Vrijdag 24/01/2020

Eenzaamheid als troost

Geschreven gesprekken van Rutger Kopland: 'Mooi, maar dat is het woord niet'

Koen Vergeer

Niet van geluk noch van verdriet maar van eenzaamheid zullen uw ogen en oren en handen volstromen

Aldus de stem van de profeet die spreekt in Rutger Koplands onlangs bekroonde dichtbundel Tot het ons loslaat. Eenzaamheid wordt een steeds belangrijker begrip in het oeuvre van Kopland. Het lijkt de sobere, troostende kelder onder alle tegenstrijdige, complexe aandoeningen en ontroeringen die het leven en de poëzie bepalen. "Daarom zeg ik, daarom is eenzaamheid / het zijn grote woorden, ik weet het / maar het is zoals gezegd en iedere hoop / op andere woorden dan deze is ijdel." Aldus nogmaals de profeet.

De dichter Kopland spreekt steeds vaker als essayist. Mooi, maar dat is het woord niet is inmiddels zijn derde essaybundel. En zijn beste. Want zoals eenzaamheid een verdieping is van ontroering, zo is deze bundel de vervolmaking van wat Kopland bewoog in Het mechaniek van de ontroering, zijn eerste bundel essays uit 1995.

Dit boek is het verslag van een reeks hoorcolleges die Kopland vorig jaar gaf aan de Universiteit van Groningen. Of eigenlijk zijn het geen colleges, maar 'geschreven gesprekken' met dichters. Na zijn colleges vroeg Kopland de dichters die hij besprak om een uitgebreid antwoord. Die antwoorden zijn opgenomen in de bundel. Zo krijgt de lezer inzicht in het werk en in de beweegredenen van Esther Jansma, Frank Koenegracht, K. Michel, Tonnus Oosterhoff en Martin Reints, dichters die Kopland gekozen heeft "uit bewondering en nieuwsgierigheid". Maar voor alles krijgt men inzicht in wat Kopland zelf zoekt, vindt en verwacht van poëzie.

Eenzaamheid. Er zijn vele soorten eenzaamheid, maar Kopland heeft een speciale op het oog. Een licht melancholische, existentiële, heroïsche eenzaamheid. Een soort extatische eenzaamheid, die je slechts kortstondig ervaart: "Al die ontroeringen hebben een gemeenschappelijke noemer: we horen bij deze wereld, zij geeft ons even een antwoord op de vraag waar we zijn en tegelijk wordt het ons duidelijk dat de wereld buiten 'de onze', de 'echte' wereld dus, volstrekt onverschillig is jegens ons; hoezeer wij ook van haar houden, haar haten, haar vertrouwen, haar vrezen, Moeder natuur gaat haar eigen, nietsontziende gang. Zij maakt en breekt en god mag weten waarom. Zij ziet ons en vergeet ons op hetzelfde moment. (...) Een eigenaardig 'objectief' besef, dat we verdriet of vreugde proberen te noemen, maar het niet is. Alleen het woord 'eenzaamheid' komt in de buurt."

Uit poëzie, de poëzie volgens Kopland welteverstaan, spreekt dat besef van eenzaamheid ook. In het essay over Herman de Coninck, waarmee de bundel besluit, omschrijft Kopland het als een "verdrietig geluksgevoel", een melancholische waarheid: "wij zijn tijdelijk, wij zijn alleen, het is niet anders". Maar het bijzondere van poëzie is dat die eenzaamheid de lezer troost: "de lezer weet en voelt zich niet herkend als slachtoffer van zijn eigen lot, doordat dat lot door de dichter met hem wordt gedeeld". Dat is het eigenaardige, dubbele van poëzie: ze drukt je op de enorme eenzaamheid, maar laat je niet alleen.

Deze dubbelheid zit ook in de aanpak van Koplands essays. Gedichten, stelt hij voortdurend, zijn een soort pseudo-personen: lezend heeft hij het gevoel dat "een gedicht zich als een persoon tot mij richt". Dat is al wat minder eenzaam, maar het is blijkbaar nog niet genoeg. Want al verzekert Kopland regelmatig dat de dichter en het ik in een gedicht verschillen, toch is hij benieuwd naar de maker. Daarom immers laat hij de andere dichters in zijn bundel aan het woord. De pseudo-persoon die het gedicht is, is toch minder 'pseudo' dan Kopland het doet voorkomen. Maar dat is juist het spannende: poëzie en het lezen van poëzie balanceren voortdurend op een grens van afstand, inleving en betrokkenheid. Het zit ingebakken in de empathische houding die Kopland onmisbaar acht in de poëzie. En niet alleen in de poëzie: "Het is de houding die iedereen nodig heeft om op een creatieve manier met de werkelijkheid om te gaan."

Koplands besef van eenzaamheid, het "verdrietige geluksgevoel", bleek al, is kortstondig en paradoxaal. Bij veel van de door hem gekozen dichters vindt Kopland een verwante kortstondige luciditeit die schuilt in de grap. In de poëzie van Frank Koenegracht treft hem het samengaan van humor en troost. Ook Tonnus Oosterhoff laat hem regelmatig schateren: "telkens welt er bij het lezen een lach op; die komt diep uit mijn lichaam en vertelt me dat het hier om onzin gaat die dat niet helemaal is". In het werk van K. Michel stuit Kopland steeds weer op "een soort weemoedige hilariteit, een vreemd weten: het is onzin en het is het niet. Een eigenaardig gevoel 'alles te begrijpen' en tegelijk weten dat dit gevoel intens maar vluchtig is, niet meer is dan een flits, dat je het niet vast kunt houden, dat het je even bevangt, maar even snel weer zal loslaten. En vreemd is ook dat weemoedige weten: dit gevoel hoeft ook niet te blijven, het mag wel voorbijgaan."

Is dat zo? Mag het voorbijgaan? Of is de mens gewoon nog niet toe aan het bevatten van dergelijke paradoxen? Regelmatig wijst Kopland erop dat de poëzie een beroep doet op "een ander stuk brein", het stuk brein waar we met ons brein niet bij kunnen. Hoopt Kopland ergens in zijn empirische achterhoofd dat de poëzie dat stuk brein behoudt en op den duur misschien bewoonbaar maakt?

Hoe het ook zij, de kortstondige, lucide en nauwelijks analyseerbare grappenmakerij lijkt de lichtvoetige variant van het verdrietige geluksgevoel, de eenzaamheid. Maar het gaat Kopland wel om een heel specifiek soort grappen. Naar aanleiding van het werk van Martin Reints zegt hij: "Het beste is grappen te maken, maar het even beste is ze zo te formuleren dat ze geen grappen meer zijn." Nog zo'n paradox: grappen die geen grappen meer zijn, maar waar het om draait is de formulering, de vorm, de techniek: "Er is in deze gedichten (van Martin Reints, KV) ongetwijfeld een zeer ernstige ondertoon, maar het is de techniek waarmee ze zijn geschreven die de ernst luchtig en lichtvoetig maakt."

Kopland onderstreept de rol van de techniek nog eens extra in zijn essay over Esther Jansma. Hij leest het gedicht 'De val' over de dood van een kind. Haarscherp verwoordt hij zijn indrukken, om ten slotte uit te komen bij de vorm, de techniek: "Zelf heb ik nooit een kind verloren aan de dood, terwijl het gedicht me treft op een existentiële plek in mijn ziel. Geen medelijden, geen verdriet, geen blijdschap voel ik, het is eigenlijk geen gevoel dat ik voel, het is meer een besef, een besef van zoiets als 'eenzaamheid'. Het is helemaal geen onaangenaam besef. Het is de gedachte: ja, met deze dreiging van ooit alleen te moeten vallen en alleen te moeten laten vallen, daarmee moet ik leven, ja zelfs, daaraan dank ik de intensiteit van het leven, op zo'n moment, tijdens het lezen van dit gedicht. Hoe speelt het gedicht dit klaar? (...) Het (...) ontleent zijn kracht aan de techniek, de vorm, de manier waarop dit mechaniek van woorden, klanken, melodietjes, ritmes in elkaar is gezet."

Acribisch lezend is Kopland steeds op zoek naar de techniek van het gedicht en de dichter. Zorgvuldig vermijdt hij al te veel apothekerspraatjes, zijn analyses gaan ver en blijven tegelijk eenvoudig te volgen. Het zijn uiterst boeiende leesverslagen (te lang om te citeren, vandaar dat u er hier niets van terugvindt) die voortdurend getuigen van sterke empathie. Zo sterk dat Kopland ten slotte de makers zelf maar heeft uitgenodigd om hun licht te laten schijnen over hun poëzie. Deze antwoorden, soms humoristisch (Koenegracht) of verhelderend (Oosterhoff), maken van Mooi, maar dat is het woord niet een zeer dynamische bundel met een opmerkelijke en indringende blik in de hedendaagse poëzie.

Rutger Kopland, Mooi, maar dat is het woord niet. Geschreven gesprekken met Esther Jansma, Frank Koenegracht, K. Michel, Tonnus Oosterhoff, Martin Reints, Van Oorschot, Amsterdam, 183 p., 698 frank.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234