Dinsdag 01/12/2020

OpinieOthman El Hammouchi

En toen kwam Grunberg met een zin die inslaat als een moker

Othman El Hammouchi.Beeld Wouter Van Vooren

Othman El Hammouchi is auteur van Lastige waarheden en activist voor religieuze vrijheid.

Nationale Dodenherdenking is net voorbij in Nederland. Dat gaat gepaard met ceremonies en toespraken ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. De speech van koning Willem-Alexander maakte veel indruk, en terecht. Het getuigde van een diepe menselijkheid. Maar wat me vooral zal bijbleven is de lezing die Arnon Grunberg uitsprak in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.

Hij worstelt met de vraag waar iedere gewetensvolle mens gedoemd is mee te worstelen: hoe was Auschwitz mogelijk? Hoe is het kunnen gebeuren dat Duitsland, de meest beschaafde en geavanceerde natie van Europa, op enkele jaren tijd is vervallen in moderne barbarij? De Holocaust stelt ons voor filosofische en theologische vragen waar we nog steeds geen bevredigend antwoord op hebben. Waar was God toen dit allemaal gebeurde? En hoe kunnen we ooit nog vertrouwen op een Verlichting die onder zijn vruchten de vreselijke machinerie telt waarmee de uitroeiing van een heel volk werd ondernomen.

En toch moeten we ze steeds opnieuw aansnijden, omdat hun herinnering het voornaamste is wat de vlam der beschaving brandende houdt. Grunberg waarschuwt ons voor het wegkijken, het onkoppelen, de verschoning. Het is verleidelijk om de verschrikkingen van de Oorlog te zien als iets wat ons volkomen vreemd is, een relikwie uit een andere wereld. Dat is het niet. De Duitsers die de NSDAP aan de macht brachten en haar bevelen trouw uitvoerden waren in de regel geen duivels of psychopaten. Hannah Arendt beschreef Adolf Eichmann, een van de architecten van Holocaust, als ‘vrij gewoon, alledaags, niet demonisch noch monsterlijk’. De massamoordenaar als saaie ambtenaar: het ultieme symbool van de banaliteit van het kwaad.

Dat gewone mensen tot zoveel kwaad in staat zijn, vinden we onbegrijpelijk. Het activeert een verdedigingsmechanisme in ons. Wij zouden zoiets toch nooit kunnen doen? De tragedie lag echter niet voornamelijk bij de Duitsers die actief meededen, maar bij het veel grotere aantal dat wegkeek. Dat zijn job niet wilde verliezen. Dat zijn bevoegdheden niet te buiten wilde gaan. Dat conflict vermeed en liever meevoer met de stroom. Dat besloot omstaander te zijn. En nadien wist niemand van iets. Zoals Gustave Gilbert, de Amerikaanse psycholoog belast met het onderzoeken van de hoogste oorlogsmisdadigers, verbijsterd uitroept in de docudrama Nuremberg: ‘Is there nobody in this country that will take responsibility for anything?’

De gewone Duitser was slechts een minuscuul rad in een immense machine geworden, gebonden aan bureaucratische procedures in een afgebakend domein, afgeschermd voor de gruwelen in de kampen door uitvoerige geheimhouding. Hij was zijn menselijkheid niet kwijtgeraakt, maar had geleerd wanneer hij die best voor zich hield. In de beruchte Poznantoespraken, een van de weinige keren dat de Holocaust expliciet werd beschreven, sprak Himmler de volgende veelzeggende woorden:

‘Ik verwijs nu naar de evacuering van de Joden, de uitroeiing van het Joodse volk. Het is een van die dingen die gemakkelijk gezegd zijn. “Het Joodse volk wordt uitgeroeid,” zegt elk partijlid, “dit is zeer duidelijk, het staat in ons programma”. En dan verschijnen ze, 80 miljoen respectabele Duitsers, en ieder heeft zijn degelijke Jood. Ze zeggen dat alle andere zwijnen zijn, maar deze hier is een uitstekende Jood.’

De gewone Duitser kon zijn menselijke scrupules omzeilen, omdat hij niet deze of gene Jood moest haten, maar dé Jood, een archetype, der ewige Jude. Haat is gemakkelijk wanneer het gericht is tegen een abstractie. En zo’n abstractie krijgt vorm door taal, door een discours, zoals Grunberg vaststelt. Door politici die dagelijks herhalen: het is de schuld van de Jood, van de allochtoon, van de moslim. Zelfs in corona-tijden. Tot die kreet een hypnotische incantatie is geworden die miljoenen in een fanatieke razernij weet te brengen.

En dan komt Grunberg met een zin die als een moker inslaat: ‘Voor mij was het van begin af aan duidelijk: als ze het over Marokkanen hebben, dan hebben ze het over mij’.

Het verhaal dat we hier vertellen, gaat namelijk niet alleen over het verleden. Het is brandend actueel. Vandaag zien we de rehabilitatie en normalisering van dezelfde haat als weleer. Politici die van bevolkingsgroepen politieke problemen maken die ‘opgelost’ moeten worden. En ook vandaag zijn er wegkijkers. ‘Zij mogen toch een andere mening hebben?’. Of de ergste: ‘Je moet het van beide kanten bekijken’. Grunberg weet beter: ‘Bepaalde taboes hebben zich geleidelijk aan na 1945 met goede redenen in onze cultuur genesteld; de taboebreuk is niet altijd een bevrijding, soms is die taboebreuk slechts een terugval’.

De enige uitweg is medelijden. Schopenhauer dacht in navolging van de boeddhisten dat heel het leven uit lijden bestond, en dat de moraal als zijn fundament gedeeld leed had. Voor Schopenhauer hoort medelijden letterlijk mede-lijden te zijn. Wanneer iemand spreekt over dé allochtonen, dé moslims, dé vrouwen, dé transgenders, dan mag ik mijn gezicht niet afwenden in de opgeluchte wetenschap dat ik niet betrokken ben. Integendeel. Ik moet begrijpen dat hij het ook over mij heeft. Hun leed is mijn leed. Wegkijken is geen optie.

‘Op het einde zullen we niet de woorden van onze vijanden onthouden, maar de stilte van onze vrienden.’

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234