Zaterdag 18/01/2020

Efficiënt

literaire lente: Vlaanderen schrijft! De generatie dertigers

eigentijds

cynisch

Het nieuwe Vlaamse proza van auteurs als Dimitri Verhulst en Annelies Verbeke wordt zowel in Nederland als in eigen land bejubeld en verkocht. Waait er werkelijk een nieuwe wind door literair Vlaanderen? Door Bert Bultinck

Je zult maar in de vroege jaren negentig een Vlaamse roman uit hebben gebracht. Als je de recente berichten in de Nederlandse pers mag geloven, hebben Paul Mennes, Jean-Marie Berckmans of Pol Hoste amper iets van betekenis voortgebracht. In hun snelle, plotseling flandrofiel geworden overzichten springt het ineens van Lanoye-Brusselmans-Hemmerechts naar Mortier-Verbeke-Verhulst en blijven boeken van betekenis, zoals Soap van Mennes, Het zomert in Barakstad van Berckmans of High Key van Hoste onvermeld. Alle aandacht gaat naar the next big thing en dat heet dan in dit geval Blanco (Peter Terrin), Lucht (Bart Koubaa) of De onzichtbare (Jeroen Theunissen).

De laatste maanden werd de literair geïnteresseerde Vlaming in de binnenlandse pers uitvoerig geïnformeerd over het jongste Hollandse charmeoffensief. De Vlaamse aandacht voor de Nederlandse goedkeuring verraadt een postkoloniaal gevoel, dat maar blijft nazinderen: in Vlaanderen is het nog steeds groot nieuws als grote broer ons zelfverklaarde geploeter welwillend bejegent. Zowel NRC ('De Belgen zijn beter'), Het Parool ('Waar komen al die Belgen ineens vandaan?') als Vrij Nederland ('De Vlaamse Connectie') vonden in het Vlaamse proza van de laatste vijf jaar een aanleiding om een lekker generaliserend stuk te maken. In het spoor van Frank Hellemans' binnenlandse poging om "De Dertigers" onder één noemer te vatten (in Knack), had men het in de Nederlandse kranten over "een geanimeerde schrijversbent", over "de opmars der Vlamingen", en "de Nieuwe Belgen".

Men zou van een gelijktalig buurland toch wel mogen verwachten dat men weet dat 'Belg' en 'Vlaming' andere begrippen zijn, maar ook los van die spraakverwarring bleken de krantenartikelen niet altijd betrouwbare producten van de journalistieke vereenvoudigingsbusiness. Natuurlijk: het bestsellersucces van Slaap! van Annelies Verbeke in Nederland, de mediatieke commotie rond Tom Naegels' Los (inclusief de aankondiging van de verfilming) en de geplande verfilming én het eclatante verkoopsucces van Dimitri Verhulsts De helaasheid der dingen staan niet ter discussie. Ook de opvallende aanwezigheid van Vlaamse auteurs op de longlist van de Libris Literatuurprijs is gewoon een feit. Naast Naegels kregen ook Stefan Brijs, Jan Van Loy, Peter Verhelst en Elvis Peeters op die manier extra aandacht - ook al bleven alleen Peeters en Brijs overeind bij het opstellen van de shortlist. En ten slotte zijn er natuurlijk ook de virale effecten van de media zelf: zo-dra de buzz begint te zoemen, blijft hij een tijd nazinderen en wordt ten slotte zelf onderwerp van gesprek. Zo worden reputaties, stromingen en generaties gevormd. Men kan morren over de kunstmatige, journalistiek-opportunistische manier waarop imago's en tijdsbeelden worden gecreëerd, maar blijkbaar blijft iedereen in dat soort labels en lijstjes geïnteresseerd. Ze zullen wel enige survivalwaarde hebben: het gemakkelijke etiket als dam tegen de chaotische stroom van debuten en bijna-meesterwerken die na een maand of drie uit de rekken verdwenen zijn. En uit het collectieve geheugen.

Maar wat zou er werkelijk gemeenschappelijk zijn aan de nieuwe lichting schrijvers, behalve dat ze allemaal rond de dertig jaar oud zijn, Vlaming en auteur? In de Nederlandse berichten kwam de meest overtuigende stelling erop neer dat de genoemde Vlamingen beter zouden zijn omdat ze meer lef hebben. Onder meer omdat ze zo dicht bij het machtscentrum van de grachtengordel zitten, zouden Nederlandse auteurs de laatste tijd verzanden in keurig, netjes, goed gestructureerd en hopeloos saai proza. In NRC heette het dat de Vlamingen de urgentie hebben waar het Nederlanders aan ontbreekt, terwijl de noorderburen te hard zouden hengelen naar succes, volgens de regels van de kunst: "druk denkend over thema's, verhaalopbouw, psychologie van personages en meer lemma's uit het Handboek Schrijven". Voor de middelmatige Nederlandse literatuur is daar zeker iets van aan, maar dan hebben we het dus nadrukkelijk niet over A.F.Th., de familie Meijsing of zelfs Maarten 't Hart, maar wel over de mineure jongere lichting - en ook daar zitten talenten tussen, zoals Stephan Enter.

Nochtans is ook Stefan Brijs' De engelenmaker zeer traditioneel van opbouw, nogal risicoloos van plot en toch volstrekt Vlaams. Volgens hun schema's zou die well-made novel een door en door Nederlands boek moeten zijn. Vreemd ook dat de Nederlanders vol lof zijn over "het uiterst onbehaagziek proza van schrijvers die stuk voor stuk over een eigen stem beschikken", maar toch bijna unaniem een van de meest experimentele Vlaamse romans van vorig jaar (Peter Verhelsts Zwerm) de grond in schreven.

Het zal geen verrassing zijn dat ook de lijstjes zelf verschillen: zo heeft NRC het over Saskia De Coster en Paul Verhaeghen, terwijl Knack geen van beiden vermeldt, en Vrij Nederland enkel De Costers naam laat vallen. Annelies Verbeke, Dimitri Verhulst en Yves Petry worden overal vernoemd, maar Elvis Peeters' ster begon pas te rijzen na de bekendmaking van de Libris shortlist en ook David Nolens' talent wordt niet door iedereen erkend - ook niet in eigen land, overigens. In De Standaard deed Jeroen Overstijns erg zuinig over zijn novelle Het kind.

En toch. Wie zich een paar weken met de stapel van de bedoelde Vlaamse romans opsluit - en die stapel is alles bij elkaar toch al snel een klein metertje hoog - kan zich niet van de indruk ontdoen dat er inderdaad een paar gelijkenissen zijn. Hoe tentatief en onzorgvuldig gemeenschappelijke noemers ook mogen zijn, door de duizenden bladzijden heen doemt er een soort van groepsportret op. Twee van de drie cruciale kleuren van dat groepsbeeld spreken voor zich. Ten eerste blijkt dat alle genoemde auteurs meer dan vroegere generaties het metier onder de knie hebben. Ze blijven weg van kromme zinnen en ze hebben een goed gevoel voor structuur en ritme. Ten tweede zijn hun romans ook radicaal eigentijds en actueel - er zitten geen historische romans tussen, geen filosofische bespiegelingen, of dan toch niet van eeuwige aard (Yves Petry's boeken kunnen bogen op een vorm van filosofische diepgang, maar dan niet van de Platoonse variant). Een derde grondmotief is minder evident en verwijst naar een specifiekere inhoud: niet alle jonge Vlamingen, maar wel erg veel onder hen worstelen in hun romans met een of andere vorm van romantiek. Dat kan de romantiek van de liefde zijn (zoals bij Annelies Verbeke of Saskia De Coster), de al dan niet fake romantiek van het marginale bestaan (Jan Van Loy in zijn debuut Bankvlees en Dimitri Verhulst zowat overal) of zelfs de romantiek van de gewone mens in de arbeiderswijk (Tom Naegels).

Om met het begin te beginnen: eerst was het woord, en het woord was goed gekozen. Durf en maatschappelijke betrokkenheid kunnen zijdelings in aanmerking komen voor grootste gemene deler, maar de opvallendste gelijkenis is wellicht toch de banaalste: de genoemde Vlaamse romans zijn gewoon goed geschreven. Ook al gaan hier en daar licht jaloerse stemmen op die Tom Naegels' Los vergelijken met een schoolopstel, ook die roman zit goed in mekaar. De zinnen mogen dan niet van een onwaarschijnlijke stilistische kracht getuigen, ze sorteren wel effect. Theunissen, De Coster, Nolens, Terrin en Petry zijn zonder meer stijlmeesters, die soms naar het maniërisme (Theunissen en Petry) of zelfs fetisjisme (De Coster) neigen. Ook als sommige van de Vlaamse dertigers niet altijd veel te vertellen hebben, dan hebben ze hun verhaal altijd wel goed op papier gezet.

Het beste adjectief om dat vakmanschap te beschrijven is wellicht 'efficiënt'. Jan Van Loys 'Manhattan on the Left Bank', het openingsverhaal van zijn bundel Alfa Amerika, bijvoorbeeld, is zo overtuigend omdat het de rijke plot heel economisch aan de man brengt. Bij hem geen stijlbloempjes, geen vernuftige metaforiek en geen alliteraties, tenzij in de oneliners, die op onmiddellijke effecten uit zijn: Van Loys proza wil strak zijn, viriel en krachtig - en dat is het in dit verhaal allemaal. Bij Annelies Verbeke vind je soortgelijke regels ("Het moment waarop je beseft dat je geen affaire hebt, maar er een bent, is uitzonderlijk demotiverend", heet het bijvoorbeeld in haar tweede roman, Reus) en een gelijksoortige nadruk op de plot. Voor een groot aantal van de dertigers zijn romans in de eerste plaats verhalen en gaat het erom die verhalen zo goed mogelijk te vertellen.

Doeltreffend is ook de manier waarop ze hun romans structureren. Hoe vertel ik mijn verhaal zodat de lezer het kan volgen, zonder dat ik in de eenparig rechtlijnige beweging van de chronologie verval? De oplossing die vele auteurs verkiezen is klassiek, maar werkt wonderwel: neem twee personages of plotlijnen en wissel die af, met om het andere hoofdstuk een vervolg op wat voorafging. Dat is het duidelijkst bij Slaap! van Annelies Verbeke, maar ook Saskia De Costers debuut Vrije val springt expliciet van hoofdpersonage Charlotte naar Atlantis, het andere hoofdpersonage. Naegels' Los wordt aangedreven door de wisselstroom tussen de euthanasie van zijn grootvader en de migrantenproblematiek. De link tussen de twee lijkt zich gelukkig te beperken tot een toevallige gelijktijdigheid. In Het kind van David Nolens komen de lijntjes wel samen: Paul en Judith zijn het ene koppel, Bug en Fien zijn de namen van het andere en beide zijn op zoek naar de zin van hun bestaan en weten niet of ze die in de voortplanting kunnen vinden. Ze zijn met elkaar bevriend.

Ook inhoudelijk kiest de jonge Vlaamse romancier eieren voor zijn geld. Naast efficiënt moet het proza ook in de onvoltooid tegenwoordige tijd gesteld zijn, dicht op de huid van de tijd. Deze generatie is dan misschien wel niet meer lost, ze is in alle geval los - van God, bijvoorbeeld, maar ook van het politiek correcte denken of ouderliefde. Daarom schrijven ze boeken over richtingloosheid, keuzestress en onveiligheidsparanoia - en dat laatste neemt vooral in Peter Terrins sluipende roman Blanco beangstigende vormen aan. Het adagium "write what you know" wordt meestal toegeschreven aan de negentiende-eeuwse Britse schrijfster Jane Austen, maar de Vlamingen weten er ook wel raad mee. Ze schrijven over het bevreemdende leven van alledag, meestal in de stad, en zijn niet blind voor gentechnologie, zelfmoord en "skull fucking"- sites op het internet.

Waar ze het niet over hebben, is de taal. Het Nederlands (geen van allen experimenteert echt ten volle met het Vlaams) is in de eerste en de laatste plaats een communicatiemiddel: soms een wapen, altijd een instrument, nooit een onderwerp. Poststructuralistische overpeinzingen over signifiants en signifiés, over de kloof tussen woord en ding, over de onmogelijkheid van de representatie - ze zijn bijgezet op het filosofieplankje, waar men eerder naar Sartres L'existentialisme est un humanisme of Nietzsches Jenseits von Gut und Böse zal grijpen dan naar Paul De Man of Jacques Derrida. Die laatste werd beroemd met de uitspraak dat er niets buiten de tekst is, maar voor deze generatie is dat onzin. Er is een buiten, en het staat in brand. Of toch een beetje. Vrij Nederland mag dan wel terecht spreken van "een verontrustende deconstructie van de samenleving, waarin het persoonlijke zeker niet apolitiek is", maar bij het begrip 'deconstructie' moet men dan vooral niet denken aan ingewikkelde taalfilosofie, maar aan een duur woord voor kritiek.

Het schrijversengagement vertrekt inderdaad vanuit intieme ervaringen, persoonlijke anekdotes en individuele, soms nog moeilijk te onderscheiden emoties. De romans voeren geen vaandeldragers op, geen liefdadigheidswerkers of pastoors, maar zeer kwetsbare personages, die elkaar de duvel aandoen, daar al dan niet spijt van krijgen en ondertussen veel te veel romantische aspiraties koesteren - en daar vooral geen spijt van willen krijgen. Het zal niemand verwonderen dat deze adolescenten van dertig jaar nog moeten beslissen of ze hun spannende en gevaarlijke dromen willen inruilen voor een beschermde maar saaiere realiteit. Zowat alle dertigers - ook de niet-schrijvende - kunnen maar moeilijk afscheid nemen van hun jeugd, van de rock-'n-roll, van the road not taken. Daarom zijn ze eigentijds, daarom zijn hun verhalen herkenbaar, daarom zijn hun boeken in trek. In tijden waarin men de weg kwijt raakt in de nieuwe media, moet een stokoud en daardoor minder sexy medium als een roman een direct nut hebben. Men zal er van leren, men zal er weg mee vluchten, men zal zien dat het allemaal nog niet zo erg is, dat het bij andere mensen erger is en dat het ook bij hen altijd nog erger kan. Dat lucht op, ergens.

De spanning tussen verwachtingen en realiteit leidt niet zelden tot cynisme. In De laatste woorden van Leo Wekeman van Yves Petry, zonder meer een van de beste romans van de hele bende, werkt het hoofdpersonage Wekeman als journalist voor De Stem, "de alomgerespecteerde kwaliteitskrant met zijn progressieve imago". Maar de hoofdredacteur van hetzelfde dagblad weet wel beter. Hij zoekt de "weg van de minste weerzin", likt de juiste reten en neemt af en toe zijn toevlucht "tot modieuze gedrags- en expressiepatronen om enigszins de schijn van bestaan te kunnen ophouden". Beschaving is het theater van de slimmen voor de dommen. Wekemans tolerante houding ten aanzien van homo's bijvoorbeeld, heeft niets nobels. Het is de uitkomst van de optelsom van een aantal sociologische variabelen, volstrekt volgens het deterministische recept van Auguste Comte, ook al een negentiende-eeuwer: "Vanaf mijn zestiende hebben mijn interesses en mijn vrienden en daarna mijn opleiding, loopbaan en andere toevalligheden me geleidelijk aan doen belanden in een socio-intellectuele klasse waar het belijden van een dergelijke tolerantie tot het vanzelfsprekende lippenwerk behoort."

Niets is wat het lijkt, en dat is eigenlijk maar goed ook. In 'Bodega Vespucci', een ander verhaal uit Alfa Amerika van Van Loy zegt het bijdehante personage Johnny: "De werkelijkheid is niet plausibel." In Jeroen Theunissens De onzichtbare heeft het hoofdpersonage Herbert dan weer last van stemmen, die misschien echt, misschien ingebeeld zijn: "Niet op letten, op die man, die man is onzichtbaar, die man komt slechts een kijkje nemen. Niet op letten, op die stemmen, die stemmen zijn ingebed in de nacht. Niet op letten, op die ratten, die ratten zijn robots, machines, artefacten gestuurd door illusoire genen." In Peter Terrins Blanco, ten slotte, slaat de carjackmoord op zijn vrouw Viktor volledig uit het veld. Zijn wantrouwen tegenover de meest onschuldige onderwijzer neemt gewelddadige vormen aan. De waanzin loert.

Niet allemaal zijn ze cynisch, de Vlaamse schrijvers. Paul Verhaeghens magnum opus, Omega minor, bijvoorbeeld, speelt ook driftig met realiteit en fictie, maar de ondertoon is zonder meer humanistisch. De menselijke goede wil is bij Verhaeghen niet vanzelfsprekend - Verhaeghen is veel te slim om naïviteit nog schattig te vinden - maar de auteur rouwt niet om zijn teleurstellingen. Hij past dan ook niet helemaal in het bovenstaande plaatje. Omega minor is eigenlijk een Amerikaans boek, geschreven door een Vlaming. Even exotisch zijn de romans van Bart Koubaa, waarvan vooral het tweede, Japanse luik Lucht enig potentieel liet zien. Tom Naegels is dan weer te socialistisch om cynisch te zijn; bij hem zou cynisme geen uitlaatklep zijn, maar een nederlaag. Dat Het Parool hem een "soort verhalende Wouter Bos" noemt (naar de succesvolle en gewiekste fractievoorzitter van de Nederlandse PvdA) is ietwat oneerbiedig, maar helemaal van de pot gerukt is het niet. Theunissen is zeer zeker bloedromantisch. Naast zijn novelle Oskaartje (in afleveringen gepubliceerd in het tijdschrift Yang) en zijn roman De onzichtbare steekt ook zijn poëziedebuut Thuisverlangen dat niet onder stoelen of banken. Maar ook bij hem is het cynisme veeleer een vijand dan een optie. Dat betekent echter wel dat die levenshouding vrijwel altijd een onderwerp is, zeker voor de twee laatstgenoemden.

Is er dan reden tot juichen in letterenland? Wel ja, een beetje wel. Niemand zal het jammer vinden dat de Vlaamse schrijfvaardigheid er zienderogen op vooruit is gegaan. Dat lezers ook iets lijken te hebben aan romans als Problemski Hotel (de vorige roman van Verhulst, die inhoudelijk een stuk straffer is dan zijn huidige succesboek) of Elvis Peeters' De ontelbaren kan ook niet tot ontevredenheid stemmen. De Nederlandse aandacht is daarbij meegenomen en financieel interessant. Zolang de zelfgenoegzaamheid haar lelijke kop niet opsteekt, lijkt de literaire toekomst in Vlaanderen zonder meer veelbelovend.

Maar veelbelovend betekent meteen ook dat vele van de genoemde dertigers (en jonge veertigers - onder meer Jan Van Loy) een en ander nog moeten waarmaken. Zowel Saskia De Coster, Jeroen Theunissen als Peter Terrin brengen deze maand nieuw werk uit, dat u wekelijks in deze bijlage besproken zult vinden. Net als bij Tom Naegels en Jan Van Loy is het afwachten of het bij dat ene spraakmakende boek blijft. Maar dat die vraag in zekere zin echt spannend is - en dat er dus met een zekere nieuwsgierigheid naar de nieuwe romans wordt uitgekeken - dat geeft op zijn minst aan dat er iets bougeert. Dat is, enkele straffe boeken van Mennes, Hoste of Berckmans niet te na gesproken, in een niet zo ver verleden namelijk weleens anders geweest.

Bert Bultinck

Literaire lente: www.boek.be

In de Nederlandse berichten kwam

de meest overtuigende stelling erop neer

dat de genoemde Vlamingen beter zouden zijn omdat ze meer lef hebbenDeze generatie is dan misschien wel niet meer lost, ze is in alle geval los - van God, bijvoorbeeld, maar ook van het politiek correcte denken of ouderliefde

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234