Vrijdag 06/12/2019

En wie wordt de nieuwe Petrus?

Ooit was de stelregel dat wie als paus het conclaaf binnentreedt, er als kardinaal weer uitkomt. Ditmaal zijn echter al zowat alle kardinalen in de lijstjes opgedoken. Tenzij ze met een volstrekt onbekende outsider afkomen, h�bt u al gelezen over de nieuwe opvolger van PetrusWat minstens zoveel meetelt als de rationele elementen is de persoonlijke overtuigingskracht, het 'charisma', de doorleefdheid van een kandidaat, en ook de manier waarop en de intensiteit waarmee hij zijn geloof beleeft en uitstraalt

'Tu es Petrus' - 'Jij bent Petrus', zo luidt de feestelijke hymne die gezongen zal worden bij de huldiging van de nieuwe paus. Maar wie wordt het? Wie wordt de opvolger, niet alleen van Johannes Paulus, maar van Petrus zelf? Faites vos jeux, want een spel, dat is het 'gokken op de opvolger' wel.

Walter Pauli

Ze hebben al overal gestaan en ze zullen weer opduiken, de lijstjes met 'de' namen van 'de' kandidaten, die in het Italiaans 'papabile' heten. Er is nochtans één belangrijk verschil met vroeger. Ooit was de stelregel dat wie als paus het conclaaf binnentreedt, er als kardinaal weer uitkomt. Lees: wie vooraf zijn ambitie kenbaar maakt of al te duidelijk naar voren geschoven wordt, verzamelt meestal te veel tegenstand en haalt het dus niet. Ditmaal kan dat haast niet kloppen, omdat iedere kardinaal al zowat overal is opgedoken. Tenzij de kardinalen zich in waarlijk exceptionele mate laten inspireren door de Heilige Geest, en met een volstrekt onbekende outsider afkomen, hébt u al gelezen over de nieuwe opvolger van Petrus.

Ook de kardinalen weten dat. In 1978 zat het nog allemaal anders in elkaar. Toen was er veel minder informatie beschikbaar. Met als gevolg dat veel kardinalen de pocket van de Amerikaanse journalist Gary Mac Eoin in hun valies hadden: The inner elite. Dossiers of papal candidates, kwestie van zich niet te laten verrassen door te stemmen op een kandidaat die ze eigenlijk niet kennen. Vandaag ligt het moeilijker. Er is meer informatie beschikbaar over alle kardinalen dan ooit tevoren. Wat het gecompliceerd maakt, is dat er veel meer kandidaten zijn. Van de ongeveer 200 kardinalen zijn er 117 die nog mogen meestemmen. Die aantallen liggen niet vast: kardinalen zijn welhaast per definitie bejaard en dus sterven er regelmatig.

Dat is trouwens de grootste en historisch wellicht belangrijkste fractie: de overleden papabili. Tientallen kardinalen gingen ooit door voor mogelijke opvolgers van Johannes Paulus II. Alleen leefde de paus zo lang dat hij veel van die mogelijke troonopvolgers zelf overleefde. Zo werd 'onze' kardinaal Jan Schotte ooit als een ernstig kandidaat-pausopvolger genoemd, omdat hij als secretaris van de synode heel veel invloed had op bisschoppen overal ter wereld. Onverwachts overleed de 77-jarige Schotte begin dit jaar, kort na zijn provinciegenoot Gustaaf Joos. En zo heeft West-Vlaanderen - en België - nog maar één pauskiezer: Godfried Danneels.

Jarenlang gold ook John O'Connor als een ernstige outsider. O'Connor was de kardinaal van New York, een tegenhanger overigens van Joseph Bernardin van Chicago. Bernardin was een 'liberal', tegen StarWars, tegen de Reaganomics ook. O'Connor, een oud-legeraalmoezenier, was een geboren conservatieve Republikein. "Soms heb ik de paus aan de ene lijn en de president aan de andere", grapte hij ooit, "Dan zeg ik: wacht u even, mister president, een dringende oproep van my boss." Het Engelstalige kamp verwachtte jarenlang erg veel van kardinaal Basil Hume, de ook al vrij liberale aartsbisschop van Westminster. Ze stonden alledrie hoog in de hitlijsten, maar ze stierven allen aan kanker: Bernardin op zijn 68ste in 1996, Hume op zijn 76ste in 1999, O'Connor op zijn 80ste in 2000.

Sommige bekende en beloftevolle kardinalen overleefden deze paus fysiek, maar niet meer 'politiek', omdat ze te oud zijn om nog als paus verkozen te kunnen worden. Hoewel, zeg nooit 'nooit': Angelo Roncalli was ook 76 toen hij tot Johannes XXIII werd verkozen. Maar toen was het college van kardinalen een echte gerontocratie: Pius XII had verzuimd nieuwe kardinalen te benoemen, zodat de keuze van de 76-jarige Johannes XXIII er al bij al een voor een 'youngster' was.

Met de energie hem eigen is Johannes Paulus II nieuwe kardinalen blijven benoemen, zodat er tientallen vijftigers, zestigers en zeventigers 'ter beschikking' zijn. Dat maakt de keuze van een tachtig- of negentigjarige paus hoogst twijfelachtig, maar natuurlijk niet onmogelijk. Maar hoe invloedrijk of charismatisch ook, de tijd lijkt voorbij voor de minzame Nederlander Jan Willebrands, de man van de oecumene en de toenadering tussen de godsdiensten. Ook gevangen door zijn leeftijd is Achille Silvestrini, een van de weinige invloedrijke Italianen met credits bij progressieve katholieken, een man met cultuur en een ruime blik, te danken aan zijn werk als 'minister van Buitenlandse Zaken' van het Vaticaan. Maar Silvestrini is inmiddels 82, dus te oud.

Dat is ook het geval met een paar haast legendarische kardinalen uit de derde wereld. Dappere verdedigers van de volkskerk en de bevrijdingstheologie als de Braziliaan Evaristo Arns (°1921), emeritus-aartsbisschop van São Paulo, of zijn landgenoot Aloisio Lorscheider (°1924), emeritus van Fortaleza, hebben hun tijd gehad. Misschien dat Jaime Sin van Manilla, veel rechtser en conservatiever dan de twee Brazilianen, maar ooit even hardnekkig in zijn verzet tegen de dictatuur (van Marcos) in zijn land, nog een beetje een kans maakt. Hij is 'slechts' 77, al lijkt ook Sin een man wiens invloedrijkste jaren achter hem liggen.

Zelfs Carlo Maria Martini is wellicht te oud geworden. Martini, de beroemde aartsbisschop van Milaan, de jezuïet die op handen werd gedragen door zoveel katholieken die zich niet helemaal herkenden in de kerk van Johannes Paulus, de man die doorging voor de ideale mix van intellectueel en inspirator, die Martini is ook al 78. Zijn gezag is groot, zijn prestige ook, maar hij leeft, na zijn emeritaat, al een tijd teruggetrokken, in gebed. Een comeback maken als paus, past dat wel?

Maar wie dan wel? Er zijn verschillende manieren van indelen, maar meestal draaien ze om de indeling 'progressief, conservatief en gematigd'. Het is een wat dwaze opdeling, want de vraag wordt zo niet alleen gesteld, en de variatie is veel rijker. Een poging tot nuance, tot een betere vraagstelling.

Een Italiaanse paus? Tot voor Johannes Paulus II leek deze vraag niet aan de orde: het was immers een vanzelfsprekendheid. Een paus wás een Italiaan. Met Karol Wojtyla lag die zekerheid ineens aan diggelen. Meer, als er nu een Italiaan gekozen zou worden, zou dat snel uitgelegd worden als een vorm van restauratie. En toch. De laatste jaren is er een merkwaardige comeback bezig van Italiaanse papabile. Dat komt zo. Na de verkiezing van Johannes Paulus II waren de Italianen niet alleen een beetje démodé, ze werden een jaar of vijftien later zelfs compleet verdacht. De meeste belangrijke Italiaanse kardinalen hadden, in de stijl van hun land, immers op een of andere manier banden met de Democrazia Cristiana (DC), de machtige partij van Giulio Andreotti en co.

Toen in de schandalenstorm van de vroege jaren negentig die partij uit elkaar spatte en alle topfiguren voor de bijl gingen, sleurde de DC in haar val ook veel Italiaanse kardinalen mee. De dikke Michele Giordano (°1930) van Napels, bijvoorbeeld, werd openlijk verdacht van banden met de maffia. Zelfs Camillo Ruini (°1931), de vicaris van Rome, een man die desondanks als papabile werd genoemd - hij was het conservatieve alternatief voor Ratzinger - had zijn Italiaans-christelijk verleden tégen zich: wat toch een hoogst opmerkelijk feit genoemd mag worden.

Maar DC is geschiedenis, in alle opzichten. Berlusconi en zijn Forza Italia zijn nu al zo lang ingeburgerd dat ook de Italiaanse kardinalen uit hun quarantaine kunnen komen. Bovendien zijn er een paar die én welbespraakt, én behoorlijk conservatief, én zonder uitzondering hoogst intelligent, tactisch onderlegd zijn. Mannen dus om in de gaten te houden. De peetvader van die generatie is Biffi (°1928), de zeer reactionaire aartsbisschop van het voorts zeer rode Bologna. Met zijn 77 jaar is hij zelf wellicht te oud, maar hij was een van de eerste Italianen die zich weer op het voorplan werkten.

Biffi heeft vandaag het gezelschap van Dionigo Tettamanzi (°1934). Ooit was ook Tettamanzi een rechtse stokebrand, maar hij heeft ingezien dat dit profiel hem wel bekendheid bracht, maar ook veel tegenstanders opleverde. Hij is dus gemilderd, en geldt vandaag als een 'rechter middenvelder'. Hij blijft een neus hebben voor de media: Tettamanzi is vandaag antiglobalist en een verdediger van aan aids lijdende kinderen. Zijn curriculum ziet er hoe dan ook excellent uit: eerst aartsbisschop van Genua, daarna 'gepromoveerd' naar Milaan, na Rome het belangrijkste bisdom van Italië, vol prestige (zowel Pius XI als Paulus VI waren aartsbisschoppen van Milaan toen ze werden verkozen), als opvolger van Martini.

Maar er zijn nog andere Italianen met renommé. Tarcisio Bertone (°1934) heeft ook een biografie om u tegen te zeggen. Hij werd naar het Vaticaan gehaald om er bij de congregatie voor geloofsleer de rechterhand van Joseph Ratzinger te zijn. Johannes Paulus II liet hem 'het derde geheim van Fatima' onthullen. Hij werd daarna naar Genua gestuurd, als opvolger van Tettamanzi, volgens insiders om er extra pastorale ervaring op te doen.

En ook de andere Italianen doen het weer goed, zelfs de oudere Marco Cé (1925), de oud-patriarch van Venetië, of de jongere Angelo Scola (1941), de huidige patriarch. Scola heeft oog voor de ontwikkelingen in het Oosten, helemaal in de Byzantijnse traditie van zijn stad, en dat doet zijn kansen stijgen.

Het grote woord is eruit, 'pastoraal'. Dat staat dan in tegenstelling tot 'curiale' kardinalen, mannen die vooral in Rome ervaring opdeden. Pastorale kardinalen hebben praktijkervaring opgedaan buiten het Vaticaan: dat moet hen meer levenswijsheid opbrengen, meer realisme, dat eist ook enige kunde in de omgang met de gewone gelovigen, de media, kortom, de buitenwereld.

Veel van die pastorale kardinalen bezetten ook zetels met historische renommé en uitstraling. Godfried Danneels (°1933) van Mechelen-Brussel is de opvolger van ook in Rome legendarische klinkende namen als Leo-Joseph Suenens en Désiré Mercier. Net zoals zijn voorgangers is hij, in de context van het college der kardinalen, een gezaghebbend figuur van de 'open' of 'rekkelijke' tendens; Danneels zelf gruwt van de term 'links' of 'progressief', twee etiketten die trouwens niet bij hem passen. Maar hij staat wel open voor de samenleving van vandaag, dat heeft hij in België voldoende bewezen.

Maar maakt hem dat een kandidaat? In veel buitenlandse biografieën over Danneels spreekt men van zijn wankele gezondheid. Dat verwijst naar zijn hartproblemen van vroeger. Operatief ingrepen heeft die last helemaal weggenomen, maar het etiket blijft. Een andere kritiek op Danneels is dat hij te weinig charismatisch is; "Hij geeft een slap handje", schreef een gezaghebbend Brits journalist ooit. Door zijn opvallende en ook moedige tussenkomsten op de synodes van bisschoppen is Danneels echter een bekend man, een naam met ervaring, en toch niet te oud. Of Danneels een echte pauskandidaat is, blijft afwachten.

Dat hij een zogenaamde 'kingmaker' is, staat buiten kijf: een man wiens mening beluisterd wordt, iemand die telt, iemand - je bent een Belg of je bent het niet - die ook de kunst der diplomatie onder de knie heeft, nodig in het discreet samenbrengen van opinies, inzichten en, ultiem, van stemmen.

Invloed, dat kenmerkt veel pastorale kardinalen. De wat behoudsgezindere Ad Simons (°1931) bezet de zetel van Utrecht. Jean-Marie Lustiger, emeritus van Parijs, is algemeen gekend, maar wellicht trop Jean Paul om een nieuwe paus te kunnen zijn. José Da Cruz Policarpo (°1936) lijkt te progressief; hij zegende ooit het huwelijk van een communistische ex-priester persoonlijk in. Veel meer kans heeft Cormac Murphy-O'Connor (°1932) van Westminster. De man heeft de naam van 'centrumlinks' te zijn, maar schrikt er niet voor terug soms flink conservatieve stemmen te winnen, en dat is meestal een betere combinatie dan een rechtse kandidaat met af en toe een progressieve noot. Hij leeft trouwens op goede voet met de anglicanen in zijn land, wat een pluspunt is. Een absolute vedette in dit rijtje is Christophe Schönborn (1945) van Wenen, een toptheoloog, een conservatieve rakker die het evenwel goed kan uitleggen in de media. Een Duitssprekende die evenwel geen Duitser is, en van aristocratische afkomst. Oostenrijk kent geen keizerskroon meer, maar een tiara zou hem wel passen.

Verder zijn er nieuwe namen, zoals een Bernard Panafieu (1931) van Marseille, of Georg Pell (°1941) van Sydney, of de hier en daar als 'supertip' genoemde Marc Ouellet (°1937) van Quebec. Ouellet is een Ratzinger-boy maar met de wereldse geest die veel Canadezen kenmerkt. Jean-Claude Turcotte (°1936) van Montréal is nog opener. Maar samen zijn ze een duo om in de gaten te houden: de gematigd-conservatieve Ouellet en de gematigd-progressieve Turcotte. Een apart geval is de Canadees Aloysius Ambrozic (1930) van Toronto, die zich belachelijk maakte in zijn strijd tegen de Teletubbies - de 'homogeaarde' Tinkie-Winkie, weet u wel - maar applaus kreeg toen hij de oerconservatieve priester Somerville schorste, de spiritueel adviseur van Mel Gibsons The Passion of the Christ.

De curie is de naam van de in het Vaticaan gevestigde bestuursinstellingen, de kerkelijke 'ministeries' zeg maar. Wie hieruit komt, heeft én bestuurservaring, én een belangrijk relatienetwerk. Vandaar dat veel curiekardinalen hoog scoren op allerlei lijstjes. Joseph Ratzinger (1927) vindt men overal terug, de geduchte prefect van de congregatie voor geloofsleer. Het kan. Maar ook: Ratzinger is oud, Duitser, heel erg onbuigzaam - hij toonde zich een paar keer nog strenger dan Johannes Paulus II, zeker in kwesties van de oecumene - en heeft een hoge stem. Soms heeft men het over de ervaren Nigeriaan Francis Arinze (°1932) van de congregatie voor erediensten of de Fransman Paul Poupard (1930), maar de eerste heeft zijn huidskleur tegen, de tweede zijn nationaliteit en zijn ambitie.

Neen, als er al namen genoemd worden, dan zijn het weer die Italianen uit de curie. Nummer één is Giovanni Battista Re (1934) van de machtige congregatie voor de bisschoppen. Diplomaat geweest, dus kent de wereld. Maar ook waakhond in de curie, dus betrouwbaar. En nu onderstaatssecretaris, een zeer machtige functie, vergelijk het met 'minister van Binnenlandse Zaken'.

Ook vaak genoemd: Crescenzio Sepe (1943), de man van de Vaticaanse missiecongregatie, die de halve derde wereld afgereisd heeft. Zo jong Sepe is, zo oud is Angelo Sodano (1927), jarenlang staatssecretaris of 'eerste minister' van het Vaticaan, maar wel vooraan in de running als men naar een overgangspaus op zoek zou zijn. Als, want Johannes Paulus II heeft een zwak einde gekend, en was sinds 2000 zowat zijn eigen overgangspaus geworden. Jean-Louis Tauran (1943), uit Frankrijk, jarenlang de eerste assistent van Sodano, wordt soms genoemd als pauskandidaat, maar meer nog als de opvolger van Sodano, de nieuwe 'eerste minister' dus.

Er zijn twee kenmerken die de kerken en de kardinalen van de Verenigde Staten en Duitsland gemeen hebben. Het gaat om kerken die groot en rijk zijn. Het gaat om kerken uit landen die én economisch én politiek dominant zijn. Vandaar dat de kardinalen uit die landen ook dominant zijn: ze hebben de cultuur van hun land mee en de bankrekening van hun diocees (met name Keulen en New York hebben de reputatie bijzonder goed bij kas te zitten). En ze hebben dat ook allemaal tegen.

Een paus moet immers met grote onafhankelijk van geest zijn invloed kunnen uitoefenen. Amerikaanse of Duitse pausen krijgen altijd het verwijt dat ze uit hun land komen. Dat ondergraaft de kansen van een oneindig lange rij kardinalen. Amerikaanse pausen hébben geen gezag - nooit - in grote delen van Azië, worden wantrouwend bekeken in Europa, hebben van voor hun verkiezing al de naam imperialist te zijn. Bovendien hebben de seksschandalen met priesters verwoestend huis gehouden in de VS: als er een Amerikaan paus wordt, gaat de pers daar meteen op zoek naar een klacht van seksuele intimidatie door een priester die de betroffen paus naast zich neergelegd zou hebben.

Hoe beloftevol ook, dit is de exit van Edward Egan (°1932) van New York, van Francis George (°1937) van Chicago, van William Keeler (°1931) van San Antonio, van Roger Mahoney (°1936) van Los Angeles, een man die geboren werd te Hollywood, van Adam Maida (°1930) van Detroit (Maida is trouwens van Poolse afkomst, wat hem al helemaal zou uitrangeren) van Theodor McCarrick (°1930) van Washington of van Justin Rigali (°1937) van Philadelphia.

De Duitsers hebben dat ook, zij het in mindere mate. Duitsland heeft in theorie zowel conservatieve als progressieve kopstukken. Joachim Meisner (°1933) uit Keulen, maar daarvoor uit Berlijn, is de behoudsgezinde man, de man van de nieuwe evangelisatie. Hij schuwt het conflict niet, ook niet binnen de kerk. Bij de beruchte zaak van de 'katholieke adviesbureaus bij abortus' kwam hij regelrecht in aanvaring met kardinalen Walter Kasper (°1933) en Karl Lehmann (°1936) van Mainz. Lehmann is een bekende tegenstander van het celibaat, een meerderheid van kardinalen is nog altijd voor, of durft voorlopig niet anders dan dat te zeggen. Georg Sterzinksy (°1936) van Berlijn is van Poolse afkomst, net als Maida is dat dus 'dubbel pech'.

Hetzelfde nadeel, benadrukken vooral de hun eigen kandidaten kansloos achtende Duitse en Amerikaanse media, kleeft aan Spanjaarden en Fransen. Nu hebben die twee laatste groepen weinig 'grote kanonnen' in stelling te brengen. Spanje heeft vooral veel gepensioneerde kardinalen, zoals curiebons Eduardo Martinez Somalo (1927), met de tamelijk progressieve Carlos Amigo Vallejo (1934) van Sevilla als uitzondering. Frankrijk maakt een wisseling van de wacht door.

Het is de logica der dingen: na de eerste niet-Italiaanse paus in eeuwen, de eerste niet-Europese paus ooit. En, bij eventuele uitsluiting van de Verenigde Staten, komt men snel aan een paus uit de derde wereld. Helaas vallen die in twee groepen uiteen, zeggen zelfs de zogenaamd intelligentste waarnemers. Die met een donkere huidskleur, en die met een lichtere huidskleur. De donkeren hebben een nadeel. Iemand als Razafindratandra uit Madagaskar (1925) ook zijn leeftijd, én zijn naam. Niet dat het niet zou kunnen, zegt 'men', een zwarte paus, maar het lijkt nog een brug te ver. Als er al een Afrikaan paus wordt, zou dat Christian Wigyghan Tumi (1930) uit Kameroen kunnen zijn, een man van groot prestige uit een land dat niet te veel negatief in het nieuws komt.

Maar bijvoorbeeld een kardinaal uit Latijns-Amerika of India, continenten waarvan de zegsmannen al een grote rol bij het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) speelden, dat moet wel kunnen. Als er iemand is dat die ook vindt, is dat de veelgeciteerde papabile Oscar Andres Rodrigues Maradiaga van Tegucigalpa uit Honduras. "Waarom geen kardinaal uit Zuid- of Centraal-Amerika", zei die zelf. Dat was niet verstandig, want wie slim is, én veel vrienden heeft, laat dat een van de vrienden zeggen. Dat komt beter over. Het zou doen vermoeden dat onze Oscar beide kwaliteiten onbeert. En wie ooit in Honduras zelf geweest is, kan met eigen ogen zien dat de kardinaal geen antwoord vond op wat katholieken protestantse 'sekten' noemen, maar meestal gewoon protestantse kerken zijn.

Hij zou concurrentie kunnen krijgen van zijn regiogenoot Rodolfo Quezada (1932) uit Guatemala, die zich inspant voor de mensenrechten. Jorge Mario Bergoglio (1936) van Buenos Aires, een man die wars is van alle protocol, zou ook niet kansloos zijn. Net zomin als Claudio Hummes (1934) van São Paulo, een franciscaan die conservatief is inzake pro-life-kwesties (hij is tegen condooms) en progressief in sociale kwesties (hij verdedigde de landloze boeren): zijn naam staat in ieder lijstje.

Op die lijstjes, voor wat ze waard zijn, staat ook de naam van Oscar Scheid (1932) van Rio de Janeiro: die is wel voor condooms, zo liet hij weten op het beruchte carnaval van zijn stad. Hier en daar heeft iemand het over Lozano Barragan (1933), een Mexicaan die in Rome werkt en sociaal-progressief is. De Cubaan Jaime Lucas Ortega y Alamino (1936) zou een Latijns-Amerikaanse Wojtyla kunnen zijn.

Twee Latijns-Amerikanen vallen hopelijk uit de boot, twee curiekardinalen ook: de schrikbarend conservatieve Venezolaan Alfonso Lopez Trujillo (1934) - hij verkiest bevrijdingstheologen boven choco als boterhambeleg - en Dario Castrillon Hoyos (1929) van Colombia. Die laatste is een boef. Hij bedreigde ooit wijlen Penny Lernoux, een moedige maar kritische kerkjournaliste: "U hebt kinderen, niet? Zou u niet wat opletten?" In de crapuleuze Colombiaanse context is dat bij-zon-der verregaand.

Een apart figuur is Placidus Telesphore Toppo (°1939) uit India, de aartsbisschop van Ranchi en een man die tot de etnische minderheid van de Kurukh hoort. Hij heeft een intense belangstelling voor sociale strijd en is een van de kardinalen (net als Schönborn, trouwens) die zijn inspiratie vindt bij de Focolare-beweging, een van die zogenaamde 'nieuwe' bewegingen die onder Johannes Paulus II voet aan de grond kregen in het Vaticaan.

Johannes Paulus II is een Pool, een man dus met veel aandacht voor Oost-Europa, en dat uitte zich ook in zijn benoeming van de kardinalen. Nooit werden er zoveel Polen kardinaal, nooit ook werden er zoveel inwoners van het voormalige Oostblok tot die rang verheven. Maar precies omdat Johannes Paulus II zo'n dominante paus is geweest, lijkt het weinig waarschijnlijk dat er een nieuwe paus uit Oost-Europa komt. Volstrekt kansloos lijken de Polen, zoals de oudere en kleurloze Jozef Glemp (°1929), die de zusters-karmelietessen trouwens niet weg kreeg/wilde uit Auschwitz, wat hem totaal onaanvaardbaar maakt. Ook Zenon Grochelewski (°1939), de prefect van de Romeinse congregatie voor het onderwijs en vertrouweling van Johannes Paulus II, Franciszek Macharski (°1927) van Krakau, de sowieso te oude vriend van Wojtyla, zullen hun landgenoot niet opvolgen.

Het verzwakt eveneens de kansen van Audrys Juozuas Backis (°1937) van Litouwen, van Peter Erdö (°1952) van Esztergom-Boedapest, van Lubomyr Husar (°1933) en Marian Jaworski (°1926), beiden van Lviv, de eerste van de Grieks-katholieke, de tweede van de Roomse ritus, van Vinko Puljic (°1945) van Sarajevo. Zelfs een man met groot prestige als Miloslav Vlk (°1932) van Praag is zo goed als kansloos.

Zelfs zonder The Da Vinci Code zou het een opschudding van formaat zijn, mocht er een paus verkozen worden die lid is van de intrigerende katholieke organisatie Opus Dei. Aan Opus Dei kleeft de reputatie van katholiek integrisme en het verwijt dat de organisatie ooit generaal Franco steunde. Maar Opus Dei was ook een oogappel van Johannes Paulus II. De kopstukken ervan zijn goed geïntegreerd in het Vaticaanse netwerk, en dat ze gelovig en ijverig zijn, staat buiten kijf.

In het college van kardinalen zijn er zo twee: een curiekardinaal, de Spaanse canonist Julian Herran, en een met pastorale ervaring, de Peruviaan Cipriani Thorne (1943) van Lima, die de wereldpers over zich heen kreeg vanwege zijn 'bemiddelingsrol' bij de gijzeling van de Japanse ambassade in zijn land, een paar jaren terug, een zaak die een bloedige afloop kende. Voorstanders roemden Cipriani Thorne om zijn moed, tegenstanders verweten hem onder een hoedje te hebben gespeeld met de veiligheidsdiensten. Dat speelt weer niet in zijn kaart.

Maar er is iets anders. Hoe kansloos ze ook zouden zijn, door het wantrouwen dat hoe dan ook rond Opus Dei hangt, toch bieden de twee Opus Dei-mannen iets 'extra's'. Herranz is een bergbeklimmer en een dichter; zijn dichtbundels liggen in veel Romeinse en Spaanse boekenwinkels. Cipriani Thorne was een getalenteerde basketbalspeler: meermaals international van zijn land, nam hij deel aan de Olympische Spelen van Tokio (1964). Anders gezegd: ze hebben een verhaal.

En dat is een van de belangrijkste kenmerken van de pausen van deze eeuw. Hoezeer men hen kon verwensen, niemand kan ontkennen dat het markante persoonlijkheden waren, mannen met 'een verhaal'. Zelfs de meest kleurloze onder hen, de onfortuinlijke Albino Luciani, had een boek van imaginaire brieven gepubliceerd aan beroemde figuren uit de wereldgeschiedenis.

Valt er zo iets ook te zeggen over Godfried Danneels van Kanegem? Dat is de achterzijde van de constructie hierboven: het zijn 'rationele' argumenten. Maar wat minstens zoveel meetelt, is de persoonlijke overtuigingskracht, het 'charisma', de doorleefdheid van een kandidaat, en ook - het is namelijk een pauskeuze - de manier waarop en de intensiteit waarmee hij zijn geloof beleeft, en uitstraalt. Die aspecten zijn veel minder bekend bij de lijstjesmakers, veel moeilijker op te nemen ook. Dat maakt alle lijstjes onvolledig, zelfs blind, en wel wat twee van de essentieelste elementen betreft: de intieme persoonlijkheid en het persoonlijk beleefde geloof.

Zelfs de meest katholieke lezers onder u moeten ze dus echt niet geloven. De 'lijstjes', dat is het wegen en wikken. Iets anders is het beschikken.

Bron: Robert Dulmers, Wachten op witte rook. De opvolging van Johannes Paulus II.@407 DM Interview (b):Dionigo Tettamanzi:

'rechter middenvelder' met neus voor de media.@407 DM Interview (b):Tarcisio Bertone:

rechterhand van Ratzinger.@407 DM Interview (b):Angelo Scola:

oog voor het Oosten.@407 DM Interview (b):Godfried Danneels:

de 'rekkelijke'.@407 DM Interview (b):Cormac Murphy -O'Connor:

rechts met een links randje.@407 DM Interview (b):Christophe Schönborn:

vlotte aristocraat.@407 DM Interview (b):Joseph Ratzinger:

de godfather.@407 DM Interview (b):Giovanni Battista Re:

waakhond van de curie.@407 DM Interview (b):Crescenzio Sepe:

man van de missies.@407 DM Interview (b):Placidus Telesphore Toppo:

Indiër van de sociale strijd.@407 DM Interview (b):Miloslav Vlk:

Oost-Europese outsider.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234