Donderdag 05/08/2021

‘Eenmaal aangestoken word ik een bruistablet’

ngetemde krullen, beetje verfrommelde aanblik. Maar in zijn hoofd is Peter Verhelst een en al nauwlettendheid. We hebben net een voorstelling van Julius Caesar achter de rug, de laatste try-out. Hierna is het menens. Verhelst schreef de tekst en regisseert, zeer tot zijn eigen tevredenheid. “Of het goed is, weet ik niet. Maar het is wat wij willen.”

Julius Caesar is het tweede deel van een trilogie over heersers in de oudheid. U begon bij Alexander de Grote en rondt af met keizer Nero. Wat is er met machthebbers dat u hen zo grondig onder handen neemt?

“Het begon met mijn fascinatie voor Barack Obama. Ik hoorde hem speechen en raakte ontroerd. Hoe is het mogelijk, dacht ik: zou er dan toch zoiets als hoop bestaan? Ik verdiepte me in zijn teksten en ving al lezend echo’s op van dingen die ik eerder had gehoord. Bij Gandhi, Martin Luther King, Hitler zelfs, Christus. Tot mijn verbijstering ontdekte ik dat heersers door de eeuwen heen en los van hun moraliteit hetzelfde verkondigen. Ze verleiden ons met een utopie: die van een volmaakte wereld. De liefde van een volk voor de heerser gaat door het oor. De Franse filosoof Jacques Derrida formuleert het juist: we mogen ons niet verliezen in grote beloftes, in een messias. We houden het beter klein, moeten focussen op de pragmatische mogelijkheid van een leefbare wereld. Met solidariteit komen we al een heel eind.”

U regisseert hier ook. U doet dat streng en precies. “Die strengheid komt eerder door de tekst. Die legt een ijzeren logica en een eigen ademhaling op. Als acteur doe je er maar beter alles aan om in die ademhaling - ik noem het liever geen trance - te komen. Al wat zich daarbuiten waagt, valt genadeloos uit het stuk. Ik wilde absoluut met Aus Greidanus jr. en Kristof van Boven werken. Het zijn intelligente en sensitieve acteurs. Er is namelijk een probleem met die teksten van mij: breng ze zoals een andere theatertekst en het loopt helemaal fout. Alle handeling zit bij mij in de taal zelf. Voor een acteur is dat om zot te worden. Wat moet hij daar in ’s hemelsnaam nog aan toevoegen? Aus en Kristof pakken dat ongelofelijk goed aan. Het mooiste moment is wanneer het acteren stopt en het lichaam de tekst als het ware begint uit te zweten. Meesterlijk vind ik dat.”U hebt zich trouwens wel een beetje uitgesloofd. De tekst is een behoorlijke mond vol. Ooit maakte u theater zonder woorden.

“Er ging een zucht van opluchting door het huis. Eindelijk, dachten ze bij NTGent, echt theater. (gniffelt) Maar teksten van honderdtwintig bladzijden schrijf ik nooit meer. Achttien is voldoende voor het podium. Er wordt al genoeg gepraat in de wereld.”

In NieuwZwart, de jongste dansvoorstelling van Wim Vandekeybus waarvoor u de tekst schreef, raakt de verteller nochtans niet uitgepraat.

“Schrappen maar, denk ik dan. Laat die mensen dansen, daarvoor zijn ze gemaakt. Maar het is Wims voorstelling. En ik vertrouw hem. Als je schrijft voor een ander, kun je twee kanten uit. Of je zegt: alstublieft, hier zijn de teksten, verras me. Of je volgt de repetities en roept meteen als je de komma niet hoort. Ik hou meer van het eerste. Zo zie ik dingen gebeuren die ik niet voor mogelijk hield.”

Alleen romans schrijven, u kunt het zich vast niet voorstellen. U wilt uw werk ook op het podium?

“Acteurs zijn mijn derde arm. Zij kunnen wat ik niet kan. Zij eten de teksten op en doen er dingen mee waarnaar ik met open mond sta te kijken. Hetzelfde met dansers. Hun toewijding grenst aan het ontoelaatbare. Hen bezig zien inspireert me mateloos. Af en toe maak ik gedichten die zich bijna als een lichaam gedragen. Dat had ik zonder hen nooit gekund. Onze verbeeldingen versterken elkaar. Eenmaal aangestoken, word ik een bruistablet. Dat werkt verslavend. Passie laat passie ontstaan. Een roman of dichtbundel schrijven gebeurt in alle eenzaamheid. Fantastisch, ik doe niets liever. Maar mijn relatie met mijn laptop is eindig. Of het nu gaat om acteurs of dansers, schilders of beeldhouwers: samenwerken maakt me blij.”

Zolang u, eigenzinnig als u bent, uw eigen ding kunt doen.

“Ik kan niet anders. Waarom zou ik? Er zijn andere mensen om andere dingen te doen. Wat ik wil, is iets maken. En het maken tot het is wat ik wil. Soms mag het resultaat er zijn, soms had het niet gemoeten. Bekijk het als opgroeien met de broek op de enkels. Soms denk ik: dat was wel een beetje gênant. Maar dat geeft niet. Ik heb de mindere momenten nodig om tot de betere te komen. Overigens, alleen het creëren interesseert me. Wat daarna komt, is economie en ijdelheid en bijgevolg het minste van mijn zorgen.”

Applaus stimuleert u niet?

“Applaus is aangenaam, maar drijft me niet. Ik krijg trouwens ook emmers vuiligheid over mijn hoofd. Werkelijk: ik lig er niet wakker van. Appreciatie zegt niet veel over de kwaliteit van het werk, wel alles over het klimaat waarin we leven, iemands vermeende plek in de literatuur, de aaibaarheid van de persoon in kwestie. Ik zit er ook maar naar te kijken als een koe naar een tv. Applaus stimuleert me niet. Het houdt me ook niet tegen om mijn eigen ding te doen.”

U werkt nu een seizoen of vijf voor NTGent. Volgend jaar gaat u daar voor Nero, het sluitstuk van uw trilogie, in zee met Wim Opbrouck.

“Inderdaad, en ik voel precies waar ik met Wim naartoe wil. Ik ken hem goed en weet: hij is nóg veelzijdiger. Hij kan veranderen in vormen die geen mens in hem vermoedt. Wim is een van de meest verfijnde mensen die ik ken. Ach, het opwindende gevoel iets op het spoor te zijn en er de hand op te kunnen leggen, daar doe ik het voor. Ik hou het ook niet bij theater alleen. Ik wil met film bezig zijn, opera, beeldende kunst. Als kind zat ik vaak te tekenen en te schilderen. Ik zou kunstenaar worden. Dat idee heb ik vrij snel gedumpt. Ik was verdienstelijk, maar niet goed. Ik had nooit kunnen maken wat ik wilde. Op mijn veertiende begon ik te schrijven. Dozen vol. Lezen deed ik al langer. Romans, encyclopedieën, atlassen. En de hele boekenkast van mijn vader. Sartre en zo. Wat begrijpt een kind daarvan? Niet veel, maar toch: het gevoel dat taal kan bedwelmen. Dat was voldoende.”

U vond wat u zocht in de boekenkast van uw vader. Viel er op school veel interessants te rapen?

“De school kon me niet boeien. Wiskundige formules fascineerden me, ik vond ze van een onwaarschijnlijke schoonheid. Alleen begreep ik er niets van. Maar als we met de klas naar het museum gingen, stond ik vooraan. Met mijn vergrootglaasje voor de schilderijen van Jan van Eyck. Jongens toch, honger kreeg ik daarvan, honger.”

Herinnert u zich inspirerende leerkrachten?

“Mijn schoolcarrière was vrij turbulent. Al van in de lagere school. Dat kwam door de leraar van het derde leerjaar. Een weerzinwekkende man. Hij kende zijn macht en misbruikte die. Hij zocht zijn slachtoffers, kleineerde hen. Ik was pas acht, maar herkende de wrange smaak van vernedering. Wat haatte ik die man. Jaren later gaf ik les aan zijn kleinzoon. ‘Weet je dat er zoveel mensen zijn die je grootvader verafschuwen’, vroeg ik hem. ‘Ja’, zei hij, ‘maar voor ons is hij lief.’ Door die leraar zou ik de rest van mijn schooldagen last hebben met gezag.”

Dat zit behoorlijk diep. U neemt het ook mee in uw werk.

“Ik zal en wil het nooit vergeten. Het gebeurt nog al te vaak. Machtsmisbruik moet met wortel en al uitgeroeid worden.”

Dat u zelf nog voor een klas hebt gestaan…

“Ach, hoe gaat dat. Ik begon aan Germaanse in een romantische bui: we zouden vast veel boeken lezen en urenlang discussiëren. Maar in plaats daarvan kregen we lange lijsten boekentitels uit het hoofd te leren. Hier zit ik niet op mijn plaats, dacht ik. Nu was mijn hele familie leraar. Dat leek wel mee te vallen en ik studeerde geschiedenis-Nederlands. Ik heb lesgegeven in het beroepsonderwijs. Ik kon goed opschieten met die bakkers en slagers en hoteliers in spe. En vooral: de job liet me toe tot een gat in de nacht te schrijven. Na tien jaar vond ik het er toch wat over. Tongkat verscheen, Luc Perceval vroeg me om Aars! te maken. Het was tijd om te stoppen.”

Ondertussen zijn we alweer tien jaar verder. Uw achtste roman, Huis van de aanrakingen, ligt op tafel. De meest sensuele roman uit uw oeuvre tot nog toe en fundamenteel anders dan de voorganger Zwerm.

“Zwerm is geschreven tijdens de donkerste periode uit mijn leven. Ik heb toen mijn privéproblemen bekampt met het schrijven van een boek. Na afloop had ik tijd nodig om te bekomen. Ik heb voor theater gewerkt, af en toe een gedicht geschreven. Op een dag wist ik dat mijn volgende roman over een geisha zou gaan. Toen kwam er een pottenbakker bij. Stilaan sloten andere personages zich aan. Ik ben de geschiedenis ingedoken. De meeste zijn historische figuren, die ik bekleed met mijn verbeelding. Het gaat om mensen met een droom waar ze achteraan willen. Voor die dromen heb ik getracht een taal te vinden.”

Het is één lange zucht van verlangen.

“Verlangen, daar gaat het over. En over het vervullen ervan. En over schoonheid en wat dat nu nog zou kunnen betekenen. Over hoe men verscheidene talen tegelijk kan spreken, ook. Als een vrouw aan een andere vrouw de regels van het Japanse schaakspel Shogi uitlegt, heeft ze het eigenlijk over zichzelf. Ooit zag ik twee mensen het spel spelen. Dat was geen schaak, dat was een liefdesdans. Het boek gaat over de liefde, natuurlijk. Waar moet een mens het anders over hebben?”

U richt zich op de oosterse wereld. Daarvoor hanteert u een uiterst fijngevoelige pen.

“Het is een wereld die me ondersteboven schudt. Ik begrijp er niet altijd alles van, maar wat ik hoor en zie, is schoonheid die bestaat uit ascese en exces. Ik voel een vreemd soort verwantschap, al blijf ik een westerling en bekijk ik het Oosten met een exotische blik. Ik heb mij er het voorbije jaar volledig in ondergedompeld. Het blijft een wereld die zich moeilijk laat kennen. Geheimen worden niet prijsgegeven aan buitenstaanders. Ik ben nooit in India of Japan geweest. Ik weet dat ik ga ontploffen als ik daar kom. Die kleuren alleen al. Maar misschien hoef ik er niet naartoe om iets van die schoonheid te vatten in mijn taal.”

U hoeft er niet voor naar het Oosten, maar misschien hebt u indrukken gesprokkeld op andere exotische plekken.

“De sterrenhemel van Zuid-Afrika is vast vergelijkbaar. En ik ben ook samen met mijn madame, die steenhouwer is, in Jordanië de Wadi Rumwoestijn ingetrokken. En we hebben Petra gezien. Misschien heeft dat me geholpen voor het verhaal over de trillende stad in de bergen. Maar je hoeft niet noodzakelijk een plek te bezoeken om erover te kunnen schrijven. Mijn fantasie klopt doorgaans. Nu, zodra ik voet aan de grond zet, word ik een blootliggende zenuw en sleep ik twee miljoen details mee naar huis.”

De titel Huis van de aanrakingen kwam vanzelf onderweg?

“Letterlijk zelfs, tijdens een autorit, zoals wel vaker gebeurt. Het verhaal over dat huis neemt nauwelijks tien bladzijden in beslag, maar toch past de titel bij de hele roman. Het boek is een huis waarin alles wemelt en elkaar op de een of andere manier aanraakt.”

Zwerm schrijven was een helletocht. Hebt u meer plezier beleefd aan uw nieuwe roman?

“Zeker. Bovendien ben ik blij met het resultaat. Het lijkt een meer menselijk touch te hebben dan mijn eerdere werk. Of het beter is of niet, vind ik niet relevant. Het sluit aan bij de manier waarop ik de jongste tijd in het leven sta en dat stelt me gerust. Je kunt wel proberen het een en ander te forceren, maar dat voelt niet goed. De dingen moeten kloppen. Ik heb de indruk dat dit alvast gelukt is.”

Hier hebt u ook geen nachten slaap voor gelaten?

“Pfff, neen. Dat doe ik niet meer. Het maakt je gezondheid, je relatie, je leven kapot. Ik schrijf een uur of vijf, zes per dag. Dat is voldoende. Wat telt, is de concentratie. Ik schrik nog wel eens wakker ’s nachts van: shit, bladzijde 57! Dan stommel ik naar beneden om een woord te veranderen, of een komma te schrappen en die even later terug te zetten. Kinderachtig maar zó plezant.”

U start uw Gentse stadsdichterschap met een project over dromen. Dat sluit wel erg goed aan bij uw nieuwe boek.

“Het is toeval. Het idee om dromen te vangen pruttelt al lang. Mijn stadsdichterschap maakt het mogelijk mijn oor bij de Gentenaar te luister te leggen. Maar zal ik wat in de bus vinden? Uiteindelijk vraag ik toch om een soort intimiteit te delen. En als mensen mij hun dromen toesturen, wat zullen die dan vertellen? Zou ik in Gent een ander dromenboek krijgen dan in pakweg Brugge of Antwerpen? Misschien ontdek ik wel een soort onderstroom onder de stad, wie weet.”

U bent als stadsdichter ook van plan de hort op te gaan met eigen werk. Come to Daddy heet het initiatief. U gaat de mensen voorlezen.

“Voorlezen en praten over datgene waarmee ik bezig ben, zodat het publiek weet hoe dat zit met ‘de passie van de schrijver’. Ik wil de mensen meeslepen in mijn enthousiasme. Hen tonen dat kunst levensnoodzakelijk is.”

Schone missie.

“Dat voorlezen zeker. Het wordt tijd dat we het vertellen herwaarderen. Mijn vader las voor, altijd. Ik heb daar mooie herinneringen aan. Ik vertelde mijn kinderen zelf ook elke avond een verhaaltje. Meestal ontspoorde dat geweldig, waardoor ze niet meer konden slapen, maar het was fun.”

U hebt er zin in?

“O ja, een kleine ruimte, een matrasje of zeven, mensen gaan zitten, ik lees een stukje, ik lees het nog eens, we babbelen wat. Heel informeel allemaal. Niets professionele voorstelling of zo, netjes getimed en belicht. Nee, het loopt zoals het loopt. Het is geen sociaal werk, hé. Maar misschien kunnen we zo mensen warm maken om vaker te lezen.”

Zodra de drukte van de voorstellingenreeks en de nieuwe roman achter de rug is, doet u het dit jaar verder rustig aan?

“Julius Caesar loopt tot half februari, daarna starten de repetities voor een nieuw stuk. Ik wijd me aan mijn stadsdichterschap en begin aan een nieuwe roman.”

Dat lijkt te overzien.

“Ik tracht het een en ander in evenwicht te houden. Als ik de voorbije jaren iets geleerd heb dan is het wel dat een mens niet alleen het recht maar zelfs de plicht heeft om gelukkig te zijn. Nu ik het gevoel ken, bewaak ik het zorgvuldig.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234