Woensdag 13/11/2019

En plots ben je nergens meer thuis

Ze zitten in het park, of hangen rond in het station, maar vaker nog zijn ze onmerkbaar aanwezig, figuren tussen anderen, niet per se slecht gekleed of onverzorgd, maar eerder verveeld, kruiswoordpuzzels oplossend, worstelend met bagage, de warmte zoekend van een bibliotheek. Wie ze zijn weet misschien niemand, maar over enkelen leest u hier.

Hij is in de vijftig. Hij had vroeger al iets met daklozen. Hij kende er enkelen, omdat hij ook wel eens in het parkje voor het Gentse Sint-Pietersstation zat, waar in de warmere maanden enkele dak- en thuislozen rondhangen. Als je hem tot drie maanden geleden had gezegd dat het iedereen kan overkomen, had hij dat waarschijnlijk schouderophalend beaamd. Hij had, hij heeft, vast werk. Hij legt asfalt op 's lands wegen. Hij werkt al tientallen jaren voor dezelfde baas. Hij woont, woonde, alleen in een studiootje.

En toen liep het fout. Enkele maanden geleden verloor hij op weg naar huis het bewustzijn. Hij werd wakker in het ziekenhuis, waar pas na enige tijd duidelijk werd wat hem was overkomen. Hij had een infarct gehad, en moest gedotterd worden. Hij woog te veel, rookte te veel. Hij lijdt aan slaapapneu, een ademhalingsstoornis tijdens de slaap. Dat alles heeft bijgedragen tot de malaise.

Terwijl hij bewusteloos op straat lag, is hij beroofd. Zijn geld, zijn bankkaart en zijn papieren waren verdwenen.

Na drieëneenhalve week werd hij uit het ziekenhuis ontslagen, en kon hij, dacht hij, nog ruim een maand thuis herstellen. Maar toen hij voor zijn deur stond, ontdekte hij dat de sleutel niet langer in het slot paste, en dat alle bewoners vertrokken waren. Het gebouw was ontruimd wegens brandonveiligheid. Niemand had hem gewaarschuwd (de huisbaas beweert dat er wel is verwittigd, maar de verwittiging was in ieder geval niet doorgedrongen). Hij had zelfs nog netjes, met automatische opdracht, de huur betaald voor de niet langer toegankelijke studio.

Ineens stond hij op straat. Het OCMW kon niet veel beginnen tot zolang hij geen papieren had. De bank had al evenzeer papieren nodig om een nieuwe kaart te verstrekken. Als Nederlands staatsburger moest hij die papieren in Berchem gaan halen, op het consulaat van zijn land.

Hij logeerde enige dagen in de jeugdherberg. Daarna kwam hij in de nacht- opvang terecht, tussen andere daklozen. Over de faciliteiten is hij lovend, en ook over het inloopcentrum waar ik hem ontmoet en waar hij delen van zijn dag doorbrengt. Het samenwonen met de andere daklozen is niet altijd gemakkelijk. Sommigen zijn dronken, of stoned, ze maken lawaai of ze zijn verward. Hij is niet bestolen maar hij is toch een beetje op zijn hoede en heeft al geleerd dat geld dat hij aan lotgenoten uitleent, niet wordt terugbetaald.

Over enkele dagen zal hij een nieuwe studio betrekken. Waar andere daklozen langdurig in dakloosheid blijven hangen, slaagde hij erin, weliswaar door intensief te zoeken, snel nieuw onderdak vinden. Het hielp dat hij geen hoge eisen stelde. Het hielp vooral dat hij een baan had, en zijn werkgever om de borg kon vragen. Begin januari gaat hij weer aan de slag, wat niet zo gemakkelijk had gekund zonder eigen dak. Het zou wellicht helemaal niet kunnen.

Had hij die relatief korte periode van dakloosheid niet kunnen overbruggen door bij vrienden te logeren?

Met zijn familie heeft hij al lang niet zoveel contact meer. Hij had misschien bij zijn vriendin kunnen logeren, maar hij verkoos van niet. Hij heeft haar zelfs niet gezegd dat hij dakloos is. "Ik ben niet zo'n binnenloper", zegt hij.

Vaak volgen mensen een ander parcours, worden die opvangmogelijkheden binnen familie en vriendenkring wel eerst uitgeput alvorens ze schaars worden en nog slechts sporadisch voorhanden zijn. Of iemand trekt in bij een vriend/vriendin, het loopt fout en met de relatie eindigt ook het onderdak. Een investering blijkt na faillissement in rook opgegaan, maar de lening moet wel nog worden afbetaald. Of er gebeurt wat ergers, ziekte, fysiek of mentaal, verslaving, sterfte in de omgeving. Een auto-ongeval en vrouw en kinderen komen om. "Op straat leven is niet aangenaam, maar je familieleden gaan identificeren - dat is hard."

De man die het vertelt, deed er een jaar over om na het ongeval van een uitkering te leven en dakloos te worden. Hij houdt zijn dakloosheid al elf jaar vol. Hij is soms lastig. Hij houdt zich niet aan de regels. Zijn vrienden daklozen klagen daarover, dat hij zich niet wast, dat hij zijn identiteitskaart verliest en niet opnieuw aanvraagt, dat hij het bed dat hij in de nachtopvang heeft besteld mist omdat hij niet tijdig ter plekke raakt (de nachtopvang sluit om 22 uur), en liever op café blijft rondhangen en zich dan ergens enkele uren te slapen legt alvorens het café weer opengaat. Hij doet alsof het hem niet kan schelen. "Ze kunnen allemaal mijn kloten kussen." Hij herhaalt dat enkele keren. Hij wil van niemand afhangen. Dat zegt hij ook. Hij probeert er vrolijk bij te blijven.

Er is bijna altijd een periode van relatieve normaliteit geweest.

Een vrouw, ook in de vijftig, heeft gewerkt als directiesecretaresse. Na een mislukt huwelijk en enkele andere dingen die fout gingen, die ze, preciseert ze, zelf fout had gedaan, was ze teruggevallen op een leefloon. Ze begon een relatie met een blijkbaar nogal impulsieve en onhandige crimineel, die in de gevangenis belandde. Ze bewoonde een stu- diootje, maar toen de eigenaar het gebouw in studentenkoten wou opdelen, kwam zij op straat terecht.

De verbouwing was niet de enige reden voor haar dakloosheid, maar het was wel een belangrijke factor. Ze moest weg, ze vond een alternatief waar ze na korte tijd ook weer buiten moest, hoopt, na bijna een jaar, opnieuw op iets wat permanenter is dan de nachten in de nachtopvang, en eindeloze dagen in het station. Ze is eens bestolen - door een andere dakloze, denkt ze. Ze houdt zich afzijdig van de anderen. Ze zoekt een rustig plekje, haar plekje, zelfs in dakloosheid. Ze mijdt de dagopvang, onder meer omdat ze zich stoort aan het gedrag van de andere daklozen. Dakloosheid brengt behalve verveling - wat doe je een hele dag? - ook vermoeienis. Je valt moe in slaap, maar je slaapt nooit echt rustig, zegt ze. Dat zijn haar eerste doelen: eens echt uitrusten, ongestoord, en dan zichzelf trakteren op een etentje. Ze kan zich niet herinneren hoelang het geleden is dat ze iets echt lekkers gegeten heeft.

Er zijn vormen van dakloosheid. Ben je al dakloos als je tussen vrienden pendelt? Is degene die in een garagebox woont dakloos? Is degene dakloos die in een auto verblijft? Slechts weinigen leven echt permanent op straat. Men zoekt beschutting. Sommigen maken welbewust geen gebruik van de nachtopvang. Ze kunnen niet overweg met anderen die er komen. Of ze klagen dat de temperatuur er te hoog is, de ramen niet open kunnen, of niet voldoende open kunnen, dat de deuren op slot gaan. Ze krijgen er het gevoel ingesloten te zitten. Of ze hebben een paar keer geen plaats gevonden en proberen het niet langer. Zij die wel van daginloop en nachtopvang gebruik maken, klagen over de weekends - dan is er geen daginloop - en vooral over de periodes tussen 16 uur, wanneer de dagopvang ophoudt, en 21 uur, wanneer de nachtopvang begint. Dat zijn de problematische uren, de uren op de dool.

Er wordt over getwist of de zomer dan wel de winter het ergste seizoen is. Een man die vaak buiten slaapt: "In de winter word ik om vier uur wakker van de kou, in de zomer word ik om vier uur wakker van de muggen." Hij huurt een keer of twee per maand een hotelkamer om zich helemaal schoon te kunnen schrobben.

Het is moeilijk, als ik een dakloze koortsig, miezerig, snipverkouden, buiten zie staan, om te argumenteren dat het in de zomer erger is. Maar in de zomer zijn de faciliteiten minder voorhanden, is er minder sympathie van niet-daklozen, en is het probleem van de stank, de hygiëne, veel acuter.

Er zijn de eenzaten en de socialen - zij die in groep opereren. Er zijn echte vriendschappen, mensen die, als ze onderdak geraken, de cameraderie van de daklozen missen en hun oude lotgenoten blijven opzoeken.

Er zijn de ongewone problemen. "Probeer je vriendin maar eens de deur uit te zetten als je geen deur hebt", zegt iemand. Hij bedoelt het grappig, maar het is ook echt een probleem. Relaties op straat hebben een eigen dynamiek.

Hij is niet langer dakloos. In het voorjaar kreeg hij een woning toegewezen, via de versnelde procedure voor daklozen. Hij was wat ongerust of hij het zou volhouden. Hij had zich geoefend door voordien in een garagebox in te trekken. Dat was soms het probleem geweest bij vorige woningen - dat hij op de vlucht sloeg. Zo woonde hij eerder in een studiootje met gemeenschappelijke keuken en douche. Zijn studio lag op het gelijkvloers, en boven zijn hoofd zat de trap, die leidde naar nog vijf of zes kamers. Over die trap traden ontelbare voeten. Hij werd tureluurs van het geluid van de voeten op de trap.

De studio met de gekmakende trap had hij opgegeven om bij een vriendin in te trekken. Dat is dikwijls zijn aanloop tot dakloosheid geweest: bij een vriendin intrekken, soms bij een buitenlandse vriendin. Er komt dan een breuk en hij staat op straat. In dit geval "waren we allebei redelijk aan het gebruiken". Ze praatten op elkaar in en gingen samen naar een afkickcentrum.

Zij verliet vroegtijdig het centrum, en stierf wat later aan een overdosis. Hij maakte de kuur af, en heeft het gebruik afgebouwd. Hij drinkt nog wel zijn pintjes.

In afwachting dat het toegewezen appartement beschikbaar kwam, bewoonde hij de garagebox waarin hij enkele meubelen had opgeslagen. Het was een box zonder elektriciteit en zonder water, op een kalme plek. Hij bleef gewoon eten waar hij als dakloze had gegeten, zich wassen en de was doen waar hij dat vroeger had gedaan.

In de box kwam hij tot rust, hij sliep er goed, een ene keer te goed. Mensen in de aanpalende box hadden hun auto laten draaien. Hij was bijna door de walmen gestikt, maar had net op tijd alarm kunnen slaan.

"Ze hebben zich wel tien keer geëxcuseerd."

Na de garage volgde de toegewezen woning. "Het was een zware aanpassing. Ik zit graag op straat, ik ben een straatloper. Ik was bang dat, als de woning zou tegenvallen, ik opnieuw aan het gerief zou geraken."

Maar ze viel mee. Op de woning was niets aan te merken, ze was gerenoveerd, met dubbel glas, met alle comfort, en nog betaalbaar ook. "Nu ben ik het gewoon en het is fantastisch."

De nieuwe omgeving maakt het hem makkelijker om niet te gebruiken. Hij wijst naar een man die aan het inloopcentrum voor daklozen staat en die drugs dealt. "Ik weet dat ik morgen spijt heb als ik vandaag gebruik. Sinds augustus heb ik twee keer gebruikt. Iedere dag dat ik niet gebruik is een overwinning. Dat zit in mijn achterhoofd. Ik heb het onder controle, zelfs als ik drink. Ik houd het vol. Ik ben niet slecht bezig."

Waarom komt hij eigenlijk nog naar het inloopcentrum?

Hij vindt de mensen die er werken sympathiek, de sfeer is er goed, het eten is goedkoop. Hij kent er iedereen.

Zijn jaartelling is een beetje roestig maar hij schat dat hij alles bij elkaar tien jaar echt dakloos is geweest, en dat hij daarnaast nog een jaar of vijf bij vrienden heeft gelogeerd. "Ik heb leren overleven." Hij heeft diefstalletjes gepleegd, in de gevangenis gezeten.

Er zijn allerlei redenen aan te duiden voor de dakloosheid, maar het waren in zijn geval toch vooral de drugs. Hij had ooit een vrij normale periode, waarin hij als zelfstandige een winkel in tweedehandsjuwelen probeerde uit te bouwen. Hij had eerder al voor anderen brocante gekocht en verkocht. "Ik ben altijd een sjacheraar geweest." Met de tweedehands juwelen werd het niets. Hij zat op het moment dat hij met de zaak begon zwaar aan de cocaïne, en als hij geen geld had om de dealer te betalen, nam hij gewoon kettinkjes uit de etalage om te ruilen voor spul. "Ik bestal mezelf, zo kunt ge geen zaak opbouwen."

Het grootste probleem op straat, zegt hij, is hygiëne. "Als je aan het gerief zit, voel je niet dat je vuil bent. Pas als je afkickt, begint het te jeuken."

"Ik heb dikwijls in voetbalkantines, scoutskantines, ingebroken. Meestal zorgde dat niet voor problemen. Ruitje ingeslagen, niets gestolen. Als ge dat dan uitlegt, begrijpen mensen dat wel: dat ge ergens moet slapen. Soms werd de politie erbij gehaald. Ge kunt dat niet blijven doen zonder tegen de lamp te lopen." Mensen zijn over het algemeen vrij schappelijk. "Misschien heb ik geluk gehad." Van de andere kant: "Ik ben ook eens met stenen bekogeld." In Lissabon was dat, een van de locaties waar de liefde hem bracht.

"Ik heb in de krant gelezen dat mensen die op straat geleefd hebben gemiddeld vijftien jaar minder lang leven. Dat geloof ik zo."

"Ge leert op straat leven. Het is vooral overleven. Het is soms spannend, maar van de andere kant: de hele dag met uw rugzak rondlopen - dan zit ik liever in mijn appartementje. Het is ook duurder, op straat wonen. Goed, ge betaalt geen huur, maar ge kunt niet koken, ge moet alles kant en klaar kopen."

Momenteel leeft hij, als hij de huur en de kosten heeft betaald en nog aan een schuld heeft afbetaald, van ongeveer tien euro per dag. Dat lukt.

Hoe hij zijn toekomst ziet?

Hij zou het wel zien zitten nog eens een relatie te hebben "met iemand die op dezelfde golflengte zit en me af en toe een schop onder mijn kont geeft - want dat heb ik wel nodig. Maar vriendinnen komen niet aan de deur bellen om zich voor te stellen. Doorgaans toch niet." Op café gaan om een lief te vinden is duur. "Ik overweeg me in te schrijven in een sportclub."

Hij zou ook wel willen werken, al was het maar omdat hij dan minder zou drinken.

Maar zelfs zonder is hij al heel tevreden met zijn huidige situatie.

"Ik wrijf iedere dag in mijn handen."

Schenk een maaltijd aan de vierde wereld.

SMS 'HONGER' naar 4545 en doneer €1.

Rudi Rotthier woonde de afgelopen maanden in de Gentse Rabotwijk. In de column 'Elyzeese velden' berichtte hij wekelijks over het alledaagse leven in de buurt. Vandaag schrijft hij bij wijze van slot een langer verhaal.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234