zelden. "Weet je hoeveel mensen naar buiten zijn gekomen met hun hiv-status?", vraagt Helen Ditsebe. "Tien! Niet meer. In het hele land. En ik ben er één van." Helen is een forse, assertieve vrouw van vierenveertig, met een bewogen leven achter de rug. "Jarenlang was ik verantwoordelijk voor het restaurant van een hotel. Ik moest regelmatig opdringerige tippelaarsters buitensmijten, en hoerenlopers die al hun geld hadden verloren kwamen aan mijn bar uithuilen. Nadat ik in de vroege uurtjes mijn bar had gesloten, schoot ik zelf in de drank. My friend, ik heb gedronken. Maar die tijd is nu voorbij. Nu ben ik seropositief."

Op 1 december opent Helen een ondersteuningscentrum voor seropositieven, in een caravan naast het Marina-hospitaal van Gaborone. "Waarom ik mij geout heb? Om het stigma te bestrijden. Om te vermijden dat mensen hetzelfde moeten meemaken als ik. De dag dat ik de resultaten van mijn aids-test ging ophalen, zal ik nooit vergeten. De verpleegster zat met haar benen op haar bureau. 'Je resultaat is positief', zei ze. meer niet. Toen ik buitenging en de deur achter me sloot, hoorde ik ze lachen. Dat wens ik niemand toe. Met mijn centrum hoop ik mensen een behoorlijke begeleiding te geven en hen duidelijk te maken dat er nog een leven is na een positieve aids-test. Ik wil voorkomen dat ze zoals ik jarenlang ontkennen dat ze hiv-positief zijn en al hun geld verbrassen door van de ene dokter naar de andere te hollen, in de hoop dat er toch eentje zou zeggen: 'De vorige tests klopten niet, u bent negatief'. Weet je hoeveel geld ik heb uitgegeven aan medicijnmannen? 34.000 pula (ongeveer 290.000 frank). Ik heb mijn huis op het platteland moeten verkopen. Natuurlijk zijn er dagen waarop ik spijt heb dat ik mij geout heb. Een oude man vertelde me laatst dat hij zijn koeien slacht als hij merkt dat ze ziek zijn. 'Waarom doen ze met jou niet hetzelfde?', smeet hij me naar het hoofd. Dan moet je wel even slikken. Of laatst, toen een vriendin van me besloot om haar aids-geheim aan de media prijs te geven. De dag daarop stond haar foto op de voorpagina, met een grote kop: 'Wie heeft er seks gehad met deze vrouw?'. Dit land heeft nog een lange weg af te leggen."

Enkele dagen later stelt Helen ons voor aan Father Charles, een Australische dominee die elf jaar geleden naar Botswana kwam. "Enkele jaren BA", zegt hij... "Before Aids." Father Charles leidt een ngo die aids-patiënten thuis verzorgt. "Ook ik kan je vertellen hoe het stigma de zieken nog meer doet lijden. Gisteren nog werd ik met een verschrikkelijk tafereel geconfronteerd. In een hutje vonden we een stervende man die twee weken lang niet ververst was geweest. Hij had doorligwonden en er lagen overal uitwerpselen, wat een ongelooflijke stank veroorzaakte. Zijn zus had af en toe een bord met wat eten binnengeschoven. Toen ik haar vroeg wat haar bezielde, zei ze dat haar broer het zelf had gezocht. Dat hij de schande was van de familie. En dat ze hem verborgen hielden voor de buren. Laatst was ik bij een jongetje dat niet aan aids maar aan keelkanker lijdt. Hij ziet enorm af maar vertelde me dat ik niet meer bij hem hoefde langs te komen. 'Father Charles', zei hij. 'Je helpt me enorm. Dankzij jou wordt de pijn draaglijk. Maar kom me alsjeblief niet meer bezoeken, want de buren hebben jou gezien en denken nu dat ik aids heb.' Wil je nog een laatste verhaal? Vorige zaterdag was ik op de begrafenis van een jong meisje. Op het kerkhof sprak de vader de aanwezigen toe. 'Dit is het vierde kind dat ik verlies en ik heb er genoeg van om de oorzaak van mijn verdriet te verzwijgen. Mijn dochter is gestorven aan aids, en mijn drie andere kinderen ook. Het wordt tijd dat dit gezegd wordt.' Weet je hoe de familie en de vrienden reageerden? Ze waren verontwaardigd omdat de vader zijn kinderen te schande had gemaakt."

Een van de gevolgen van het loodzware taboe is dat de meeste seropositieven al snel hun job verliezen. Helen kan ervan meespreken. "Vaak is het al voldoende dat een werkgever de indruk krijgt dat je hiv-positief bent om op straat te belanden. Ikzelf werkte tien jaar voor hetzelfde hotel maar verloor mijn baan nadat ik enkele weken ziekteverlof had genomen. Mijn plaats was ingepikt door iemand anders." Vooral laaggeschoolde arbeiders die voor kleine bedrijven werken, zijn kwetsbaar. "Zij hebben meestal geen contract en worden per maand betaald. Wanneer een arbeider wegens aids afwezig is, wordt hij slechts betaald voor de gepresteerde dagen. Als de ziekte te lang aansleept, zoekt de werkgever gewoon iemand anders. Met een werkloosheidsgraad van 27 procent is dat geen enkel probleem."

Werknemers met een vast contract, en zeker het kaderpersoneel, staan er iets beter voor. "Zij hebben meestal het geld om medicijnen en aangepaste voeding te kopen en zijn dus minder ziek. Velen gaan naar privé-klinieken en nemen een levensverzekering voor het geval ze toch hun job kwijtraken. Het is wel zo dat de meeste levensverzekeringen het aids-risico niet dekken. Maar daar valt altijd wel een mouw aan te passen: de verzekerde zal dan officieel niet aan aids maar bijvoorbeeld aan tbc sterven."

Sommige bedrijven wapenen zich op een vrij cynische manier tegen de aids-bedreiging: voor één baan nemen ze drie personen in dienst. "Als er een sterft en de tweede gaat naar de begrafenis, kan de derde het werk doen", zegt Chilu Simukoko van Bonasa sarcastisch. "Het is erg vreemd", vindt Helen. "Aids doet de bedrijfswereld enorm lijden en toch durft niemand het woord HIV in de mond nemen. Door de ziekte is er veel absenteïsme, werknemers verdwijnen van de ene dag op de andere om nooit meer terug te keren, elke week is er wel een personeelslid dat sterft. En iedereen zwijgt."

Wel is het zo dat grote bedrijven langzaam tot de conclusie komen dat aids hun toekomst bedreigt. "Er is een groot verschil tussen grote en kleine ondernemingen", zegt Lena Tumelo, aids-coördinator van het ziekenhuis in Jwaneng, een stadje op 200 kilometer van Gaborone dat in 1982 uit de grond rees na de ontdekking van een gigantische diamantmijn. Jwaneng wordt ook wel Debswana-town genoemd, naar het nationale diamantbedrijf dat eigenaar is van bijna alle huizen, het ziekenhuis en de scholen in de stad. Debswana is de motor van Botswana. Het bedrijf heeft een omzet van bijna 5 miljard frank en zorgt voor de helft van de staatsinkomsten. Maar aids lijkt de toekomst van het bedrijf te ondermijnen. Uit studies die angstvallig geheim worden gehouden, blijkt dat 676 van de 2.160 Debswana-arbeiders in Jwaneng seropositief zijn: 31,3 procent. Dat verklaart waarschijnlijk waarom het bedrijf in allerijl begon met een sensibiliseringsprogramma. De werknemers mogen zelf hun aids-opvoeders aanduiden, die regelmatig infosessies bijwonen en hun kennis doorgeven aan hun collega's. Het bedrijf heeft ook duidelijke regels in verband met ziekteverlof. In drie jaar tijd mag een werknemer 126 dagen afwezig zijn. Het bedrijf betaalt 70 procent van de medicijnen en staat in voor de medische verzorging. Als iemand meer dan 126 dagen ziek is, beslist een bedrijfsarts of de persoon ooit nog werkbekwaam zal zijn. Is dat niet het geval, dan wordt de werknemer met pensioen gestuurd, waarna hij nog een tijdje kan rekenen op zijn volledige loon." En daarna? "Tja, daarna is het afgelopen. Dan verliest de arbeider zijn loon, zijn bedrijfshuis en kunnen de kinderen ook niet meer naar de bedrijfsschool. Dan zit er niets anders meer op dan Jwaneng te verlaten."

Geoffrey, een ex-Debswana-arbeider en aids-patiënt, weet wat het betekent om de steun van het bedrijf te verliezen. "Vanmorgen heb ik van Debswana een brief gekregen waarin staat dat dit de laatste maand is dat ze mijn loon betalen." Geoffrey ligt in bed. Zijn drie kinderen lopen in en uit de kamer. Regelmatig moet hij het gesprek onderbreken om in een plastic bus te plassen. Hij heeft zijn urinewegen niet meer onder controle en verontschuldigt zich met zijn ogen voor de gênante situatie. "In de brief staat dat ik het huis binnen de drie maanden moet verlaten. Dat kwam als een volslagen verrassing. Wat ik nu ga doen? Geen idee. Ik zal moeten verhuizen, maar ik heb geen geld voor een huis. Ik heb zelfs geen geld om groenten en fruit te kopen." Zijn vrouw komt erbij zitten zonder ons aan te kijken. We vragen haar wat ze van de brief van Debswana vindt. "Het is geen goed nieuws", fluistert ze. "Ik weet niet wat we nu gaan doen. Mijn man is de enige kostwinnaar. Ik weet echt niet wat er nu moet gebeuren. Stel me alsjeblief geen vragen meer. Jullie vragen doen me pijn."

Terug in Gaborone vertelt Helen ons dat het niet zo moeilijk is om de toekomst van Geoffrey en zijn gezin te voorspellen. "Ze zullen terugkeren naar het dorp van hun ouders, die hen zo goed als mogelijk zullen opvangen. Eenvoudig zal dat niet zijn. Want je kunt ervan uitgaan dat Geoffrey, toen hij nog gezond was, geld opstuurde naar zijn ouders. Zo gaat dat nu eenmaal in Afrika. Je bent niet enkel verantwoordelijk voor je eigen gezin maar ook voor je ouders, je broers en zussen en soms nog je neven en nichtjes. Dat maakt de ramp natuurlijk nog groter. Als de kostwinnaar aids krijgt, stuikt niet alleen het gezin maar een hele familie in elkaar. Er komt geen geld meer binnen en de familie moet zien te overleven met het pensioentje van de ouders of de grootouders. Dat bedraagt meestal niet meer dan 120 pula (ongeveer 1.000 frank) per maand." Zelfs als loontrekkende familieleden solidair zijn met de aids-patiënt en zijn familie blijft de situatie precair: het gemiddelde huishoudelijke inkomen bedraagt 865 pula per maand (7.492 frank). Helen: "De levensstandaard van zo'n familie tuimelt naar beneden. Het gevolg daarvan is dat Geoffreys kinderen waarschijnlijk vroegtijdig de school zullen verlaten om wat geld te verdienen. Meestal zijn het de meisjes die de school moeten inruilen voor een slecht betaald baantje. In het beste geval kunnen ze in een confectiebedrijfje terecht, in het slechtste geval wordt het een biertent waar dronken mannen in hun billen knijpen of misschien wel de prostitutie. En alsof dat allemaal nog niet erg genoeg is, moet je er rekening mee houden dat ook Geoffreys vrouw besmet is. Dat betekent dat de kinderen hun ouders zullen moeten verzorgen en dat ze over vijf jaar aids-wezen zullen zijn. Ook voor hun grootouders betekent dat een geweldige opgave." Van de overheid, de kerk of een aids-organisatie hoeven de getroffen families niet veel steun te verwachten. Volgens studies krijgt slecht 12 procent enige financiële steun, 22 procent kan rekenen op wat morele steun. Hoewel de overheid er prat op gaat dat ze veel geld steekt in een systeem van thuisverpleging heeft bijna 60 procent van de aids-zieken in Botswana nog nooit zo'n thuisverpleger zien opdagen.

Helen: "En als een aids-patiënt sterft, is er de begrafenis. Mijn God, wat zijn wij extravagant als het op begrafenissen aankomt. Het is één grote show. Iedereen wordt tijdens het weekend begraven. Niet het weekend dat volgt op de dood, maar het weekend daarna. Zo hebben familieleden die van ver moeten komen de tijd om de begrafenis bij te wonen. Het is via de radio dat ze horen dat er een familielid of een vriend dood is. Elke ochtend, tussen tien voor acht en acht uur, worden de namen van overledenen afgeroepen. Een echte volksverhuizing is het resultaat. Honderden mensen komen van heinde en ver naar het geboortedorp van de overledene. En al die mensen moet je eten en drinken geven. Er worden koeien geslacht en de voorraad groenten gaat eraan. Wie de bezoekers geen vlees geeft, heeft een probleem. Die hoeft bij een volgende begrafenis geen volk meer te verwachten en zal ook niet welkom zijn op de begrafenis van een andere familie. Verder moet het lijk naar het geboortedorp overgebracht worden. Ook dat kost minstens 1.000 pula. De hele begrafenis kost gemakkelijk 10.000 pula (92.000 frank, ruim het gemiddelde jaarinkomen). Mensen steken zich in de schulden voor een begrafenis. Want wie niet kan betalen, moet zijn doden op een woensdag begraven en dat is een absolute schande. Weer zo'n stigma. Dan komt er niemand opdagen." Onlangs riep de overheid de bevolking op om de doden ook tijdens de week te begraven en wat soberder te zijn met de uitgaven. Helen: "Die oproep heeft voorlopig weinig effect."

We vragen Helen of ze ons wil meenemen naar zo'n begrafenis. Ze twijfelt even maar stemt dan toe. "Een meisje dat ik ken, is vorige week aan aids overleden. Ik denk wel dat jullie welkom zullen zijn. Maar of jullie foto's mogen nemen, is een andere zaak. Het taboe duurt tot in de kist." De volgende dag staan we met Helen aan het mortuarium van Gaborone te wachten op de kist met het lijk van Itebeng Jequline Gaonakala. Geboren op 15 januari 1978, zo zegt het doodsbriefje, gestorven op 30 oktober 1999. "She has been sick for quite a while, until she died of pneumonia." We moeten lang wachten, eerst worden nog drie andere kisten buitengedragen. Lopendebandwerk. "Enkel de sector van de begrafenisondernemingen doet het de laatste jaren goed", fluistert Helen in mijn oor op het moment dat de kist van Itebeng in de begrafeniswagen wordt geschoven. De omstanders zingen zachtjes enkele gospels. Daarna rijdt de stoet naar het ouderlijke huis. De moeder en de tantes zullen de hele nacht bij de kist blijven waken. Als we ons rouwbeklag doen, vraagt een tante ons of we het gastenboek al getekend hebben. "En vergeet jullie bijdrage niet te betalen", zegt ze brutaal. We slaan het boek open en zien dat achter elke naam een bedrag van 5 pula staat. We betalen. Buiten verzamelen zich vrienden, familieleden en buren. Helen: "Soms is het wel gênant, want sommige mensen komen alleen om te eten en te drinken. Maar je kunt niemand weigeren." Gedurende de hele nacht leest de priester voor uit de bijbel. Opvallend is dat hij het verhaal van de ark van Noach tot driemaal toe zal voorlezen. "En net als nu was er ook toen een zondvloed. En alle zondaars klampten zich vast aan Noachs ark. Maar de ark bleef gesloten voor hen." De parallel ligt er dik op. Regelmatig neemt een van de aanwezigen het woord om een lang verhaal over de dode te lamenteren. Op de achtergrond roeren vrouwen en kinderen in gigantische zwarte potten. Ze bereiden het maal voor morgen. Honderden mensen zullen dan met hun plastic bordje staan aanschuiven, de mannen en de vrouwen in aparte rijen.

Om zes uur 's ochtends, net na zonsopgang, brengt iedereen een laatste groet aan de overledene. Het gezicht van de dode Itebeng is zichtbaar: een angstwekkend smal hoofdje met ingevallen wangen. Mensen jammeren, er wordt zachtjes gezongen. Tot de begrafeniswagen arriveert, die te laat is omdat hij nog twee andere doden naar de begraafplaats moest rijden. Op het kerkhof is het inderdaad druk. Er zijn nog twee wachtende families voor ons. Na een half uurtje wordt de kist van Itebeng naar de put gedragen. Voor het laatst herhaalt de priester het verhaal over Noach en de zondvloed. Een vrouw jammert, zijgt neer en begint te hyperventileren. Terwijl de groep een laatste gospel zingt, wandel ik langs de andere graven. Bijna allemaal jonge mensen, geboren in de jaren zestig en zeventig: Florence Makule (06/03/76-17/07/98), Victor Ngaka Gabutse (22/09/69-19/09/98), Bikie Bisto Gosiame (26/04/73-01/06/99), Cynthia M. Ntogwa (24/08/70-26/08/98), Lucia Locki Tsheole (25/05/74-04/02/98), Jimmy Kephe Baruthe (26/08/68-07/10/99), Edith Thari (05/01/72-17/10/99). "In Botswana wordt een hele generatie weggeveegd", zegt Helen, die naast me is komen staan.

Enkele uren later houdt een politieagent ons voor de derde maal in tien dagen tegen. "Rijbewijs, knipperlichten links, knipperlichten rechts, stoplichten, toeter." Vijf kilometer verder passeren we voor de zoveelste maal 'Keep this town clean' en 'Drive safely'. Verdomme, roepen we, ze zouden er beter 'Fuck safely' van maken. Of misschien 'Make love safely', veel mooier en even efficiënt. We begrijpen niet waarom de Botswanen sommige problemen op z'n Scandinavisch aanpakken en ondertussen het aids-gevaar op een bijna pathologische manier blijven negeren. Hoe erg moet het percentage hiv-seropositieven nog stijgen? Tot dertig procent? Vijftig procent?

"Het is geen kwestie van procenten", zegt Moffat Nkgari, die maatschappelijk assistent is in het ziekenhuis van Mochudi, 40 kilometer ten noorden van Gaborone. "Het is de mentaliteit die moet veranderen. Wij distantiëren onszelf van aids, terwijl de ziekte zo dichtbij is. 'Aids is een ziekte voor anderen en niet voor mij', denken velen. 'Mij zal het nooit overkomen.' Er zijn ook veel fatalisten: 'Op een bepaald moment moeten we toch sterven.' Anderen kunnen dan weer niet anders dan het puur economisch te bekijken. Alleenstaande vrouwen met kinderen die voor geld aan seks doen, durven hun geldschieter niet te vragen een condoom te gebruiken. En wat te denken van die vele meisjes die zwanger raken op hun vijftiende? Zij weten amper wat een condoom is." Volgens Moffat moeten vooral de mannen veranderen. "Velen gedragen zich als echte macho's. Vrouwelijke patiënten vertrouwen me geregeld hun bedgeheimen toe. Wat ik dan allemaal hoor! Mannen denken dat vrouwen gedomineerd moeten worden. Als ze seks hebben, is het erop en erover. De vrouwen vertellen me dat ze zelfs geen tijd hebben om een condoom aan te doen." Het machogedrag is volgens Moffat voor een groot deel te wijten aan alcoholmisbruik. "Iemand die dronken is, denkt niet meer aan de lessen seksuele voorlichting. Alcohol verklaart ook waarom er veel huishoudelijk geweld is en waarom zoveel vrouwen verkracht worden. Naar schatting 10 à 20 procent van de gevangenen wordt verdacht van verkrachting."

Ook aids-coördinator in Jwaneng Lena Tumelo zucht als ze het woord 'mentaliteitsverandering' uitspreekt. "De mensen weten wat aids is. Dat kan niet anders. Ze zien mensen voor hun ogen sterven. Maar de echte cultuurverandering moet nog komen. Preventief gedrag, een condoom gebruiken... Het zit er nog niet in. Ook bij de vrouwen is er een probleem. Ik ken er die naar Jwaneng komen om hun diensten aan te bieden aan de goedbetaalde arbeiders van de diamantmijn. Als je wil weten hoe ze dat doen, moet je maar eens gaan kijken naar de beruchte danstent aan de rand van de stad. Wij noemen het 'the spot'. Maar ga niet alleen. Ik weet niet hoe de meisjes zullen reageren als daar plots twee blanke mannen opduiken. Neem een van mijn maatschappelijk assistenten mee."

Niet wetend of we over enkele minuten door hoertjes besprongen of op ons gezicht getimmerd zullen worden, rijden we even later met maatschappelijk assistent Shaka Kediseng naar 'the spot' - een metalen golfplaten barak aan het einde van de stad en het begin van de Kalahari-woestijn. We stappen uit en een tiental meisjes huppelt op ons af. Uitgelaten. We schatten hen niet ouder dan vijftien. Ze blijken vooral geïnteresseerd in onze fotocamera en beginnen te poseren. Eentje laat haar borsten zien en streelt sensueel over het lichaam van een van haar collega's. Als ze vindt dat er genoeg foto's zijn genomen, zegt ze vlotjes 'Now you can have sex with me'. Uitdagend beweegt ze haar ritssluiting op en neer. Haar prijs is laag: 50 pula met condoom, 100 pula zonder. We zeggen dat ze erg mooi is, maar dat we liever nog wat foto's nemen. 'Oké', zegt ze, waarna ze haar broek laat zakken en een plasje in het veld doet. Zodra de meisjes beseffen dat we niet voor seks komen, veranderen ze van hoertjes in pubermeisjes. Ze dollen voor de camera, maken grapjes en lachen met ons.

Drie uur later, als de zon allang onder is, zijn het opnieuw hoertjes. In 'the spot' branden slechts drie lampjes: twee rode en een blauw. In de hoeken staan vier megaboxen waaruit muziek van de populaire band Capricorn galmt: 'Let time pass'. Overal kruipen kakkerlakken rond. Als de muziek stopt, verandert de dj zo snel mogelijk van cassette en dringt het geluid van de generator binnen. Op de dansvloer: de meisjes en enkele jongens van veertien, vijftien jaar. Die tienerjongens komen enkel om te dansen en ze doen dat schitterend. De sfeer is licht en lijkt op die van een schoolfeestje, onschuldig bijna. Maar af en toe komt er een volwassen man binnen. Vooraleer hij begint te dansen kapt hij meestal een liter Chibuku-bier binnen. Chibuku is verschrikkelijk, verpakt in een soort melkkarton van een liter dat je eerst in cirkels moet rondbewegen om het papperige bier min of meer vloeibaar te maken. En zelfs dan smaakt het naar kots. De mannen kijken rond, dansen wat en sommigen gaan naar buiten met een meisje om voor tien minuten in de woestijn en onder de indrukwekkende sterrenhemel te verdwijnen. We schatten de statistische besmettingskans op één op vier.

Wanneer we aanstalten maken om op te stappen, springt Liza, een van de meisjes, op ons af. "Gaan jullie nu al weg? Het begon net leuk te worden." Ze praat wat over haar broer, klaagt over het feit dat de mannen die naar hier komen zich niet wassen en begint zich dan moederlijk zorgen te maken omdat we nog 200 kilometer naar Gaborone moeten rijden. "Wat, moeten jullie nog helemaal naar Gaborone? Meen je dat? Maar dat is veel te gevaarlijk. Het is pikdonker. You're crazy!"

De volgende afleveringen van de serie over aids in Afrika verschijnen op woensdag 1 december en zaterdag 4 december. Koen Vidal is redacteur van De Morgen. Stephan Vanfleteren is fotograaf bij De Morgen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234