Dinsdag 14/07/2020

Eenzaam in deblessuretijd

De zomer van 2003 zal herinnerd worden als een grand cru: toptemperaturen, topvakanties en topfestivals. Toch zit er een vlekje op het blazoen van deze recordzomer. Zelden kwam de vereenzaming in onze maatschappij zo schrijnend aan het licht. Ook al vielen in België officieel geen hittedoden, de eenzaamheid onder de bejaarden nijpt hier even hard. Vier rusthuispatiënten over verlatenheid en over de tijd, die tergend traag wegtikt.

Erik Raspoet / foto's stephan Vanfleteren

Veel aan Bart FM Droog gedacht, de jongste tijd. Vorig jaar lichtte de Groningse stadsdichter in deze krant zijn takenpakket toe. Een van zijn missies bestond erin begrafenissen op te luisteren met een op maat gecomponeerd gelegenheidsvers. Alleen overledenen zonder nabestaanden of verwanten die ambtshalve ten grave werden gedragen kwamen in aanmerking voor een poëtisch afscheid. Wat een geluk, denk ik dan, dat Bart FM Droog in Groningen woont. Stel dat hij zijn ambt in Parijs moest uitoefenen, dan was hij verplicht geweest in een recordtijd een kanjer van een funeraire dichtbundel uit zijn duim te zuigen: vorige week werden in de Franse hoofdstad in een keer achtenvijftig mensen ambtshalve begraven. Het ging vooral om slachtoffers van de hittegolf in augustus. Wekenlang hadden ze in geïmproviseerde mortuaria gelegen, wachtend op verwanten die de teraardebestelling voor hun rekening wilden nemen. Tevergeefs, en uiteindelijk mocht de Franse president Jacques Chirac hen naar hun laatste rustplaats begeleiden. De gedachte is te zielig voor woorden. Deze mensen zijn gestorven zoals ze de laatste jaren van hun leven hebben gesleten: eenzaam, en door niemand gemist.

De zomer 2003 heeft niet alleen vanwege zijn recordtemperaturen geschiedenis gemaakt. Het beeld van de solitaire hittedoden in Parijs blijft op het netvlies branden. Zelden kwam het probleem van de vereenzaming zo navrant aan het licht. Het zijn vooral bejaarden die eronder lijden, vaker in de grootstad dan op het platteland. Sociologen zullen er een kluif aan hebben. Eenzame hittedoden zijn het nevenproduct van een fluwelen revolutie. De individualisering van de maatschappij, het afkalven van familiebanden, de triomf van het economische mensbeeld. Wie niet meer produceert of consumeert, wordt uitgerangeerd. Vaak leidt het dode spoor naar het rusthuis, ook weleens de vergeetput van de maatschappij genoemd. Voor schrijnende toestanden ben je er aan het verkeerde adres. Vochtige sous-sols, uitgewoonde mansardes, gemeubelde kamers: dat zijn de plaatsen waar drama's pas aan het licht komen als de buren de geur niet meer kunnen negeren. In rusthuizen worden bejaarden goed verzorgd. En hoe kan men zich alleen voelen, als men door tientallen mederesidenten wordt omringd? Nochtans waart ook in bejaardenhomes de kwaal van de solitude. We gingen op bezoek bij vier ervaringsdeskundigen. Sommigen krijgen nog sporadisch visite, anderen hebben letterlijk niemand meer. Eenzaamheid in vier gedaanten, met de traag wegtikkende tijd als grootste gemene deler. 'Met een boom kun je niet praten, hé.'

André Sturtewagen (79) Campus Heiveld (OCMW-rusthuis, Gent)

Een moderne kamer, badend in het licht. Links op de vensterbank een vliegenmepper, in het midden een foto, rechts een Mariabeeld. Die vensterbank is in dit gloednieuwe rusthuis een heikel thema. Ze zijn zo hoog dat bejaarden vanuit hun luie stoel slechts de kruinen van de bomen en de vlucht der zwaluwen kunnen bewonderen. Foutje van de architect, die niet wist dat uit het raam staren een door vele bejaarden beoefende hobby is. André ontvangt me in pyjama. De Maigret-pocket wordt terzijde gelegd, ik krijg een bevende hand. Hij heeft Parkinson, twee heupprotheses en een bril met bokaalglazen. Toch is het niet de wankele gezondheid die zijn verhaal zo intriest maakt. "Ik ben hier anderhalf jaar geleden gearriveerd", vertelt hij. "Het eerste wat ze vroegen, was: 'Heb je familie of verwanten?'. 'Nee', zei ik. 'Dan moet je wel zelf meteen je begrafenis regelen.' Dat heb ik dan maar gedaan. Tijdstip, preek, kist, alle details liggen al vast. Sommige mensen vinden dat akelig, maar mij doet het niks.

"Zeggen dat ik nooit bezoek ontvang, dat mag ik niet. Ik ben gelovig, en zo nu en dan komt iemand van de parochie een praatje slaan. Een keer in de maand krijg ik echt bezoek: dan komt de weduwe van mijn huisbaas langs. Die foto op de vensterbank, dat is haar man. Ik heb er dertien jaar gewoond en was er kind aan huis. Zij deed mijn was, ik haar boodschappen. Nu ze is de enige die nog naar me omkijkt. Met mijn zoon heb ik al vier jaar geen contact meer. Hij woont in Nederland. Toen ik naar hier verhuisde, probeerde ik hem te bereiken. Mijn brief keerde terug. 'Adres onbekend' stond erop. Ik deed navraag bij de burgerlijke stand van Utrecht. 'Meneer', kreeg ik te horen, 'als uw zoon geen contact wil, dan zal hij daar wel zijn redenen voor hebben'. Dat komt wel hard aan.

"Ach ja, mijn zoon. Slim was hij genoeg. Vertaler-tolk, hij sprak vlot vier talen. Maar een karakter. Poeslief in je gezicht, maar zodra je hem de rug toekeert, plant hij er een mes in. Hij belde alleen als hij iets van me nodig had. Ik heb verdriet gehad, maar nu is dat voorbij. Hij is het niet waard. Soms vraag ik me af of hij nog leeft. Sinds de dood van zijn vrouw is hij op drift. Alcohol, drugs, het schijnt dat hij zelfs een poging tot zelfmoord heeft ondernomen. Met mijn schoondochter schoot ik wel goed op. Zij is aan een hersentumor gestorven. En zeggen dat ze zelf als verpleegster kankerpatiënten moest verzorgen. Na haar dood heb ik een tijdlang voor mijn kleindochter gezorgd. Toen mijn zoon zijn hoederecht kwijtraakte, werd ze in een pleeggezin geplaatst. Sindsdien heb ik mijn kleindochter niet meer gezien.

"Op mijn begrafenis zal niet veel volk zijn. Mijn vrouw is allang dood, en ook mijn broer is gestorven. Zijn kinderen zijn allemaal dokters en advocaten. Die zien mij niet staan, André is hen te min. Nochtans, armoede heb ik nooit gekend. Ik heb eerst als kleermaker gewerkt en nadien in Gent een krantenronde gedaan. De drukte van de stad, die mis ik nog het meest.

"De tijd passeert. Ik ga iedere morgen fietsen op de hometrainer. En ik kan nog lezen en televisie kijken, godzijdank. Achteromkijken doe ik niet, want veel goede herinneringen zijn er niet. Het is erg om het toe te geven, maar ik heb weinig chance gehad in mijn leven. Als kind al was ik altijd alleen. Van mijn ouders mocht ik geen vriendjes hebben. Wanneer andere kinderen me kwamen roepen om te spelen, zeiden ze dat André geen tijd had.

"Binnenkort word ik tachtig. De vierde leeftijd noemen ze dat. Veel mensen dromen ervan oud te worden. Ik denk daar anders over. Het leven is niet zoals wijn, het wordt niet beter met de jaren. Voor mij hoeft het allemaal niet meer. Nog een jaar of drie, en dan is het genoeg geweest. Niet dat ik over het rusthuis te klagen heb. De verzorging is goed en het personeel erg vriendelijk. Jammer alleen dat ze zo hard moeten werken, er is geen tijd voor een praatje.

"Weet je, ik heb altijd veel bewondering gehad voor verpleegsters en bejaardenhelpsters. Toen mijn vrouw zwanger was, wenste ik dat we een dochter zouden krijgen en dat die later verpleegster zou worden. Spijtig genoeg is het anders gelopen."

Juliana De Poppe (83) Campus Heiveld (OCMW-rusthuis, Gent)

Op de tafel staat een grote kom met snoepjes. Een attentie voor het personeel, dat met Juliana een trouwe bondgenoot heeft ingehaald. Geen goed woord heeft ze over voor de besparingsoperatie die momenteel in de Gentse OCMW-rusthuizen plaatsvindt. "Er is nu al veel te weinig personeel", foetert ze. "Die mensen weten niet waar eerst hun handen uit te steken. Voor animatie of extra's is er geen tijd, het mag al een wonder heten dat ze ons kunnen verzorgen. Elke week zijn er verzorgsters die weggaan. Groot gelijk, want ze hebben hier geen leven. Maar voor ons is het geen pretje. Voor je iemand hebt leren kennen, is die alweer vertrokken."

Aan haar mond of haar bovenkamer ligt het bij Juliana niet. Het is de carrosserie die niet meer meewil. Door een hersenbloeding zijn beide benen verlamd en liggen de handen er machteloos bij. Mogen we haar wel eenzaam noemen? Haar dochter bezoekt haar minstens een keer in de week en haalt haar trouw ieder weekend op voor een dagje familie. Ook haar 87-jarige zus krijgt ze nog regelmatig te zien. "Toch voel ik me alleen", zegt ze. "Als ik bezoek krijg of bij mijn dochter ben, vliegt de tijd voorbij. Van die momenten geniet ik intens. Maar zodra ik weer alleen op mijn kamer ben, slaat de eenzaamheid dubbel zo hard toe. Je ziet het zelf, ik ben volledig afhankelijk. Zelfs alleen naar het toilet gaan is onmogelijk. Ik kan niet van het personeel verlangen dat ze constant met me rondrijden, want ze lopen nu al op de toppen van hun tenen. Als mijn dochter niet komt, zie ik de hele dag geen mens. Daarom staat mijn deur altijd wagenwijd open, zodat ik op zijn minst het over en weer lopen op de gang kan zien. In de namiddag is er echter weinig begankenis, dan heb ik echt de indruk dat ik alleen op een eiland zit.

"Tijd is de grote vijand. Eigenlijk zit ik hier de hele dag te niksen. Lezen kan ik niet meer. De tv staat altijd aan, niet voor de programma's maar om wat leven in de brouwerij te brengen. Contact met de andere bejaarden? Dat is minimaal. Als de deuren openstaan, zie ik mijn overbuurvrouw zitten. 's Morgens zwaaien we naar elkaar, en dat is het dan. Het contrast met vroeger kon niet groter zijn. Ik had een tearoom in de Overpoortstraat, heb altijd tussen de mensen gestaan, en nu zit ik hier alleen. In dit tehuis zitten veel demente bejaarden. Soms denk ik: die zijn gelukkig, die hebben geen besef van tijd en geen last van heimwee. Toch ben ik geen zwartkijker. Neuten is mijn stijl niet, ik probeer mijn lot te aanvaarden.

"Vaak zit ik te dagdromen, verloren in mijn herinneringen. Dat is wel prettig, want ik heb een mooi leven achter de rug. Mijn boodschap aan de lezers: geniet van het leven zolang je kunt. Want het kan zo rap keren. Ik heb in één klap alles verloren. Toen ik die hersenbloeding kreeg, stond ik in de lift van het ziekenhuis waar mijn man was opgenomen met een maagbloeding. 's Anderendaags is hij gestorven, terwijl ik op intensieve lag. Zonder dat ik afscheid kon nemen, daar heb ik het nog altijd moeilijk mee. Negenenvijftig jaar waren we samen, we zouden het jaar daarop onze diamanten bruiloft vieren. Eigenlijk was ik beter in die hersenbloeding gebleven, dan waren we samen vertrokken. Mijn dochter wordt boos als ik dat zeg. Maar ik meen het: dit leven heeft nog weinig zin voor mij. Het is mooi geweest, om deze verlenging heb ik niet gevraagd. De jongste tijd wordt er veel over euthanasie gesproken. Wel, voor mijn part mag de wetgeving nog een stuk soepeler worden. Mocht de kans zich voordoen, dan zou ik niet twijfelen."

Noël Scheire (67) Pacheco (OCMW-rusthuis, Brussel)

Vroeger was dit beschermde monument een moederhuis. Sommige residenten die er nu hun laatste dagen slijten, hebben er lang geleden het levenslicht gezien. Dat geldt niet voor de ingeweken Oost-Vlaming Noël Scheire. Hij rijdt me voor naar zijn eenpersoonskamer. Aan de muur hangt een voetbalposter. Blauw-zwart, tevens de kleuren van zijn trainingsvest. Een verstokte Club-supporter in hartje Brussel, ze zijn niet dik gezaaid. Nog in een ander opzicht is Noël een buitenbeen. Ondanks dertig jaar in Brussel spreekt de ingeweken Oost-Vlaming nauwelijks Frans. "Het is niet gemakkelijk", zegt hij. "Bij het personeel zitten wel wat Vlamingen, maar die zijn altijd druk in de weer. Met de andere residenten heb ik haast geen contact. Mijn Frans is te slecht, en hun Nederlands is onbestaande. Ik heb niemand om eens een boom op te zetten over de sport." Aan bezoekers kan hij zijn voetballatijn ook al niet kwijt. Gelukkig is er nog die vrijwilliger die een keer in de maand komt, anders zou nooit iemand naar hem vragen.

"Ik ben verslaafd aan het televisienieuws", zegt hij. "Dat van die anonieme begrafenissen in Parijs, dat heeft me aangegrepen. Mijn eerste gedachte was: dat staat mij ook te wachten. Ik heb geen familie meer. Mijn zus is gestorven in 1980, een dag voor mijn verjaardag. Zelf ben ik nooit getrouwd. Of toch: ik ben ooit in Schotland met een Duits meisje gehuwd, maar dat was een farce. Ik ben met haar getrouwd om haar aan een Belgische verblijfsvergunning te helpen. Eigenlijk deed ik het voor mijn zus. Die wou dat meisje voor haar café aan de Dampoort. Het was een gogobar, waar de diensters meedronken met de klanten. Dat draaide ongelooflijk goed. Het was vlak bij de veemarkt, in de buurt van de Dampoort. Na de markt kwamen de veeboeren er de bloemetjes buitenzetten.

"Soms beklaag ik me dat ik nooit echt getrouwd ben. Kansen genoeg gekregen, ik heb zelfs te veel van de meisjes geprofiteerd. Dan denk ik: was ik maar getrouwd, dan had ik nu misschien kinderen die me kwamen bezoeken. Maar dat zijn dwaze gedachten die niks opleveren. Eigenlijk heb ik me allang verzoend met mijn eenzaamheid. Weet je dat ik blij was toen ik naar een eenpersoonskamer mocht verhuizen? Op zo'n grote kamer heb je wel gezelschap, maar je wordt er ook met de miserie van de anderen geconfronteerd. Trouwens, wat betekent eenzaamheid? De echte eenzamen, dat zijn de clochards die buiten op een bank moeten slapen.

"Ik ben hier nu vier jaar. Voor ze mijn been amputeerden, woonde ik op een appartement. Ik had veel vrienden, vooral ex-collega's van de grootkeuken waar ik vroeger werkte. Na die operatie heb ik niemand meer gezien. Zo gaat dat nu eenmaal in een bedrijf. Mensen verdwijnen plots, zonder dat iemand zich daar vragen bij stelt. Misschien denken ze dat ik al dood ben. Zelf een teken van leven geven? Ik wil mijn miserie niet opdringen. En daarbij, die mensen hebben in hun vrije tijd wel wat anders te doen dan rusthuizen af te dweilen.

"Ik hoef geen honderd jaar te worden. Wat voor zin heeft het om hier zo te blijven zitten? Mijn dokter zou willen dat ik stop met roken. Nu moet je weten dat ik al mijn hele leven drie pakjes per dag rook. 'Je zult ziek worden', zegt mijn dokter. Ze heeft me nicotinepleisters voorgeschreven. Maar ik wil helemaal niet stoppen, ik heb die pleister er direct afgetrokken. Nu ziet ze mij iedere dag op de gang zitten, met een sigaret. Ze zegt er niks van, ik denk dat ze het begrepen heeft."

Hélène Lemaire (93) Pacheco (OCMW-rusthuis, Brussel)

Ze kijkt me niet-begrijpend aan. Gisteren hadden ze haar nochtans verwittigd. Dat er een journalist kwam praten. "J'ai oublié", zegt ze met een koket gebaar. Wellicht is het een capaciteitsprobleem. De harde schijf zit vol dierbare herinneringen, het kortetermijngeheugen is zo lek als een zeef. Dat heeft ook voordelen, zal de maatschappelijk assistente na het gesprek opmerken. Niemand die zo gemakkelijk de zorgen van de dag kan afschudden als Hélène. Viel het eten tegen? Was de koffie koud? Andere residenten kunnen daar een dag lang over zeuren, Hélène is er na een uur al over. Ze mag dan wat vergeetachtig zijn, op haar esprit zit nog geen sleet. "Allez", zegt ze, terwijl ze mijn elleboog van de tafel veegt. "Zit eens fatsoenlijk op die stoel. Je zit tegenover een dame, vergeet dat niet." Haar zwarte ogen fonkelen, rond haar mond speelt een sardonisch lachje. Drieënnegentig, maar onder het craquelé van haar gelaat zie je nog de gamine uit Sint-Gillis. "Ik plaag graag", zegt ze. "Mais c'est pas méchant, hein."

Veel kans om bezoekers te jennen krijgt ze niet. "Ik heb allang niemand meer", ze zegt het op luchtige toon. "Mijn man is dood en kinderen heb ik niet. Een keer heb ik een miskraam gehad. C'est la vie. Er zijn mensen die kinderen kunnen maken, en er zijn mensen die geen kinderen kunnen maken. Andere familie is er niet, want ik was zelf enig kind. We hadden wel veel vrienden, maar die hebben allemaal afgehaakt. Letterlijk, ik ben de laatste overlevende van mijn generatie."

'Spijt is wat de koe schijt.' De uitspraak is van Herman Brood, maar ze is ook Hélène op het lijf geschreven. Of ze het bezoek niet mist? "Welke zin heeft dat?", kaatst ze terug. "Je moet het leven aanvaarden zoals het is. Ik heb mooie tijden beleefd. Al wat er bovenop komt, beschouw ik als extra. Misschien word ik wel honderd jaar, dan mag je naar mijn feestje komen. Ik zou wel willen, als ik maar niet begin te sukkelen met de gezondheid. Verveling ken ik niet. Ik lees de krant, ik lees politieromans, ik kijk wat televisie, en de dagen gaan voorbij, de ene al sneller dan de andere. Eenzaamheid? Ik ben alleen, dat is waar. Vrienden maken in een rusthuis is niet gemakkelijk. Je hebt er geen idee van hoe die oudjes kunnen zeuren, ik zou ze soms zo de strot dichtknijpen. Enfin, dat zeg ik maar om te lachen.

"Waar ik de hele tijd aan denk? Nu denk ik aan jou, omdat je voor mijn neus zit. Waar moet ik anders aan denken? Aan het verleden? Kom nou, ik leef toch in het heden. Het is niet door herinneringen op te halen dat de goede oude tijd terugkomt. Eigenlijk verwacht ik niet veel meer van het leven. Ik kom hier nooit meer buiten, zelfs niet als er een uitstap wordt georganiseerd." Is ze dan niet nieuwsgierig naar Brussel? Wil ze niet zien hoe haar stad razendsnel evolueert? "Och", zegt ze geringschattend. "Ze zal zonder mij ook wel evolueren."

Ze grijpt mijn hand vast, kijkt me spottend aan. "Je moet niet zoveel vragen stellen, petit curieux. Je zult het allemaal wel ondervinden, als je zelf oud en lelijk bent."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234