Maandag 28/09/2020

Elf acts voor de wei

Het Noorse Oya-festival is niet alleen het groenste ter wereld, ook qua programmatie kan de vierdaagse zich stilaan met de Europese top meten. Bovendien speelden nogal wat bands zich ginds al warm voor hun passage op de jubileumeditie van Pukkelpop. Wij pikten er tien uit die straks eigenhandig door Chokri Mahassine naar het podium zullen worden begeleid.

Straks in Hasselt, nu al een preview in ‘De Morgen’

The Flaming Lips

Verdwalen in Wayne’s World

In de wereld van Wayne Coyne is elke dag een wonder. Beren dansen er de tango met vreemdsoortige ruimtewezens, uit elk kanon komt confetti, en mitrailleurs schieten enkel kleurige slingers af. De passage van The Flaming Lips had weliswaar meer van een performance dan van een concert, maar niettemin trok het excentrieke gezelschap je een uur lang zijn wonderlijke universum binnen. Het podium was opgebouwd als een enorme zonsopgang: helemaal in oranje geschilderd, met een enorm cirkelvormig videoscherm waaruit de groepsleden een voor een kwamen gestapt. Coyne zelf rolde - gevangen in een opgeblazen strandbal - meteen het publiek in, terwijl de rest van de band een brok psychedelica inzette.

Ondanks al dat spektakel kwam de muziek niet in de verdrukking. Met ‘She Don’t Use Jelly’, ‘Silver Trembling Hands’ en het door een pompende Led Zeppelin-beat aangedreven ‘See The Leaves’ had de groep misschien niet voor de meest evidente bloemlezing gekozen, maar toch kwam de band er moeiteloos mee weg. Coyne kreeg de menigte zelfs zover om het geluid van apen, katten, honden en snorrende bromfietsen na te bootsen. Meer nog: toen hij je vroeg om het vredesteken te maken - zodat alle oorlog voorgoed uit de wereld zou worden gebannen - deed je dat zonder verpinken. Op het terrein werden T-shirts verkocht met als opschrift ‘I went to a Flaming Lips-concert and it made me a better human being’. Voor één keer was dat niet overdreven.

Indiaan uit IJsland

Met Sigur Rós sluit Jónsi moeiteloos de grootste festivals af, maar op zijn huidige solotournee pakt de zanger het bewust wat kleinschaliger aan. Al blijft dat relatief, want ook nu trekken de prachtige visuals meteen de aandacht, en uiteraard staat Jónsi niet alleen op het podium. Vergezeld door vier muzikanten - onder wie Alex Somers, zijn wederhelft en partner in Riceboy Sleeps - en getooid in wat je niet anders dan de IJslandse interpretatie van een indianenpak kunt noemen - werkt hij zich door vrijwel al het materiaal van Go, en dat blijkt live wonderwel aan te slaan. Soms intiem en poëtisch, dan weer extatisch en uitgelaten, fietst het gezelschap zich door opwindende songs als ‘Boy Lilikoi’, ‘Animal Arithmetic’ en ‘Tornado’. De muziek klinkt sprookjesachtig - met veel belletjes, xylofoons en miniatuurpiano’s. En door toedoen van een drummer - die met zijn grootse, dramatische bewegingen voortdurend de indruk wekt dat hij bij een metalband speelt - ademt de muziek ook tijdens de meest subtiele passages een uitgesproken joie de vivre uit. Hoogtepunten legio, alleszins. En bijgevolg: niet te missen.

Against Me

Het ballenbad van IKEA

Het uit Florida afkomstige Against Me maakt het soort punkrock waar men destijds de term tyfusherrie voor heeft bedacht. De vier heren - allen in stemmig zwart - handelen in jachtige drieakkoordensongs die het midden houden tussen Rancid en Green Day, maar met geen van beiden de vergelijking in hun voordeel weten om te buigen. Vreemd dus dat zelfs Butch Vig - de man die Nevermind van Nirvana producete - er brood in ziet, want ook live wist het gezelschap niet meteen een beklijvende indruk na te laten.

Zeker: Against Me hield het tempo strak in de pas, en ze smeten zich alsof ze voor het ballenbad van IKEA stonden. Alleen stapelden ze de clichés - zowel inhoudelijk als qua vorm - aan een razend tempo tot hoog boven de wolken, en had zanger Tom Gabel net iets minder charisma dan hij zichzelf bleef wijsmaken. Meer tattoos dan talent, kortom. Perfect op maat gesneden voor de zich aan MTV vergapende Amerikaanse tieners, maar veel te veel déjà vu voor iedereen die de pech heeft al iets ouder te zijn.

Yeasayer

Zeg ja! tegen het leven

Opmerkelijk hoeveel vrouwen er voor het podium hadden postgevat toen Yeasayer aan zijn set moest beginnen. Dat had wellicht minder te maken met de looks van zanger Chris Keating dan met de sensuele, dansbare popmuziek waarop dit vijftal uit Brooklyn, New York de voorbije jaren een patent heeft genomen. De combinatie van experimentele songstructuren en speels opkringelende Afrikaanse gitaarmotiefjes deden nog steeds aan het latere werk van Talking Heads denken, maar los daarvan merkte je toch dat de band na twee platen stukje bij beetje een eigen identiteit ontwikkelt. De groep had als vanouds wat tijd nodig om op dreef te komen - in Oslo zorgde een stroompanne bovendien voor enig oponthoud - maar uiteindelijk bouwde Yeasayer toch weer een sprankelend feestje, waarbij het hypnotiserende ‘2080’ en de radiohit ‘O.N.E.’ het tempo opdreven. Zodra met ‘Ambling Alp’ de laatste ronde werd ingeluid, stond letterlijk iederéén te dansen. En meteen wist Keating weer waarom hij zo graag in Noorwegen speelde. “De blondines zijn hier mooier dan elders”, gaf hij toe. Niemand haalde het in zijn hoofd om hem tegen te spreken.

Broken Bells

Warm en organisch

Van al de projecten waarbij sterproducer Danger Mouse betrokken is, behoort Broken Bells met voorsprong tot de interessantste. Op papier is de groep een duo - met naast Danger Mouse zelf ook Shins-zanger James Mercer - maar om het vorig jaar verschenen debuut naar het podium te vertalen werden vijf extra muzikanten in dienst genomen. Live situeerde Broken Bells zich ergens tussen de instant pop van The Beatles en de zweverige retro van Air.

Erg vernieuwend was het dus allemaal niet, maar nummers als ‘The Ghost Inside’ en het machtige ‘The High Road’ klonken warm en organisch. Danger Mouse switchte naarmate hij daar zin in had tussen drums, gitaar en piano. En omdat het songmateriaal van de groep na één cd nog aan de beperkte kant is, haalden ze ook ‘Insane Lullaby’ boven, een nummer uit de zopas uitgebrachte Dark Is The Night-cd, waarop de twee samenwerkten met de onlangs overleden Mark Linkous. Ook het van Tommy James and the Shondells geleende ‘Crimson And Clover’ kreeg een bloedmooie, in weemoed gewikkelde versie mee. Het mocht misschien allemaal wel wat beweeglijker - de groep stond gewoon te spelen en daarmee uit - maar louter muzikaal was dit een concert om duimen en vingers bij af te likken.

Miike Snow

Nachtmerries van The Lady In Red

Miike Snow had onlangs ook hier een paar radiohits met ‘Burial’ en ‘Cult Logic’, maar de kans dat ze straks in een adem genoemd zullen worden met landgenoten Abba, Roxette en The Cardigans is niettemin miniem. Op papier is dit een trio dat naast zanger Andrew Wyatt uit het producersduo Bloodshy & Avant bestaat, maar live hadden ze nog wat meer podiumvulsel mee. Het mocht niet baten. Niet alleen zag het er rommelig en lelijk uit, op de koop toe voelde de combinatie tussen experimentele electro en pop geforceerder aan dan een hardrockplaat van Jo Vally.

Wyatt toonde zich niet meteen een begeesterende frontman, en als zanger liet hij evenmin een memorabele indruk na. Rondom hem knepen drie in zwart gehulde Dolph Lundgrens de knopjes aan hun sequencers fijn. Veel drukte, maar het klonk voor geen meter. Zéker niet wanneer er op een gegeven moment met behulp van wat presetjes een futloos voortkabbelende ballad werd ingezet, die - het is een hondenjob, mijnheer - prompt aan ‘The Lady In Red’ van Chris De Burgh deed denken. Geen idee wat dit op Pukkelpop komt doen, eigenlijk. Wellicht heeft Chokri een voordeelpakket geboekt, en speelde Miike Snow gratis als hij ook nog drie andere bands boekte bij hetzelfde managementbedrijfje.

Surfer Blood

The Beach Boys à l’Africaine

Het uit Florida afkomstige Surfer Blood werd vorig jaar de hemel ingeprezen door de invloedrijke website Pitchfork, wat meteen verklaart waarom de piepjonge band (in een vorige gedaante heetten ze nog Jabroni Sandwich overigens) zonder een noemenswaardige staat van dienst meteen op een handvol prominente Europese zomerfestivals staat. Op Oya begonnen ze voor een halfvol plein, dat naarmate de set vorderde toch behoorlijk vol liep. De reden daarvoor liet zich raden: de groep had een handeltje opgezet in compacte indiepop, waarin je zowel de invloed van The Beach Boys hoorde doorschemeren als de jachtige afrobeat van Fela Kuti.

U denkt nu wellicht spontaan aan Vampire Weekend, maar Surfer Blood kwam doorgaans net iets potiger uit de hoek. Alleen bleken de songs van dit jonge gezelschap voorlopig nog wat te wisselvallig om ze al meteen naar hetzelfde niveau te tillen. Uitschieters waren ‘Swim (To Reach The End)’ - catchy refrein, goeie hooks - en het dynamische ‘Take It Easy’, dat op een verpletterend volume door de PA werd gepompt. Zanger John Paul Pitts deed wat aan die mollige relnicht uit Star Academy denken, maar hij voelde zich alvast thuis op het podium en was niet bang om een band met het publiek te smeden. Zo speelde Surfer Blood alles samen toch een fijne drie kwartier feelgoodmusic bij elkaar. Niet groots, maar evenmin van die aard dat je je erbij verveelde.

Major Lazer

Dubstep op z’n hondjes

DJ Diplo brak door dankzij zijn samenwerking met M.I.A., bundelde later de krachten met de Zweedse Robyn en Santigold, maar bracht vorig jaar met zijn vaste partner in crime Switch pas een eerste cd uit onder hun gemeenschappelijke roepnaam Major Lazer. Toegegeven: Guns Don't Kill People... Lazers Do is ons destijds niet erg bijgebleven, maar op het podium van Oya ontaardde de set van Diplo (van Switch was plots geen spoor te bekennen) al bij vol daglicht in een overweldigende party. Hij draaide - tegen de snelheid van het licht, leek het wel - bikkelharde dancehall, reggae en dubstep, en had twee MC’s mee om de menigte nog meer op te zwepen.

De ene - Nina Sky - een ranke, ebbenhouten gazelle, de andere een van kop tot teen uit testosteron opgetrokken volksmenner die vooral door zijn geblondeerde hanenkam de aandacht trok. Samen verhitten ze de gemoederen door seks op z’n hondjes te simuleren, het publiek aan te zetten om hun kleren uit te trekken, én tussendoor ook onbevreesd te crowdsurfen. Als extraatje kwamen de rappers van Die Antwoord (verkleed in hun konijnenpakjes) nog een beetje in het ijle roepen. Groot was hun bijdrage dus niet - ook de MC’s hadden een micro, maar gebruikten hem nauwelijks - maar qua evenement behoorde de passage van Major Lazer met stip tot het meest opwindende dat Oya te bieden had.

Die Antwoord

Niet elke poes is een huisdier

Of het wereldkampioenschap voetbal er voor iets tussen zit, valt niet te bewijzen, maar met Jack Parrow en vooral Die Antwoord worden de jongste maanden enkele bands uit Zuid-Afrika de hemel in gehypet. Met Die Antwoord gaat het behoorlijk snel momenteel. Er staat een tournee door de Verenigde Staten op de planning, en ook het Noorse publiek stroomde massaal de Club van Oya binnen om het nieuwe fenomeen te monsteren. Dat Die Antwoord het alvast niet van fijnzinnige vormpoëzie moet hebben, bleek al meteen uit de boodschappen die op de videoschermen werden geprojecteerd. Het trio - dj Hi-Tek (van achter een masker draaiend), de militaristische rapper Ninja en het wat bevreemdende kindvrouwtje Yo-Landi Vi$$er - presenteerde zich als Die Fokken Antwoord en er werd flink wat afgemothafuckt in de teksten.

Wat de band aan originaliteit ontbeerde - het bleef al bij al vrij traditionele hardcore hiphop - compenseerden de drie ruimschoots met een forse dosis vechtlust en attitude. ‘Jou Ma se Poes in ’n Fishpaste Jar’ bleef ondanks de aangebrande tekst (het ging, zo legde Ninja ten overvloede uit, over het vrouwelijke geslachtsorgaan) meteen in je achterhoofd kleven en ook de single ‘Enter The Ninja’ stond live behoorlijk overeind. Of ze hun fifteen minutes of fame lang zullen kunnen rekken valt nog te bezien. Maar in afwachting was Die Antwoord best onderhoudend.

Local Natives

Rockin’ Charlie Chaplin

Met Gorilla Manor gooide Local Natives eind vorig jaar meteen hoge ogen door hun kruisbestuiving tussen melodieuze americana en meer dynamische indierock. Ook live flitste meer dan eens de herinnering aan Fleet Foxes en Band Of Horses voorbij - vooral dankzij de voortreffelijke samenzang - maar niet in die mate dat je daar verder veel hinder van had. Dat kwam omdat het uit Los Angeles geïmporteerde vijftal regelmatig een stuk forser uit de hoek kwam, en in nummers als ‘Wide Eyes’ en ‘Airplanes’ van hetzelfde soort gedrevenheid getuigde dat we op Rock Werchter ook van Arcade Fire hadden gezien.

De songs klonken groots, majestueus, en die extra piano zorgde bij momenten voor een paar onverwachte accenten. Reken daarbij nog een zanger die ondanks zijn onmogelijke naam (Kelcey Ayer) en zijn opvallende gelijkenis met Charlie Chaplin toch rock-’n-roll uitstraalde, en je wist meteen dat dit een band was om in de gaten te houden. Dat hun cover van ‘Warning Sign’ bijna het origineel van Talking Heads deed vergeten, leverde nog een bijkomend bonuspunt op.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234