Woensdag 11/12/2019

'Elk groot schrijver heeft iets van een psychopaat'

"Voor ik 's ochtends naar de lagere school kon, moest er een uur lang worden gereciteerd. Idem dito na terugkeer. Tekenfilms kijken of andere leuke dingen, het kon allemaal wachten tot de koranieke taak was volbracht. Op een bepaald moment kende ik een hoofdstuk of 33 uit mijn hoofd.

"Het vreemde is dat ik de enige van de zeven kinderen ben die aan deze beproeving werd onderworpen. Waarom toch? Later legde mijn moeder uit dat ze bang was dat ik het Arabisch zou vergeten. Wees blij om die verplichte inspanning, zei ze, anders was je toch nooit Arabische literatuur gaan studeren? Misschien. Maar ik ben wél een afvallige geworden. Het is door dat boek dat ik heb ontdekt dat God niet bestaat.

"De Koran is het meest gewelddadige werk dat ik ken, met een stampende metriek en verzadigd van dreigementen en bevelen tot blinde gehoorzaamheid. En dan al die behandelingsvoorschriften. Er kan geen ander werk bovenop worden gelegd, je mag de Koran niet aanraken met ongewassen handen, enzovoort.

"De Koran boezemt in gelijke mate angst en ontzag in en het heeft zo ongeveer tot mijn 19de geduurd voor ik die twee kon scheiden. Nu stemt het me jolig te zien dat de Braziliaanse schoonmaker bij het opruimen in volstrekte onwetendheid een plastic varkentje op Het Boek heeft gezet. Het staat er nog steeds."

Economie van het woord

Zo rond zijn 12de begint Bouazza te lezen. In de bibliotheek ontdekt hij het werk van twee Amerikanen, Fredric Brown en Ray Bradbury, die zowel sciencefiction als krimi's en fantasy schrijven. "Ik verslond verhalen als Nachtmerrie in grijs, Nachtmerrie in groen of de bundel Hé, wat doen de sterren raar (Nederlandse vertaling, 1971). Ook het allerkortste stuk uit de hele literatuur is van hem. Het staat in de bundel Space on My Hands (1953) en gaat als volgt: 'De laatste man op aarde zat alleen in zijn kamer. Plotseling werd er op de deur geklopt...' Geweldig. Met twee zinnen zet hij een hele wereld neer. Vorig jaar heb ik die boeken in een opwelling herlezen. Geloof me of niet, maar ik kon me het gros van de verhalen nog herinneren.

"Brown is een ware grootmeester van het korte verhaal. Hij verplichtte zichzelf om er elke dag één te schrijven en kent als geen ander de economie van het woord en van de plot. In een kort verhaal telt elke zin, je kan je geen stoplappen veroorloven.

"Brown was een voorbeeld voor mij, voor het jongetje dat toen net verhalen begon te schrijven. De liefde voor dat genre is gebleven. Als een kort verhaal echt goed is, heeft het een geweldige impact. Noem het een literaire vorm van DMT, de drug die de grenzen tussen jezelf en de wereld laat vervagen in een trip van een minuut of tien. Heel erg aan te raden."

Als het bij Brown om de precisie en de trefzekerheid gaat, dan staat Bradbury voor de verrukking. "Goede literatuur, zo leerde ik, is een overweldigende ervaring, ze laat je geen andere optie dan te worden meegevoerd. Mijn absolute favoriet was Something Wicked This Way Comes (1962)."

Het verhaal, dat verwijst naar een citaat uit Shakespeares Macbeth, gaat over een sinister reizend circusgezelschap dat op een gure oktoberavond een kleine Amerikaanse stad aandoet. Centraal staan twee jongetjes, de avontuurlijke, roekeloze Jim Nightshade en de veel zachtaardiger Will Halloway. "Niemand kan de nacht beter beschrijven dan Bradbury. (...) Something Wicked This Way Comes is doordrenkt van duisternis, elk personage is een flard van de nacht", zo schreef The Guardian kort na de auteurs dood vorig jaar op 91-jarige leeftijd.

"Bradbury was erg zintuiglijk en hij kon zich totaal verplaatsen in de fantasie en gedachtewereld van een kind van 12. Echt niet te geloven. Ook zijn werk heb ik herlezen, met evenveel plezier als toen."

Omstreeks diezelfde tijd ontdekt Bouazza de wereld van Sheherazade. "Het begon met de door Ab Visser bewerkte verhalen, waarvan ik achteraf zag dat ze in veel gevallen niet met het oorspronkelijke werk overeenstemmen. Ik herinner me nog dat het net voor de kerstvakantie was dat ik Alle verhalen uit 1001 nacht (1984) op de kop tikte en meteen een wereld ontdekte waarvan ik het bestaan niet vermoedde. Zelfs de illustraties zie ik nog voor me, ik heb ze destijds stuk voor stuk nagetekend.

"Later was het de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges die me met zijn bundel El Aleph (1949) daarnaar terugleidde. Het titelverhaal gaat over een spiegel waarin het hele universum te zien is, het is een mooi embleem voor duizend-en-een-nacht en evengoed voor de literatuur in het algemeen. 'Toen ben ik naar de universiteitsbibliotheek van Rotterdam gegaan, waar ik een vierdelige Arabische versie vond uit 1822. Die bevatte tot mijn verbazing ook erotische passages. "Het is door dit manuscript - vergeet de Koran - dat ik literair Arabisch heb geleerd. Woord voor woord, eerst gewoon op mezelf en dan later aan de universiteit, zij het dat ik die studie nooit afmaakte.

"Het merkwaardige aan die verhalen is dat het vertrekpunt altijd realistisch is: een berooide man, een lastdrager, een dakloze... Maar algauw kom je terecht in een paleis of in een magische grot en nochtans heb je als lezer op geen enkel moment het gevoel dat er iets niet klopt. De verhalen worden op een andere manier verteld dan in de westerse literatuur. Ze zijn analytisch noch psychologisch diepgravend. Altijd weer is de hoofdrol weggelegd voor het noodlot, dat iedereen - prins of pauper - kan treffen. En daaruit vloeit voort dat de held geen man of vrouw met persoonlijke daadkracht is maar louter iemand die door het lot wordt begunstigd.

"Bovendien is er veel aandacht voor de beschrijving, van bijvoorbeeld mooie jonge vrouwen. Het is erg lyrisch, zij het dat de portrettering doorgaans erg geijkt is. Zo hebben aantrekkelijke deernes altijd de ogen van een ree en een huid zo blank als room."

Betoveringskracht

Bouazza maakt zijn studie van de klassieke Arabische literatuur misschien niet af, maar vanaf 2005 publiceert hij tal van vertalingen. Hij vat het plan op om een Arabische Bibliotheek samen te stellen, met Schoon in elk oog is wat het bemint (2005, vertalingen van klassieke Arabische liefdesgedichten van de 7de tot de 12de eeuw), gevolgd door De zon kussen op dit nachtuur (2006), Om wat er nog komen moet (2006) en Niets dan zonde (2012).

Het betreft geen etnische literatuur want die bewondert hij niet. Waar het de schrijver-vertaler om gaat zijn de individuele werken van individuele kunstenaars. "De gedichten", zo schrijft hij in een voorwoord, zijn te expliciet "om erotisch te worden genoemd", wat doet vrezen voor liederlijke vunzigheid. Maar daarin verzandt Bouazza niet. "Het wemelt van de gigantische pikken, de reusachtige kittelaars, de hete flamoezen en de puberachtige snoeverij", meent een Nederlandse recensent, "maar de deprimerende humorloosheid en het fantasieloze gerepeteer van porno ontbreekt hier geheel en al. Dit is pure, gevoelige, aanstekelijke poëzie."

De zinnelijke Bouazza. Nochtans, als jongeman ging hij nooit op de versiertoer. "Daar was ik te verlegen voor. Terwijl anderen achter meisjes aanzaten, bleef ik thuis. Lezend, schrijvend, tekenend. Ik was best wel een nerd. Maar ik heb mijn schade later in Amsterdam ruimschoots ingehaald."

Als hij een jaar of 16 is, leest Bouazza op aanraden van zijn vier jaar oudere broer Heer, vrouw, boer (1928) van Vladimir Nabokov. De boer uit de titel is een arme neef uit de provincie van de heer, een warenhuiseigenaar in het Berlijn van de jaren twintig. Hij ontmoet hem en zijn vrouw in de trein naar de Duitse hoofdstad en krijgt na aankomst een baantje in hun zaak. Het duurt niet lang of hij heeft een verhouding met de vrouw en samen vatten ze het plan op om haar echtgenoot te vermoorden.

"Voor mij staat dit gelijk met de ontdekking van de betoveringskracht van de roman. Het antigif tegen de Koran ook. De manier waarop Nabokov het mannelijke lid en de transformatie van het vrouwelijke hoofdpersonage Martha beschrijft, is ronduit verbluffend. Dit is literatuur als één langgerekt orgasme. Kijk, je hebt schrijvers die de wereld stofferen met woorden en je hebt er die de wereld opnieuw scheppen met woorden. Nabokov behoort tot de laatsten.

"Later zeiden critici dat hij heel erg in mijn werk doorklinkt. Ik geloof dat we de wereld op dezelfde manier zien en met hem ben ik ervan overtuigd dat elk groot schrijver iets heeft van een psychopaat.

"Bovendien toonde Nabokov me hoe belangrijk humor is, het vernuft waarmee hij de lezer op het verkeerde been kan zetten, vind ik weergaloos. Ik blijf zijn boeken herlezen, altijd weer. Weinig anderen hebben zijn picturaliteit en kunnen me op die manier ontroeren."

Ingehouden passie

Op zijn 26ste komt Bouazza als een exotische vlinder de Nederlandse literatuur binnengefladderd met De Voeten van Abdullah (1996). In deze verhalenbundel zet hij het Noord-Afrikaanse dorp Bertollo neer als een al even magisch als gruwzaam oord. Het duizelt er van de hypocriete imams die kleine jongetjes op hun wellustige schoot nemen en van de pieuze dorpelingen die zich maar wat graag vergrijpen aan ezels en geiten. Maar het allertreffendst is het taalgebruik: Bouazza verlustigt zich in rijm, alliteratie en archaïsch taalgebruik, dikwijls resulterend in bijzonder verrassende beelden. Het begint al met de eerste zin. 'De stilte ging ongemakkelijk verzitten als een schroomvallige vrouw in mannelijk gezelschap.'

Ook in zijn latere werk drijft de schrijver zijn taallyriek tot onbarmhartige hoogten, zelfs als hij, zoals in Momo, Noord-Afrika verruilt voor de Nederlandse polder. Er worden zeldzame formuleringen uit het woordenboek geplukt en de schrijver bedient zich veelvuldig van personificaties. Of het nu gaat om de strepen op een hemd, de tranen in de ogen van een bediende dan wel de schouders van een meisje, alles leeft en beweegt. Een van de Nederlandse dichters die hem daartoe inspireerden, was Geerten Gossaert, van wie bij leven alleen de bundel Experimenten (1911) verscheen. Als Bouazza in Momo schrijft dat hondennagels 'printelden' op de marmertegels, dan heeft hij dat woord uit de poëzie van Gossaert. "Je kunt daarbij denken aan het maken van een afdruk, zoals in printen, maar het staat ook voor het tikken van de nagels op het marmer.

"Gossaert liet me inzien hoe hartstochtelijk de Nederlandse taal kon zijn. Zijn gedichten zitten vol ingehouden passie, maar helaas ook vol geloof. Ik ben al vaak gevraagd om essays over hem te schrijven maar ik kan het niet. Hij probeert zoveel dingen te verbergen in zijn gedichten, elke analyse zou al te voor de hand liggend zijn.

"Gossaert heeft niet de extase van Herman Gorter, maar wat me zo in hem aantrekt is de persoonlijke worsteling die in verslagenheid eindigt."

De persoonlijke worsteling die in verslagenheid eindigt. Je zou aldus een hele periode uit Bouazza's eigen leven kunnen samenvatten. Was hij jarenlang een gevierd schrijver die voor Paravion (2003) zelfs de Gouden Uil kreeg, op een bepaald moment ging het goed mis. Het werd een fles absint en twintig biertjes per dag om van de cocktail aan drugs nog maar te zwijgen. De magere jaren. Het geld raakte op, de genotzucht zorgde voor een kapot lichaam. In september vorig jaar zei hij in Het Parool nog dat hij wist dat "de dood nu dichterbij is dan ooit. (...) Maar down de drain gaan is niet zo erg hoor."

Bijna een jaar later klokt Bouazza in het Blooming Hotel vanaf een uur of twaalf het ene na het andere biertje weg. Maar hij maakt bijlange geen wrakkige indruk. Integendeel. En tegen drieën wordt hij enigszins zenuwachtig. "Ik moet nu gaan schrijven, heus", zegt hij met een minzame glimlach. "Tegen eind augustus wil ik mijn nieuwe roman afhebben en er is nog best veel werk."

Onze volgende Zomergast: Hanna Bervoets.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234