Dinsdag 07/12/2021

Elf september is niet de moeder van het terrorisme

Frank Schlömer

De dramatische gebeurtenissen van vorig jaar in de Verenigde Staten mogen dan bijzonder spectaculair geweest zijn en nog vers in het wereldgeheugen liggen, het begin van het internationale terrorisme zijn ze echter niet. Het aanwenden van geweld door enkelingen of groepen om een bepaald doel te bereiken, is van alle tijden en kende diverse hoogtepunten in de geschiedenis, soms met verstrekkende gevolgen.

Het woord terreur (van het Latijnse terror, wat vrees of verschrikking betekent) doet ons automatisch denken aan het schrikbewind van de jakobijnen tijdens de Franse Revolutie van juni 1793 tot 28 juli 1794, toen hun leider Maximilien de Robespierre zelf ten val kwam en op de guillotine eindigde. Het daarvan afgeleide begrip terrorisme is door talrijke auteurs beschreven en gedefinieerd.

De Franse historicus Patrice Gueniffey geeft in zijn boek La politique de la terreur de volgende definitie: "Terrorisme is een bewuste strategie om een bepaalde hoeveelheid geweld te mobiliseren, met de expliciete bedoeling de graad van angst te creëren die men nodig acht om bepaalde politieke doeleinden te bereiken." Hij onderstreept dat dit instrument van politiek of oorlogvoering "even oud is als de politiek of de oorlog zelf".

Professor Daniel Hermant van het Institut d'Etudes Politiques de Paris beschrijft terrorisme als "het systematische gebruik van moord en vernietiging, of het dreigen daarmee, om individuen, groepen, gemeenschappen of regeringen te terroriseren en hen te dwingen toegevingen te doen die in de politieke objectieven van de terroristen passen". Hermant wijst erop dat terrorisme velerlei vormen kan aannemen zoals moord, ontvoeringen, vliegtuigkapingen, aanslagen op personen en goederen, en dat het regionaal, nationaal en internationaal kan zijn.

Terrorisme vertoont een aantal terugkerende kenmerken. De acteurs behoren steevast tot ondergrondse en meestal kleine groepen waar niet iedereen de anderen kent. Geheimhouding is een andere factor en daarnaast is er natuurlijk het verrassingselement. Al die elementen waren aanwezig bij de aanslagen die op 11 september in New York en Washington werden gepleegd.

Maar zelfs Robespierre, de theoreticus van la terreur, was niet de eerste die het begrip hanteerde. Niemand minder dan Niccolo Macchiavelli (1469-1527) had er in zijn beroemde boek Il Principe al over geschreven. Ook de bekende Pruisische militaire strateeg Carl von Clausewitz beschreef in de negentiende eeuw terroristisch geweld. Hij deed dat onder andere in zijn beroemdste boek Vom Kriege (Over de Oorlog), waarin hij zijn beroemde stelling uitwerkte dat "oorlog niets anders is dan de voortzetting van de politiek met andere middelen".

Maar eigenlijk zijn het de anarchisten die terrorisme tot een algemeen bekende term hebben gemaakt. Op het einde van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw pleegden anarchisten vooral in het tsaristische Rusland een ware vloedgolf van aanslagen en daarbij beriepen ze zich vaak op de geschriften van Michail Bakoenin die tot "revolutionair geweld" opriep en het best goed vond dat hooggeplaatste personen (politici, militairen, politiemensen) door individuele gewelddaden uit de weg werden geruimd.

De anarchisten vonden een voedingsbodem voor hun geweld ook in de theoretische werken van Pjotr Kropotkin, Gustav Landauer, Errico Malatesta, Pierre-Joseph Proudhon ('Eigendom is diefstal') en Max Stirner.

In de loop van de negentiende eeuw verenigden Russische anarchisten zich in de groepering Narodnaja Volja (De wil van het Volk), die het vermoorden van de tsaar als hoogste streefdoel had. Dat hebben de bolsjewisten rond Lenin, die zelf overigens een fervente tegenstander van de anarchisten was, na het welslagen van de Oktoberrevolutie dan ook gedaan.

De anarchisten beperkten zich niet tot Rusland en sloegen ook in westelijk Europa en zelfs in de Verenigde Staten toe. Zo werd in 1894 in Lyon de Franse president Sadi Carnot vermoord en werd in 1898 in Genève Elisabeth von Wittelsbach, echtgenote van de Oostenrijkse keizer Franz Joseph I, om het leven gebracht. In 1900 kwam de Italiaanse koning Umberto I om bij een anarchistische aanslag en in 1901werd de Amerikaanse president William McKinley neergeschoten.

Een van de bekendste terroristische aanslagen en in elk geval die met de meest verstrekkende gevolgen is die van Gavrilo Princip. Die Bosnisch-Servische nationalist vermoordde op 28 juni 1914 in Sarajevo de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand en diens vrouw. De schoten van Sarajevo werden door Oostenrijk en Duitsland als voorwendsel aangegrepen om de Eerste Wereldoorlog uit te lokken.

In 1908 had Oostenrijk de gebiedsdelen Bosnië en Herzegovina ingelijfd, tot grote woede van de Groot-Servische gedachte en een organisatie als Narodna Obrana (bekend onder de naam Zwarte Hand). Gavrilo Princip was lid van een andere groep, Mlada Bosna (Jong Bosnië), maar het gedachtegoed was hetzelfde: weg onder het Oostenrijkse juk. Die ene terroristische daad van Princip heeft dus voor de tien miljoen doden en het dubbele aantal aan gewonden van de Eerste Wereldoorlog gezorgd.

Men zou zelfs kunnen stellen dat de Tweede Wereldoorlog een verre uitloper is van Princips moordaanslag. In elk geval hebben de schoten van Sarajevo ervoor gezorgd dat het immense Oostenrijkse imperium ineengeschrompeld is tot het kleine landje dat we vandaag kennen en dat er een staatkundige herschikking van het Europese continent is gekomen met het ontstaan van nieuwe landen na 1918.

Ook na het einde van de Tweede Wereldoorlog hebben verschillende terroristische groeperingen en personen het tot internationale faam gebracht. Het Ira (Irish Republican Army), een nationalistische groepering die de vereniging van heel Ierland wil, is daar zeker een voorbeeld van. De Ira-groep werd wel al in 1916 na de grote opstand opgericht, maar bouwde slechts later enige reputatie op door de meedogenloze manier waarop men tegen andere Ierse bewegingen en tegen de Britse bezetting van Ulster vocht. Het Ira heeft als politieke arm de partij Sinn Féin, maar na vele aanslagen en doden is de Ierse kwestie nog altijd niet opgelost.

Na 1945 werd het terrorisme een strijdmiddel ven verschillende bevrijdingsbewegingen die opstonden tegen hun kolonisatoren in Azië, Afrika en het Midden-Oosten. In de nog niet opgerichte staat Israël waren tussen 1944 en 1948 extremistische groepen actief tegen de Britse mandaatuitoefening. Het ging om Irgoen Zwai Le'oemi en de Stern-groep, die met terreuracties de Britse autoriteit probeerden te ondermijnen. In 1946 slaagden zij erin om een deel van het nu nog bestaande King David Hotel in Jeruzalem de lucht in te blazen, waarbij negentig doden vielen. De actie stond onder leiding van Menachem Begin, de latere eerste minister van Israël. Wegens zijn moedige politiek ten opzichte van de Arabische staten kreeg Begin in 1978 de Nobelprijs voor de Vrede. Ook een andere Israëlische premier, Yitzhak Shamir, was in zijn jonge jaren een gezochte terrorist.

In de Britse kolonie Kenia stond de terreurgroep Kikuyu onder leiding van Yomo Kenyatta. Ze pleegde talrijke aanslagen, tot het land in 1963 eindelijk onafhankelijk werd, met Kenyatta als eerste premier. Ook in Cyprus werd in de late jaren vijftig van de vorige eeuw een ware terreurcampagne gevoerd tegen de Britse kolonisator. De nationalistische radicale groep EOKA pleegde de ene aanslag na de andere tot Cyprus in 1960 onafhankelijk werd, terwijl terreurcampagnes ook een hoofdkenmerk waren van de onafhankelijkheidsstrijd die Algerije tegen Frankrijk voerde tot het Noord-Afrikaanse land in 1962 zelfstandig werd.

Een van de bekendste terreurgroepen in Europa is nog altijd de Eta (Euskadi Ta Askatasuna), die al in 1959 werd opgericht en sindsdien periodiek in de belangstelling staat. Het streefdoel van de Eta is een onafhankelijk Baskenland met stukken territorium van Frankrijk en Spanje, waar die beide landen uiteraard tegen zijn. Eerder deze week heeft Spanje Batasuna, de politieke vleugel van de Eta, buiten de wet geplaatst. De beweging heeft totnogtoe bijna duizend aanslagen gepleegd tegen politici, militairen en rechters.

De studentenbeweging rond mei '68 heeft eveneens uitlopers op het terroristische vlak gehad. Maar het idee kwam eigenlijk uit Latijns-Amerika, waar de stadsguerrilla van de Tupamaros in Uruguay en de Montoneros in Argentinië de bekendste en actiefste bewegingen werden. Zij putten uit het marxistisch-leninistische gedachtegoed en spiegelden zich aan de overwinning op Cuba van Fidel Castro en Che Guevara.

De Duitse Rote Armee Fraktion (RAF), ook bekend onder de naam Baader-Meinhof-Gruppe, slaagde erin Duitsland in de jaren zeventig een hele tijd in haar ban te houden door ontvoeringen en moorden op prominente politici. Onder invloed van de RAF heeft Duitsland in die periode zijn repressieve wetgeving behoorlijk aangescherpt. Uiteindelijk wist justitie de groep toch te ontmantelen.

Italië had in die periode zijn Brigate Rosse (Rode Brigades), die er echt in slaagden een klimaat van terreur in het hele land te zaaien. Zij bereikten hun hoogtepunt in 1978, toen de ex-premier Aldo Moro werd ontvoerd en vermoord.

Ook ons land had kortstondig te kampen met een terroristisch verschijnsel, zij het veel later. In 1982 werden de CCC (Cellules Communistes Combattantes) opgericht, die contact hadden met de RAF en de Franse maoïstische terreurgroep Action Directe. Tussen oktober 1984 en december 1985 pleegden de CCC verscheidene aanslagen, maar eind 1985 werden ze opgerold.

Wereldwijd de bekendste terreurgroepen zijn ongetwijfeld die van de Palestijnen. In 1964 werd de PLO (Palestinian Liberation Organisation) opgericht als koepelorganisatie voor verschillende Palestijnse groeperingen, die elkaar vaak de loef afstaken in radicalisme. Over een ding waren ze het echter allemaal eens: er moest in het vroegere Britse mandaatgebied een Palestijnse staat komen en daarvoor mocht geweld tegen Israëlische doelwitten worden gebruikt. Het geweld stond officieel ingeschreven in de PLO-charta en is nog niet eens zo heel lang geleden afgezworen, en niet door alle Palestijnse groepen. De PLO lanceerde tevens een nieuwe formulering: terroristen zijn de bezetters van andermans territorium en degenen die zich daar met geweldplegingen tegen verzetten zijn vrijheidsstrijders.

Halverwege de jaren zeventig pleegden Palestijnen spectaculaire vliegtuigkapingen. Leila Khaled, de eerste vrouwelijke kaper, werd bij bepaalde studenten zelfs een idool; haar foto hing als affiche naast Che Guevara tegen de kamermuren. Groepen als de Zwarte September en al-Fatah werden op slag wereldberoemd. De meest dramatische aanslag van Palestijnen was de overval op het olympische dorp in München in 1972. Daarbij werd een bloedbad aangericht onder de Israëlische atleten.

Sinds begin de jaren negentig geheime gesprekken met Israël plaatsvonden die uiteindelijk tot de Oslo-akkoorden leidden, hebben verschillende Palestijnse groepen zich van het terrorisme afgekeerd, zeker in theorie. Yasser Arafat, voor Israël nog altijd de bekendste terrorist op aarde, heeft in 1994 zelfs de Nobelprijs voor de Vrede gekregen. Hij wil via een politieke regeling tot een Palestijnse staat komen en heeft het terrorisme van Palestijnen herhaaldelijk veroordeeld.

Niet alle groepen zijn het evenwel met hem eens en de radicaalsten beschouwen hem zelfs als een verrader van de Palestijnse zaak. De Hezbollah (Libanon), Aboe Nidal, die onlangs in Irak stierf, de islamitische Jihad en Hamas blijven erbij dat terroristisch geweld tegen Israël gebruikt moet worden tot de joodse staat verdwenen is. Zij vormen door hun hardnekkige houding een belemmering voor het totstandkomen van een politiek akkoord.

Met de val van de Berlijnse Muur, het IJzeren Gordijn en de communistische regimes in Midden- en Oost-Europa hebben terroristische bewegingen in westelijk Europa hun marxistisch-leninistische inspiratie verloren. De terreurgolven die de Balkan de jongste tien jaar teisterden, waren dan ook veeleer nationalistisch (Servisch, Kroatisch, Bosnisch) en religieus (christelijk, moslim) van aard en die aspecten waren vaak met elkaar verweven. Dat geldt voor groepen zoals het Kosovaarse Bevrijdingsleger UCK en voor paramilitaire groepen zoals de beruchte Arkan-Tijgers, die echter vaak gewoon in struikroverij ontaarden.

Ten slotte, zo schrijft Fred Stevens in het boek Schokgolven, "bleven verschillende staten terroristische bewegingen steunen, hoewel een verdrag van 1999 staatssteun aan terroristen verbood. Een andere merkwaardige vaststelling is dat sinds de jaren negentig uiterst rijke individuen dergelijke groeperingen financieel helpen. Een voorbeeld daarvan is... Osama bin Laden".

Bronnen: 'Terrorisme et relations internationales', Daniel Herman, Parijs 'Schokgolven: Terrorisme en fundamentalisme', Bart Pattyn/Jan Wouters, Leuven 'Terrorism and the liberal state', P. Wilkinson, Brussel, Navo-studie 'Stadtguerrilla Tupamaros', Alex Schubert, Berlijn

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234