Maandag 25/01/2021

En toen werd alles grijs

Sinds het bezoek van Johan Sauwens aan een vereniging voor oud-oostfronters is in Vlaanderen de discussie over de Tweede Wereldoorlog weer geopend. Ook los van dat incident leeft de oorlog als nooit tevoren in het boekenaanbod: vooral in Nederland, maar ook in België. Het meest omstreden boek, Grijs verleden, behandelt een nog altijd cruciale kwestie: hoe slecht was 'fout', hoe juist was 'goed', hoe donker 'zwart', hoe helder 'wit', en alle schakeringen daartussen.

Walter Pauli

Chris van der Heijden

Grijs verleden. Nederland en de Tweede Wereldoorlog Contact, Amsterdam/Antwerpen, 470 p., 950 frank.

Martin Gilbert

Nooit meer. De geschiedenis van de holocaust

The House of Books, Vianen, 192 p., 920 frank.

Weinig boeken hebben in Nederland meer ophef gemaakt dan Grijs verleden van historicus Chris van der Heijden (1954). Nochtans lijkt een Vlaams publiek al jaren vertrouwd met zijn centrale stelling: tijdens de Tweede Wereldoorlog was er weliswaar een goed en een fout kamp, maar de meeste mensen bevinden zich ergens daartussen, in een grote grijze zone. Ze probeerden te overleven en hadden het bovendien tijdens de oorlog minder kwaad dan achteraf werd beweerd - in allerlei sterke verhalen, maar ook door ernstige historici. Van der Heijden verwoordt dat gedrag met een variant op de wapenspreuk van de provincie Zeeland: 'Luctor et emergo' ('Ik worstel en ik kom boven') wordt 'Ik dobber en ik blijf drijven'. Dat drukt volgens Van der Heijden precies uit wat zoveel Nederlanders tijdens die oorlogsjaren hebben gedaan: het beste maken van de ondankbare omstandigheden, en vooral niet te veel de held uithangen, zonder zich daarom evenwel te bezondigen aan echt 'fout' gedrag. Tegelijk viseert Van der Heijden de belangrijkste Nederlandse historici van de oorlogsperiode, in de eerste plaats Lou de Jong, die met zijn veertiendelige Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog een min of meer 'officieel' beeld van Nederland heeft geschetst, een vorm van geschiedschrijving die er geen geheim van maakt dat de collaborateurs afkeurenswaardig zijn en dat het verzet het bij het rechte eind had. Van der Heijden doet De Jongs werk af als een vorm van therapeutisch schrijven voor de generatie die de oorlog nog zelf heeft meegemaakt, en wil nu een werk schrijven volgens de regels van de kunst. Dat wil zeggen: neutraal, objectief, met zin voor nuance. En daarin is geen plaats voor zwart-witbeelden.

Nu dient gezegd dat Van der Heijden wel erg ver gaat in zijn op het eerste gezicht aannemelijke wens tot nuance. In zijn hoofdstuk over de collaboratie schrijft hij: "iedere collaborateur is een ander geval", en op dat inzicht baseert hij zijn boek. Maar door haast iedere systematiek te ontkennen en te vervangen door een hoogst geïndividualiseerde kijk op het verleden bepaalt hij natuurlijk vooraf het resultaat van zijn onderzoek. Anders gezegd: als je premisse is dat er per definitie nauwelijks een 'fout kamp' bestond, dan is de kans groot dat je vierhonderd pagina's later concludeert dat je geen strak afgelijnde goede en foute kampen hebt aangetroffen.

Na publicatie van Van der Heijdens boek was het hek van de dam. De Nederlandse intelligentsia polariseerde zowat in twee kampen. Zijn fans, waaronder historicus H.W. von der Dunk, roemen het boek om zijn oproep tot nuance, de tegenstanders verketteren het omdat het het debat over de Tweede Wereldoorlog bewust zou vertroebelen. Het verst gingen Leon de Winter en Jessica Durlacher. Die wierpen Chris van der Heijden voor de voeten dat hij geen juiste geschiedenis over die periode kon schrijven, omdat hij nu eenmaal de zoon van een foute Nederlander is, en dus door zijn afkomst en opvoeding voorbestemd is tot foute vooronderstellingen. Dat extreem deterministische standpunt, dat recente geschiedenis reserveert voor de biologische erfgenamen van verzetslieden, was niet alleen de domste kritiek, maar toonde meteen hoe extreem gevoelig de Tweede Wereldoorlog in Nederland ligt.

En, laten we eerlijk zijn, niet alleen ginds, maar ook in Vlaanderen. Met het bezoek van Johan Sauwens aan het Sint-Maartensfonds kwam de Vlaamse bijdrage aan de Waffen-SS weer in de politieke actualiteit te staan.

Dat stelde al bij al nog weing voor in vergelijking met de heisa van een paar jaar terug, toen het hele gerechtelijke apparaat werd gemobiliseerd voor de plechtige herziening van het proces van de geëxecuteerde Irma Laplasse, een boerenvrouw uit een collaboratiegezin uit de kuststreek die in de allerlaatste oorlogsdagen een actie van het plaatselijke verzet (waarbij haar zoon gearresteerd werd) aan de Duitsers verklikte, met een onbehoorlijk aantal doden tot gevolg. Vijftig jaar na haar executie kreeg Irma Laplasse strafvermindering, namelijk levenslang. Om maar te zeggen: Nederland is niet het enige land waar het debat over de Tweede Wereldoorlog de passies soms ongerijmd hoog doet oplaaien, in de eerste plaats bij intellectuelen, publicisten, schrijvers en politici, mensen die zich er graag op laten voorstaan zich meer te laten leiden door ratio dan door passie.

Het Nederlandse debat dat Van der Heijden met zijn boek opwekte is deels typisch Nederlands, deels universeel - vandaar ook het grote belang voor het Vlaamse publiek. Typisch Nederlands, omdat een groot deel van de Nederlandse publieke opinie in zijn beoordeling van de Tweede Wereldoorlog zowat dezelfde houding aanneemt als bijvoorbeeld de Franstaligen in België: ze hebben grondig 'afgerekend' met de collaboratie. Mussert staat in Nederland even laag aangeschreven als Degrelle in Luik en omstreken, collaboratie wordt strak afgelijnd tot het NSB (Nederland) of Rex (Wallonië), en maatschappelijk heerst er een absolute consensus dat deze groep 'totaal fout' zat. Een uitvloeisel daarvan zijn de nog altijd scherpe antihouding tegenover extreem-rechts, zowel in Wallonië als Nederland, en de verwondering van zowel zuider- als noorderburen over het succes van, én de omgang met, het Vlaams Blok in Vlaanderen. Want Vlaanderen bevindt zich dan weer aan het andere uiterste: door de nauwe verbondenheid tussen Vlaams-nationalisme en collaboratie heeft een groot deel van de publieke opinie van meet af aan geweigerd collaborateurs zomaar in het 'foute' kamp te stoppen. Vlaanderen moet ook een van de weinige Europese regio's zijn waar repressie een dermate negatieve bijklank heeft gekregen.

In die zin is het debat dat Chris van der Heijden in Nederland voert, voor een Vlaamse lezer oude koek: hij kent deze argumentatie onderhand wel. Terwijl in Nederland nu pas duidelijk wordt wie wint en wie verliest bij die stelling: als de werkelijkheid grijs is, heeft dat als consequentie dat veel 'zwart' een stukje witter wordt (dit kamp 'wint' er dus bij), en dat 'wit' van zijn maagdelijkheid inlevert en morsiger, zo niet 'zwarter' wordt (hier bevinden zich de verliezers).

Maar toch is de thematiek van Grijs verleden erg universeel. De vraag is fundamenteel: in hoeverre kun je 'nuchter' zijn. Want, hoezeer Van der Heijden ook wenst dat een en ander inzake de oorlog gerelativeerd wordt, hoe verklaart hij de stroom boeken met een of ander detail uit de Tweede Wereldoorlog als onderwerp? De laatste maanden verschenen er, in Vlaanderen en Nederland samen, minstens een stuk of tien. Hoe bijvoorbeeld relativeren bij een werk als Nooit meer. De geschiedenis van de holocaust van Martin Gilbert? Goed, bemerkingen maken mag - moet - altijd, bijvoorbeeld dat Gilbert de concentratiekampen duidelijk te exclusief als een joodse zaak ziet. Maar hoe hier grijstinten aan te brengen? Natuurlijk kan het: niet alle joden in de kampen waren helden. Maar kun je ook zeggen dat niet alle kampbewakers schoften waren? En de dokters? En de leden van de executiepelotons? Tot waar kun of mag je gaan?

Vraag is of Van der Heijden die discussie interessant vindt. In ieder geval baalt hij van heel wat van die boeken, en dat schrijft hij ook. In Grijs verleden schimpt Van der Heijden op "de santenkraam" aan literatuur over de Tweede Wereldoorlog, bijeengebracht door "halve collega's, autobiografen, interviewers, archivarissen, huismoeders, studenten en gepensioneerden". Het is in dit soort passages dat Van der Heijden zijn eigen betoog ondergraaft dat hij een 'juist' beeld van de oorlog wil, wars van alle clichés. Wat kan hij er dan op tegen hebben dat er meer details belicht raken, die uiteindelijk meer inzicht zullen opleveren? Of wil hij gewoon dat er voortaan wat minder gezeurd wordt over een periode die, als alles toch grijs is, eigenlijk niet de moeite waard is om zozeer te belichten? Nogmaals uit zijn inleiding: "De vraag is of de Tweede Wereldoorlog in de komende jaren dezelfde plek toebedeeld zal krijgen als, zeg, de bezetting door de troepen van Napoleon of de aloude ruzies met de Fransen en de Spanjaarden." Een niet vooringenomen lezer verstaat daar toch onder de wens dat de Tweede Wereldoorlog gededramatiseerd wordt - wie windt zich vandaag nog op over Napoleon? - en dat men zo tot een juister inzicht komt. Vraag is of eerder het omgekeerde niet waar is, dat uitgerekend de Tweede Wereldoorlog de periode is die tot de beste - want tegelijk meest gedocumenteerde én meest doorleefde - geschiedschrijving heeft geleid.

Een voorbeeld, uit het verre verleden, dus beveiligd tegen iedere polemiek. In de klassieke humaniora staat nog altijd De bello Gallico van Julius Caesar op het programma, waarin pubers uit de mond van Caesar zelve leren hoe hij de barbaren versloeg en vrede bracht. Ook de gewone geschiedenisboeken zijn nog altijd schatplichtig aan die visie, en leren hoe de Romeinen hier voor een paar eeuwen vrede en welvaart hebben gezorgd. Maar klopt dat beeld wel? De Leuvense hoogleraar André Van Doorselaer schetste ooit in zijn opstel 'De Romeinen in België en Nederland' een ander beeld van Caesars campagne. Hij sprak van "een vloedgolf van vernietiging, uitmoording en deportatie (53.000 Aduatuci als slaven verkocht)", en legt uit: "Na de nederlagen van de laatste Gallische opstandelingen verdwijnen de Eburonen en de Aduatuken uit de geschiedenis. De prijs van de 'Gallische Oorlog': een 800-tal versterkingen zijn gevallen, een 300-tal stammen onderworpen, één miljoen doden en één miljoen gevangenen op drie miljoen bevochten vijanden, een forse aderlating bij de vitale bevolking. Dat is misschien mede oorzaak van een vrij lange vredesperiode, waarin slechts lokale moeilijkheden voortkwamen." Probeer het u eens voor de geest te halen: een miljoen doden. Hoe het verhaal van die mensen voorstellen? Hoe de geschiedenis van die periode correct weergeven? Door de nadruk te leggen op 'grijs' - niemand stoort zich vandaag nog aan Caesar, en wat kunnen ons die Eburonen schelen - of door een schildering te maken met best wat witte en zwarte accenten?

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234