Woensdag 30/09/2020

Elegante chaos, Stuntelende heren

Franstalige Belgische auteurs maken momenteel grote sier in Frankrijk. François Weyergans kaapte de Prix Goncourt weg voor de neus van Michel Houellebecq en Jean-Philippe Toussaint werd met de Prix Médicis bekroond. Toeval of trend? Door Dirk Leyman

François Weyergans

Trois jours chez ma mère

Grasset, Parijs, 262 p., 19,65 euro.

Jean-Philippe Toussaint

Fuir

Les Editions de Minuit, Parijs, 186 p., 13 euro.

e Franstalige Belgische letteren staan in hoge bloei en waar anders dan in Parijs valt dat te merken? In 1890 was het niet anders. Terwijl de vaderlandse kritiek zijn neus ophaalde voor het toneelstuk La princesse maleine van de latere Nobelprijswinnaar Maurice Maeterlinck, blies de Franse schrijver en criticus Octave Mirbeau in Le Figaro ongegeneerd de loftrompet: "Ik weet niets af van de heer Maeterlinck. Ik weet niet of hij oud of jong is, rijk of arm. [...] Ik weet alleen dat geen mens onbekender is dan hij en dat hij een meesterwerk heeft geschreven." Maeterlinck was voorgoed gelanceerd.

Voor Franstalige Belgische schrijvers is het sindsdien haast een natuurwet: wil men doorbreken, dan moet men zich in de gunst van de Parijse cenakels zien te werken. Het helpt daarbij vooral om onderdak te vinden bij de grote uitgevershuizen zoals Grasset, Gallimard, Seuil of Albin Michel. Toch is het opvallend dat de Franse literaire wereld tegenwoordig nog amper melding maakt van het herkomstland van een Franstalige schrijver. Net als de Québécois schrijven de Franstalige Belgen Frans, dus behoren ze automatisch tot de culturele omgeving van Frankrijk. Punt uit. Jean-Luc Outers, auteur en verantwoordelijke voor de promotie van de Franstalige Belgische letteren, wijst er in een overzichtsstuk op dat "de lezer het gewoon is geraakt om alle Franstalige auteurs in dezelfde bloemlezingen, woordenboeken of collecties aan te treffen", dus ook de Belgen. Dat komt, zegt hij, "omdat de Franse literatuur uitgaat van één taal, die zich aan de schrijver vanuit zijn jeugd oplegt". Outers maakt de vergelijking met Ierland, dat zich literair ook tegen de grote Engelse broer aan durft te schurken.

Niettemin: "In Frankrijk is één op de twee Franse schrijvers een Belg", zo schreef Jean-Jacques Brochier ooit bij wijze van boutade in Magazine Littéraire. De grote openheid voor en gretigheid naar talent uit Franstalig België is al langer een feit. Dat heeft veel te maken met de fel gesmaakte excentriciteiten van woelwater Amélie Nothomb, die met haar in solfer gedrenkte pen het pad effende voor een heleboel Belgische auteurs. Er is evenzeer de hang naar dat tikje Belgisch surrealisme en een vaak groteske tegendraadsheid (denken we maar aan Henri Michaux, Conrad Detrez en tegenwoordig Thomas Gunzig). Niet enkel Amélie Nothomb - in feite is zij hors catégorie, omdat ze alle rangen en standen weet te behagen - maar ook auteurs als Francis Dannemark, Guy Goffette, François Emmanuel, Jacqueline Harpman en Simon Leys hebben in stilte een trouw lezerspubliek gecreëerd en zijn herhaaldelijk bekroond, terwijl ze tragisch genoeg in Vlaanderen amper worden opgemerkt.

Wie naar het verleden kijkt, hoeft helemaal niet verbaasd te zijn over de prijzenregen die de Franstalige Belgen met Weyergans en Toussaint te beurt valt. Na de symbolistische generatie met Georges Rodenbach, Emile Verhaeren en de eerder genoemde Maeterlinck, werd in de twintigste eeuw de Franse rode loper uitgerold voor Georges Simenon, maar ook voor Marguerite Yourcenar en niet te vergeten: Pierre Mertens. Outers wijst erop dat Franstalig België "een microkosmos is waar het Europese experiment volop zijn gang kon gaan". Hij verklaart het succes vanuit "de openheid voor alle windrichtingen".

Bij de zopas bekroonde François Weyergans en Jean-Philippe Toussaint zien we overduidelijk dat hun thema's en preoccupaties veraf staan van elk regionalisme. Beiden zijn ze vooral geworteld in een Europese totaalcultuur. Geen wonder dat ze ook vroeg hun heil zochten én vonden bij vooraanstaande Franse uitgevers: Weyergans eerst bij Gallimard en later bij Grasset, Toussaint bij Minuit.

De kunst van het uitstel

Weinig auteurs zijn zo bedreven in subtiele kat- en muisspelletjes met hun uitgever als François Weyergans (°1941), die net als Toussaint ook actief was als cineast en zelfs ooit Dennis Hopper en Bianca Jagger in één film samen wist te brengen. In 1992 ondertekende de onvoorspelbare maar immer charmante auteur het contract voor een roman over een vijftigjarige schrijver in de greep van een writer's block, die zich voorneemt een bezoek aan zijn beminde moeder in de Alpes-de-Haute-Provence te brengen. Pas dertien jaar later, in september 2005, rolde het boek uiteindelijk van de persen, toen niemand er haast nog een cent durfde op te verwedden. In de tussenliggende periode publiceerde Weyergans wél zijn vader-roman Franz et François (1997), een hommage aan de pater familias, schrijver van onversneden katholieke statuur. Weyergans, al enige tijd in de bovenste la van literaire jury's, ontving er de prestigieuze Grand Prix de la Langue Française voor.

Intussen ontpopte Trois jours chez ma mère, zoals het spookboek zou gaan heten, zich de volgende jaren als een ware nachtmerrie voor uitgever Grasset. Weyergans kronkelde zich vanuit zijn Parijse schrijfhonk regelmatig in onwaarschijnlijke bochten om uitstel af te dwingen, zelfs één keer toen de promotiemachine al op volle toeren draaide: "Een deel van mezelf voelt het als een soort van triomf aan om te doen geloven dat het boek klaar is, terwijl dat niet zo is", zo vertelde hij onlangs over deze hebbelijkheid aan Lire. Mondjesmaat voederde hij Grasset met fragmenten en hoofdstukken maar op het ultieme moment trok de eeuwige herschrijver Weyergans zijn manuscript weer spoorslags terug in. Om vervolgens de voorkeur te geven aan ellenlang staren door het raam: "Ik kan maandenlang zeven à acht uren per dag aan mijn bureau blijven zitten zonder iets uit te richten. Dan sla ik er woordenboeken op na, herschrijf ik tientallen keren dezelfde paragraaf, die ik geleidelijk steeds slechter begin te vinden. Ik dwing mezelf om te blijven zitten, er gebeurt ogenschijnlijk niets, behalve natuurlijk het feit dat ik een boek aan het schrijven ben", zegt Weyergans laconiek in datzelfde interview. Op een haast ziekelijke wijze hunkert de auteur naar de volmaakte staat van literaire genade, blijft hij aarzelen over het laatste punt achter de laatste zin. Al dat gepriegel dient uiteindelijk - paradoxaal genoeg - te leiden tot spontaneïteit: de lezer moet en zal de indruk krijgen dat alles in één volmaakt vloeiende geut is ontstaan. Weyergans is een Koning Nooitgenoeg, want, zo staat er in Trois jours chez ma mère: "Als hij zijn boeken herleest, is hij steeds ontgoocheld."

Is het echt zo bar? Natuurlijk niet. Enerzijds kun je je afvragen of Weyergans zijn lijf- aan-lijfgevechten met de muze niet al te gretig 'misbruikt'. Anderzijds is dit geworstel duidelijk ook zijn goudader. Criticus Philippe Lançon ginnegapte of Weyergans niet "vermoeid schijnt te raken van zijn eigen talent".

In Trois jours chez ma mère heeft Weyergans deze obsessies om en om gekeerd, zij het op een licht amusante en uiterst soepele manier én steeds met een lange neus naar de psychoanalyse, een thema waarvan zijn oeuvre, sinds zijn analyse bij Lacan, doordesemd is. Het onvermogen van Weyergans' alter ego om het papier te vullen wordt natuurlijk lang en breed uitgevent. De liefde voor de eigenzinnige, bijna negentigjarige moeder, die haar zoon aanport om meer te schrijven en minder te roken, is aandoenlijk, maar een bezoek wil er maar niet van komen. Té druk met twijfelen, te bezig met schaven en slijpen, te begaan met het schrijven van die roman over háár. En dan zijn er nog de andere vrouwen in zijn leven, die voor horribele schoonheid zorgen en voor verstrooiing, en hem geregeld ook tot de orde roepen. Weyergans dist het allemaal op met een zekere onschuld, in een roman die vrijelijk meandert en associeert en oogt als rommelig patchwork (maar natuurlijk hypergeconstrueerd is). "François Weyergans, wanneer word je volwassen? Wanneer zal je zo beleefd zijn om ons een geschiedenis met een begin, een midden en een einde aan te bieden?", verzuchtte Pierre Maury daarover in Le Soir. Het hoeft geen betoog dat Weyergans in de vorm een verre nazaat is van Laurence Sternes Tristram Shandy, die zich ook door de minste beuzelarij liet afleiden en als een schalkse voddenraper zowat alles zijn onvergelijkelijke boek binnensmokkelde. Bovendien heb je nog het doorgedreven spel met persoonsverwisselingen en trompe-l'oeileffecten. Weyergans houdt van goochelen met zichzelf en zijn illusies. Vandaar dat hij zich verschanst achter veilige dubbelgangers met namen als Weyerstein, Weyergraf, Weyerbite, Graffenberg...

Amper een paar dagen na verschijning van Trois jours chez ma mère was voor de 64-jarige Weyergans - een notoire nachtraaf die zelden voor negen uur 's morgens in bed kruipt - alle productieleed vergeten. De import-Belg, die voor La démence du boxeur in 1992 ook al de Renaudot-prijs won, had ditmaal de beste kaarten voor de Prix Goncourt. De gunstige kritieken buitelden vrijwel meteen over elkaar heen (al sprak L'Humanité wel van een "opgewarmd recept voor een allicht al te voorspelbaar boek"). Weyergans werd gebombardeerd tot de waardige maar ietwat onverwachte challenger van Michel Houellebecq. Zou hij de mediavloedgolf rond La possibilité d'une île, openlijk gekoesterd door minstens vier van de tien Goncourt-juryleden, kunnen weerstaan? De jury hield het hoofd koel en koos voor een 'traditionele' winnaar, die met glans de Parijse salontafels zou sieren. Op donderdag 3 november stak Weyergans Michel Houellebecq de loef af in een nipte deliberatie, waarin het enige Belgische jurylid Françoise Mallet-Joris wellicht voor de doorslaggevende stem zorgde. Behalve bij de Houellebecq-diehards bleek er nauwelijks gemor over de keuze voor de tragikomische schrijfverwikkelingen van Weyergans. De auteur, die de sluipwegen van de Parijse literaire kringen door en door kent, bleef opvallend bescheiden: "Ik hoop vooral dat lezers die me voordien niet kenden, me nu eindelijk zullen lezen." De eerste telefoon van Weyergans na de in zijn bad ontvangen Goncourt-missive, ging naar zijn 91-jarige moeder (die in Trois jours chez ma mère een literair verantwoorde val maakt, maar in werkelijkheid springlevend is). Voor de zoon was het alsof hij "haar eindelijk een diploma kon overhandigen". En dat de Goncourt naar een Belg ging? Daar werd in Frankrijk amper over gerept. Weyergans - al lang een volbloed Parisien geworden - leek haast Franser dan de Fransen.

Nostalgische finesse

Hetzelfde geldt voor de immer zwervende Jean-Philippe Toussaint (°1957), die lange tijd in Corsica resideerde, nu toch weer naar Brussel is verhuisd en vanaf zijn debuut in Frankrijk een warme haven vond bij uitgever Les Editions de Minuit. Net als bij Weyergans is Toussaints vader een gezien auteur: Yvon Toussaint, lange tijd ook grand reporter bij Le Soir. Zoon Toussaint, ooit wereldkampioen scrabble bij de junioren, werd een internationale cultschrijver met De badkamer (1985) en De televisie (1997), waarin hij op superieure wijze de hedendaagse samenleving ironiseerde. Willens nillens werd hij een voorganger van de Franse tongue in cheek generatie en genereerde zijn stijl nogal wat epigonen. Uiteraard kreeg hij ook geduchte tegenstanders omdat hij zijn tics te vaak zou uitspelen: "Toussaint is een schrijver die systematisch overschat wordt", scheef de criticus Eric Naulleau onlangs nog in Le Nouvel Observateur.

De haperende, bijna stuntelige communicatie met de medemens bleef lange tijd zijn handelsmerk, maar zijn romans hebben de laatste jaren aan narratieve kracht gewonnen en slaan opzichtig andere paden in. Toussaint gaat nog detaillistischer te werk en besteedt meer aandacht aan de plot, zonder zijn droog minimalisme en fijnbesnaarde humor te verloochenen. Meer en meer drijft hij in de richting van een filmisch en nostalgischer schrijven, dat zich spiegelt aan de films van Wong-Kar-Wai en zelfs het spoor van Patrick Modiano begint te drukken. De auteur beweert in een interview met Magazine Littéraire dat hij "meer en meer overtuigd raakt van de kracht van de literatuur en sceptisch is geworden ten aanzien van film". Het is een merkwaardige uitspraak voor Toussaint, die zelf ook vier films realiseerde. Met zijn zevende roman Fuir, een soort vervolg op het briljante De liefde bedrijven, was de minzame Belg lange tijd in de running voor de Goncourt, maar uiteindelijk moest hij zich tevreden stellen met de Médicis-prijs.

Fuir vist schijnbaar achteloos een aantal verhaallijnen op uit het alom gefêteerde De liefde bedrijven en verplaatst tegelijk de handeling van de Japanse winter naar een Chinese zomer. Was De liefde bedrijven de roman van een breuk van het hoofdpersonage met Marie, in Fuir is er sprake van een onrechtstreekse, aarzelende toenadering. In China vervult het hoofdpersonage een zakelijke opdracht voor zijn ex-vriendin en belandt in de typische Toussaint-avonturen, vol vederlichte ontregeling en misverstanden. Een belangrijke rol is weggelegd voor de mobiele telefoon, die door zijn gerinkel het verhaal doet kantelen, tijdens een omarming met de Chinese schoonheid Li Qi, waarbij Eros en Thanatos een sordide huwelijk aangaan. En uiteindelijk belandt de hoofdfiguur op het eiland Elbe. Wie De liefde bedrijven uitstekend vond, treft hier meer van hetzelfde, in een schriftuur die tot in de puntjes geslepen is. Want tenslotte is ook Jean-Philippe Toussaint niet snel tevreden over zichzelf.

Net als de Québécois schrijven de Franstalige Belgen Frans, dus behoren ze automatisch tot de culturele omgeving van Frankrijk. Punt uit

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234