Dinsdag 04/08/2020

En avant la musique

Indien alle mensen die beweren dat ze naar Klara luisteren ook écht naar Klara zouden luisteren, dan was Klara ongetwijfeld de populairste zender uit het rijke VRT-radioaanbod. Een kut van een openingszin, ik weet het, maar ik vond geen betere en er schuilt bovendien ook een grond van waarheid in. Nu, ikzelf luister erg weinig naar Klara, maar ik hou er wel veel van. Dat heb ik onlangs nog eens zelf kunnen vaststellen toen ik inging op het vriendelijke verzoek van Kurt Van Eeghem om gast te zijn in zijn fijne nieuwe programma Les compagnons de la chanson.

Daarom zaten we dus op een koude woensdagochtend twee uur lang samen in een studio aan de stemmige Reyerslaan en deden we alsof we op een gezellige zaterdagavond bij het haardvuur aan het aperitief zaten, terwijl de canard à l'orange onderwijl in de bakpan lag te blinken.

Kurt is nog steeds every inch de gentleman die ik nu alweer bijna veertig jaar geleden leerde kennen in een café bij het station van Berchem-Antwerpen, waar ik voor jonge reporter speelde en hij voor aanstormend cabaretier. Behalve bittere armoede en grote levenshonger deelden we ook toen al een grote liefde voor alles wat met theater en muziek te maken had en ik moet ruiterlijk toegeven dat ik meteen doorhad dat Kurts smaak veel breder ging dan de mijne. Terwijl wat ik écht graag hoor eigenlijk nog steeds terug te brengen is tot het geluid dat oude negers en bleke Britse barden maken, is er in zijn hoofd altijd plaats geweest voor zowel Bach als The Beatles, voor Brel en Bourvil, voor het Amsterdamse levenslied én de Italiaanse opera.

Ik bewonder die openheid van geest bij Kurt ten zeerste en ook bij andere vrienden en vriendinnen van mij die de ene avond in de jazzkroeg staan en de andere bij de filharmonie, die platen kopen van artiesten uit landen waarvan ik het bestaan zelfs niet vermoed, die zowel van belcanto houden als van de gelijknamige Guido.

Zelf beschik ik maar in beperkte mate over het DNA van de muzikale homo universalis. Elvis, Thelonious Monk, Mozart, Ella Fitzgerald, Umberto Tozzi, Dutronc, Dylan en Amália Rodrigues, ze staan wel allemaal samen broederlijk in mijn kast, maar de ene komt er wat vaker uit dan de andere, beken ik. En de keren dat ik naar de opera ga, betrap ik er me toch op dat ik iets vaker op mijn polshorloge kijk dan bijvoorbeeld ter gelegenheid van het recente KV Mechelen-Anderlecht.

Tijdens de opnamen voor Les compagnons de la chanson heb ik zo goed als niet op mijn horloge gekeken omdat de twee uur die ik daar doorbracht in een vingerknip voorbij waren en ik gaandeweg aan den lijve ging ondervinden dat ik op tijd en stond wel erg veel liefde voel voor een goede Franse deun. Wat ongetwijfeld te maken heeft met het feit dat ik opgegroeid ben in de Hoofdstad van Vlaanderen waar, om redenen buiten mijn wil, de meeste mensen zich sedert ruim honderd jaar in de dagelijkse om- gang vooral van de taal van Molière bedienen.

Mijn liefde voor het Frans heeft vast ook te maken met de lichte hekel die ik koester tegenover de slaafse onderworpenheid van de modale Vlaming aan de Angelsaksische cultuur. Bizar is ook dat er ondertussen al twee, drie generaties Vlamingen rondlopen die helemaal vervreemd zijn van onze mooie, tweede landstaal, welke in bepaalde milieus alleen nog omschreven wordt als een ziekte ('de verfransing') of een natuurramp ('de olievlek').

Nu, mocht ik vandaag jong zijn en tevens enige artistieke drang in mij voelen opwellen dan zou ik niet meteen inchecken voor een vlucht naar Los Angeles, die overigens niet voorhanden is op Brussel-Nationaal, maar eerder op een Eurostar stappen naar Londen, of liever nog op een Thalys naar Parijs.

Ha Paris! Ik ken de stad nu al ruim tien jaar langer dan ik Kurt Van Eeghem ken en zodra ik de Gare du Nord buiten loop en er aan de eerste de beste zinken comptoir mijn eerste petit noir nuttig, voel ik de affectie die ik voor die stad koester ineens alweer als een warme sjaal rond mijn nek slaan. Ik heb die liefde voor de lichtstad van mijn vader die soms op de zilveren treinen van de Trans Europe Express als douanebeambte werkte en mij op jonge leeftijd al eens stiekem meenam voor zo'n dagje wereldstad.

Daar hoorde ook muziek bij en die kwam ons gratis en voor niks aangewaaid vanuit de vele bistro's en cafés die wij op onze wandelingen door Montmartre, langs Les Halles of tot diep in de Rive Gauche bezochten. Mijn pa dronk er altijd Picon vin blanc en ik niets of als het buiten koud was een chocolat chaud.

Piaf, Ferré, Greco, Aznavour, Brassens, ik kende hun hele repertoire zonder dat ik het zelf besefte en ik hield er ook meer van dan ik toen dacht. Gelukkig mag het nu weer ongeremd, plotseling.

Ik hoorde op Allerheiligen zowaar Montands 'Les feuilles mortes' op Radio 1, en ik zag in de ijzersterke Brel-aflevering van Belpop hoe Montand en Aznavour de Vlaamse huiskamer toespraken en vooral met hoeveel oprechte liefde dat programma gemaakt was.

Ik heb ook met zeer veel plezier geluisterd naar Un premier amour, een zeer fraai uitgegeven nieuwe cd van the artist formerly known as (Patrick) Riguelle waarop die met een stel topmuzikanten - zeg maar De Laatste Showband meets De Mens - zijn tanden zet in enkele fransozenklassiekers alsook sterk eigen werk uit zijn hoed tovert. Binnenkort in een theater près de chez vous, bovendien.

Zie dat ze van uw dochters blijven!

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234