Woensdag 20/10/2021

'Eigenlijk liepen wij ongelofelijk in de weg'

'In onze familie wordt nooit over de vlucht gesproken. Niemand is echt trots op die periode. Maar de afgelopen weken zijn de tongen losgekomen. Die vluchtelingen uit Kosovo; het is precies of ik mijn eigen familie zie lopen.' Twee keer sloeg de Belgische bevolking deze eeuw op de vlucht. In de Grote Oorlog vooral richting Nederland en in de meidagen van 1940 richting Frankrijk. De oorlog in Kosovo rijt oude wonden open, maar is ook de aanleiding voor een niet aflatende stroom anekdotes. En al zijn ze meer dan een halve eeuw oud, toch lijken ze zo uit het journaal van vanavond te komen.

Het is stralend lenteweer in Turnhout. De Volkswil, het hoofdkwartier van de kleine maar hardnekkige socialistische kern in de overwegend katholieke Kempense hoofdstad, stroomt langzaam vol. Senioren komen er een koffie drinken, of een bier van hoge gisting. "Nu ook pikante worst", schreeuwt een pancarte aan de muur. Paul (72) is alleen gekomen, Alice (81) is weduwe en Anna (72) en Arthur (72) zijn net terug van vakantie uit Spanje. Anna schuift het bandje van haar horloge opzij en toont het contrast tussen het wit eronder en het zonnebruin ernaast. "Altijd goed weer gehad, en maar één dag regen." Alice droomt weg, want ook zij heeft haar hart verpand aan het zonnige Andalusië.

Paul geneert zich duidelijk. Hij is gekomen om over die andere 'reis' te praten: de vlucht die hem en zijn ouders, zijn zus, oom en grootmoeder van Ekeren naar Abbeville voerde in de meidagen van 1940.

"Ik was toen dertien jaar, dus ik herinner me niet meer alle details. Ik weet nog dat we een triporteur meenamen waarin mijn oom - die slager was - heel wat mondvoorraad had gestopt. We vertrokken vlak na de inval van de Duitsers, maar welk traject we volgden, kan ik me niet meer herinneren. We zijn wel in Kruishoutem geweest. Waarom ik dat nog weet? Omdat ik die naam leuk vond klinken, misschien. En ook omdat we daar allemaal eieren kregen. 'Oorlog of geen oorlog, de kippen leggen', zeiden de boeren."

Uiteindelijk raakten Paul en zijn familie de Franse grens over. Zij bereikten Abbeville. "Daar eindigde de rit. De Fransen deden zeer vijandig tegen ons. Ze waren doodsbang van spionnen. Een Franse soldaat heeft toen zelfs mijn moeder aangehouden omdat hij haar ervan verdacht te spioneren voor les boches. Gelukkig zag hij na een half uur zijn fout in."

"Waar zijn we nu, pa?", vroeg ik.

"In Poperinge", zei hij.

Een plezierige naam was dat, die had ik nog nooit gehoord. Als men negen jaar is, is er echter heel wat dat men nog nooit gehoord of gezien heeft. Toen we vierentwintig uur geleden van huis weggingen, wist ik ook nog niet wat een volksverhuizing was.

(Uit: 'Wierook en Tranen', Ward Ruyslinck, Manteau, 1958, p.6)

Paul had nog geluk, hij is de enige van het gezelschap in De Volkswil die tot in Frankrijk geraakte.

Alice, 23 lentes jong in mei '40, vertelt het verhaal van 'haar' vlucht alsof ze het gisteren pas beleefde. "Ik weet nog precies hoe we gegaan zijn", begint ze. "Ik woonde met mijn man in Anderlecht. Ik vluchtte met mijn ouders, mijn zus, een vriendin en haar zoontje. Aanvankelijk hadden we geluk: er was nog een trein naar de kust. We wilden naar Engeland. In '14-'18 waren mijn ouders daarheen gevlucht. Ik ben ginder geboren. Toen wij in '19 naar huis terugkeerden, sprak mijn oudere broer zelfs geen woord Vlaams meer.

"Maar dit keer hadden we geen geluk. De trein moest zeer vaak stoppen omdat ze de bruggen hadden doen springen. Uiteindelijk konden we niet verder dan Ronse en van daar moesten we te voet verder; naar Kortrijk en dan tot in Menen. Daar zijn we vijf dagen gebleven bij mensen die heel vriendelijk waren en ons binnenpakten. We wilden de Franse grens over, maar die was gesloten. Dan maar naar Roeselare, waar we konden slapen onder de scène van de schouwburg. 's Anderendaags waren we nog maar net vertrokken of we hoorden de bommen vallen op Roeselare. Achteraf hebben we gehoord dat die theaterzaal volledig kapotgeschoten was.

"We stapten verder naar Torhout. Onderweg werden we gemitrailleerd. Dat was verschrikkelijk: die vliegtuigen scheerden rakelings boven onze hoofden en we moesten schuilen in de gracht."

In Torhout kwam er enig soelaas. "We vonden nog een taxi en die reed met ons naar Oostende. Wij hoopten dat we daar nog een boot konden vinden, maar dat was niet zo. Van Oostende werden we naar Bredene gestuurd, waar we sliepen in het 'Zeepreventorium'. De rit eindigde 's anderendaags in De Haan."

Paul onderbreekt Alice. "Wij zijn ook tot in De Haan geraakt. Dat is toevallig!" "Helemaal niet", gaat Alice driftig voort. "In De Haan zat je goed. Daar kon je naar het gemeentehuis gaan en je laten inschrijven als vluchteling. Dan kreeg je gratis brood en soep." "Wij hadden in De Haan een villa gekraakt", zegt Paul. "Pas op! Alleen maar om een dak boven ons hoofd te hebben hè! We hebben niets gestolen of beschadigd."

"Wij sliepen ook in een villa", zegt Alice. "Maar wij werden vriendelijk ontvangen door een conciërge die ons onderdak verleende."

Paul beseft plots de droeve ironie van de geschiedenis wanneer hij zich herinnert dat hij en zijn familie logeerden op een boogscheut van La Familia, het tot voor kort in De Haan zeer ongewenste opvangcentrum voor asielzoekers dat geleid werd door de betreurde Rik D'hondt. "Ja er is veel veranderd in De Haan, blijkbaar."

"Uit de gracht aan de overkant kwam een rauwe, overslaande stem: 'De smeerlappen, daar zijn ze.' De smeerlappen, dat waren de vliegtuigen, de Duitsers. (...) "De aarde dreunde. Pa zei iets, maar ik kon hem niet verstaan. Er was plotseling zoveel lawaai om ons heen, het kwam van boven en van beneden, uit de lucht en uit de grond."

(Uit: 'Wierook en Tranen', Ward Ruyslinck, Manteau, 1958, p. 29)

De verhalen van Anna en Arthur zijn kort. Zij zijn nooit vertrokken uit Turnhout. Anna woonde met haar ouders ten noorden van het Kempens Kanaal, dat de Parel der Kempen doormidden snijdt en in de vroege uren van de tiende mei had het leger de bruggen doen springen. De opmars van de Duitsers moest zo bemoeilijkt worden.

"We zaten als ratten in de val", zegt Anna. "We zijn dan nog tot aan de vaart gewandeld en we hebben een schuilplaats gevonden in een kasteel in de buurt. Daar zaten we dan in het pikdonker, want we waren bang om het licht aan te steken. Plots begon de pasgeboren baby van Anna's zuster te huilen. Vader dook op handen en voeten op zoek naar de tutter van die kleine. Maar hij vond niets. Hij stond op om te gaan wateren. Dat deed hij staande in het deurgat, want hij durfde niet naar buiten gaan. Toen hij de bommen hoorde, liet hij zich vallen, recht met zijn hand op die tutter." Anna lacht.

Arthur woonde op de steenweg naar Oosthoven, vlak naast een bakker en recht tegenover een boerderij. "Mijn vader was gaan vragen of de bakker en de boer zouden vluchten. Toen bleek dat die dat niet van plan waren, zei hij: 'Dan hebben we brood, boter en eieren. We blijven'."

"Eigenlijk was uw vader nog de slimste", zegt Paul gelaten. "Achteraf bekeken was die vlucht zinloos. Toen wij terugkeerden naar Antwerpen was alles nog intact. Er was hier en daar wel geplunderd, maar dat was het werk van de achterblijvers, niet van de Duitsers."

"De Duitsers waren vriendelijk", zegt Alice. "Op de terugweg van De Haan naar Brussel pikten ze er wel de mannen uit. Die werden krijgsgevangen genomen, maar ze lieten ons met rust. Vier jaar later, bij de bevrijding, gingen de moefen veel erger tekeer."

"Een dode heb ik eigenlijk niet gezien tijdens de vlucht", bekent Paul. "Ik heb wel bombardementen gehoord, in de verte. Maar we hadden het lang niet zo slecht: we sliepen altijd wel ergens bij een boer of een particulier. En we hadden voldoende voedsel: brood, kaas, worst. Er was toen nog geen schaarste, zie je. Onderweg waren de bakkers gewoon open."

"Ik heb één dode gezien", zegt Alice ernstig. "Wij zijn ook wel beschoten natuurlijk. Maar achteraf bekeken viel het allemaal wel mee. Echt afgezien hebben we niet. Maar de onzekerheid, de verwarring. Dat was wel erg."

Over de grote exodus in mei 1940 is relatief weinig wetenschappelijk werk verricht. Over het aantal vluchtelingen dat tussen 10 en 28 mei over de Vlaamse wegen ijlde, lopen de schattingen dan ook uiteen. J. Gérard-Libois en José Gotovitch schrijven in hun standaardwerk L'an 40. La Belgique occupée, dat er zich na de capitulatie zo'n 1,5 tot 2,2 miljoen Belgen in Frankrijk bevonden. Aangenomen wordt dat er tussen de 5 en de 8 miljoen Belgen, Nederlanders en Noord-Fransen op de vlucht waren voor de Duitsers.

De Belgische minister van Volksgezondheid verkreeg al snel van de Franse regering dat vijf departementen werden toegewezen aan de Belgen. Die operatie - bedoeld om alle weerbare mannen die op 10 mei het bevel hadden gekregen naar Frankrijk te vluchten, alsnog te kunnen mobiliseren - mislukte en het Rode Kruis werd genoodzaakt dispensaria op te richten tot in de Pyreneeën.

In België werden de vluchtelingen opgejaagd door de Duitse opmars. Het leger moest de vooruitgeschoven verdedigingslinies een voor een opgeven. Brussel en Antwerpen werden al snel ontruimd en ook Gent werd zonder slag of stoot aan de Duitsers 'gegeven'. De aftocht van de soldaten, in de richting van de IJzer, werd fors bemoeilijkt door de enorme vluchtelingenstroom. Op de keper beschouwd ligt de paniekreactie van de Belgische bevolking misschien wel mee aan de basis van de smadelijke nederlaag van het Belgische leger en de geallieerden in de meidagen van 1940.

"Eigenlijk liepen wij gewoon ongelofelijk in de weg van onze eigen soldaten", zucht Paul. "De wegen zaten overvol, je kon niet voor- of achteruit. Informatie was er niet. Nu zou iedereen een gsm meenemen of een radio, maar toen kon je alleen van andere vluchtelingen of van de plaatselijke bevolking enig nieuws vernemen."

De stroom vluchtelingen was zo groot dat alle verkeer van burgers op de West-Vlaamse wegen eigenlijk al verboden werd op 17 mei. Een dwaas (want onafdwingbaar) bevel, zeker omdat Frankrijk op diezelfde dag zijn grenzen sloot.

Minister van Volksgezondheid Marcel-Henri Jaspar ging zich al op 11 mei vergewissen van de heikele toestand in Luik, maar moest tegen een enorme stroom vluchtelingen oproeien die de wegen deed dichtslibben. "Stoelen, kasten, keukengerief, potten en pannen, glazen, vogelkooien, koffers en pakken werden opgestapeld op grote vrachtwagens. Menselijke wezens staken amper boven de deze verzameling van schamele bezittingen uit. De gezinnen wilden hun hebben en houden, hun schamele spaarcenten en de vruchten van hun kalme en hardnekkige arbeid redden van de vloedgolf die hun middelmatige levens dreigde te overspoelen", schreef hij nadat hij de regering in ballingschap in Londen had vervoegd.

Koning Leopold III stond op 28 mei voor een verschrikkelijke keuze: ofwel doorvechten en honderdduizenden onschuldige vluchtelingen blootstellen aan de alles vernietigende stukabombardementen, ofwel capituleren. Hij koos voor het laatste en haalde zich daarmee de haat en de woede van Britten en Fransen op de hals. Die verweten het Belgische leger niet lang genoeg te hebben standgehouden. Toch maakte onder meer het hardnekkige Belgische verzet tussen 24 en 28 mei het 'mirakel van Duinkerke' mogelijk.

De paniek van de Belgische bevolking was achteraf bekeken niet nodig geweest. De blitzkrieg had hier en daar wel zware schade aangericht - zo werden steden als Aalst, Doornik, Tielt en Enghien gebombardeerd - maar in het algemeen bleef de burgerbevolking gespaard van de oorlogsgruwel. Dat was in 1914 wel anders geweest en het was precies die herinnering aan de Grote Oorlog die heel wat Belgen naar het westen dreef.

Alice: "We dachten dat het leger weer stand ging houden aan de IJzer en we hoopten allemaal Frankrijk of Engeland te bereiken."

In 1914 had de vluchtelingenstroom van zuid naar noord geleid. Op 4 augustus, bij de inval van de Duitsers, sloegen tienduizenden Belgen op de vlucht. In totaal zouden, na de val van Antwerpen op 10 oktober, naar schatting één miljoen landgenoten hun toevlucht zoeken bij onze neutrale noorderburen. Al op 12 oktober begon de Belgische overheid onderhandelingen met de Duitse bezetter over de terugkeer van de burgerbevolking. De Nederlanders hadden de naar schatting 40.000 gevluchte (gedeserteerde?) Belgische soldaten geïnterneerd. De terugkeer verliep vlot: in december bleven er nog 200.000 vluchtelingen over. Ongeveer 105.000 Belgen zouden de hele oorlog in Nederland doorbrengen.

De opvang van de vluchtelingen was een puur particulier initiatief. De Nederlandse overheid had laten weten dat het vluchtelingenprobleem geen zaak van de regering was. Vooral het Nederlands Comité tot steun aan Belgische en andere slachtoffers (later kortweg Amsterdam Comité genoemd) was zeer actief. Van Bergen-op-Zoom over Roosendaal, Tilburg tot in Groningen werden opvangkampen ingericht. Ook werden duizenden Belgen 'toegewezen' aan Nederlandse opvanggezinnen. Die kregen een kleine vergoeding ("geen geldgewin") van het Amsterdams Comité.

Bij het onderbrengen van de vluchtelingen werd gestreefd naar het type huisvesting dat 'paste bij de sociale status van de vluchteling'. Vermogende Belgen en de zogenaamde pauvres honteux ('stille armen') kregen de toestemming zich buiten deze vluchtoorden te vestigen. De 'stille armen' kregen daarbij zelfs een hogere uitkering (0,70 gulden per volwassene per dag; 0,50 gulden per kind per dag) dan de 'arme' vluchtelingen (0,35 gulden per volwassene per dag; 0,20 gulden per kind per dag).

Deze arme vluchtelingen werden ingedeeld in drie categorieën: A. gevaarlijke of ongewenste elementen, B. de minder gewenste elementen. C. de fatsoenlijke behoeftigen.

"Op 10 mei '40 heb ik in Ekeren Nederlandse vluchtelingen gezien", herinnert Paul zich nog. "Toen kwamen zij bij ons schuilen. Maar veel heeft het niet geholpen."

De Nederlandse vluchtelingen brachten in mei '40 wel vreselijke verhalen mee over het bombardement op Rotterdam, een van de schandelijkste oorlogsmisdaden uit de Tweede Wereldoorlog. Zo attent en voorkomend de Duitsers waren in België, zo wreed en bloeddorstig waren ze in Nederland. "We waren gewoon doodsbang en daarom zijn we gevlucht", zegt Alice.

"In onze familie werd nadien nooit over de vlucht gesproken. Niemand is echt trots op die periode. Het was allemaal zo zinloos: meer dan drie weken als een kip zonder kop rondlopen en dan naar huis terugkeren alsof er niets gebeurd is, 't is niet fraai natuurlijk.

"Maar de afgelopen weken, met al die beelden van de Albanese vluchtelingen in Kosovo, komen de tongen weer los. Die mensen zijn niet zo rijk als wij, natuurlijk. Ze zien er net uit zoals wij er in 1940 moeten hebben uitgezien. Als ik naar het journaal kijk, zie ik net mijn eigen familie lopen."

Maar alle vier zijn ze het erover eens dat het lot van de Albanese Kosovaren duizendmaal droever is dan het lot dat hen in mei '40 te beurt viel. "Dit is misdadig. Wij vertrokken destijds uit vrije wil. Deze mensen worden uit hun huizen verjaagd. Ze moeten toezien hoe hun mannen en zonen worden vermoord."

"Het belangrijkste verschil", mijmert Alice, "is dat wij naar huis konden komen... Ik herinner mij nog mijn thuiskomst. Ik zei tegen mijn moeder: 'Nu ga ik eens een goei taske koffie zetten zie.' En ik ging naar de kelder waar ik een enorme voorraad koffie had aangelegd. Maar de kelder was leeg. Alles weg. Ik dacht dat de buren ermee weg waren, maar al snel hoorde ik dat mijn man - die een dag na ons vertrokken was om zijn eenheid te gaan zoeken - alle voedingswaren had weggegeven. 'Ik geeft het nog liever weg dan dat den Duits ermee gaat lopen', had hij gezegd. De oorlog begon dus niet zo goed voor mij: ik moest als bezeten beginnen hamsteren."

Alice zag haar man Walter pas in augustus terug. Al die tijd had ze geen nieuws van hem. "Achteraf vertelde hij dat hij vijf dagen in Menen was geweest, net toen wij daar ook waren. En toch hebben we mekaar nooit gezien. Ik ging nochtans elke dag naar 'het bord' kijken waar iedereen kriskras door mekaar briefjes had geprikt. Iedereen was op zoek naar familieleden of vrienden."

In La Libre Belgique zou nog de hele zomer van 1940 lang een rubriek Qui a vu? verschijnen. Voor 1,5 frank per lijn kon je er een zoekertje plaatsen. Een voorbeeld: "Prière au jeune homme qui a donné nouvelles du M. d. L. Martial Patigny, au camionneur de la brasserie, de bien vouloir se fair connaître au 92, rue Despy, Fontaine-l'Evêque." Wie op dat moment een dagboek bijhield en vlijtig brieven naar huis schreef, was Gustaaf van den Broeck. Hij was op 10 mei vertrokken naar Wachtebeke om er zijn eenheid te vervoegen. Na lange omzwervingen had hij de Pyreneeën bereikt. Daar maakte hij deel uit van de 2de Groep, 1ste Sectie van het Camp des Réfugiés Belges Mobilisables en France 5.511ste Cie Burges les Brassac par Foix in de Oriège. De dagboeknotities zijn kort en je leert er vooral uit dat de Belgische soldaten zich stierlijk verveelden in wat ze al snel 'rot Frankrijk' gingen noemen. Er werd gekaart, naar de koers of zelfs de mis gegaan en - naarmate het gedwongen verblijf in het zonovergoten Frankrijk bleef duren - werd er ook veel 'plezier gemaakt'. Op 20 juli schrijft Gustaaf: "Halven dag verplichte corvé gehad; omdat we 's avonds daarvoor te veel plezier maakten." Begin augustus zit het avontuur erop. Na een treinreis van drie dagen komt Gustaaf op 10 augustus weer in Oolen aan.

Wie zich op dat moment nog altijd in het zuiden van Frankrijk bevond, was Albert. Deze dertigjarige neuropsychiater uit Brugge was gemobiliseerd bij het begin van de oorlog maar zijn eenheid moest zich onder Duitse druk naar Frankrijk terugtrekken. Uiteindelijk belandde ze in Montpellier. Niemand was naar Albert op zoek, want Andrée Verstraete, zijn zwangere echtgenote, was met hem meegereisd. Op 7 augustus, één dag na haar 24ste verjaardag, bracht ze in een schamele kraaminstelling van het leger haar zoon Jean-Luc ter wereld. Voluit heette hij Jean-Luc Dehaene.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234