Woensdag 25/11/2020

een zootje ongeregeld

'Rimbaud', een biografie die leest als een schelmenroman Een straatkat, een eenmansorkest,

Dichter en charlatan Arthur Rimbaud, de mens en de mythe, beschreven door een biograaf die putte uit onuitputtelijk lijkende bronnen, zelfs uit de advertentierubrieken van Londense kranten.

Eric Min

Graham Robb

Rimbaud

Picador, Londen, 552 p., 20 pond (ongeveer 1.600 frank).

Het begint al bij het omslag, waarop een knaap ons laatdunkend aankijkt. Het beroemde portret dat fotograaf Etienne Carjat in december 1871 maakte van het dichtertje Arthur Rimbaud (1854-1891) doemt op als een trillend videobeeld in het kleurenpalet dat vandaag furore maakt in blitse bladen: trashy neon en goor stadslicht. De mythe doet het dus nog altijd - na het kleine kringetje van tijdgenoten voor wie hij het grote voorbeeld is geweest, de surrealisten, de beat poets, Bob Dylan en Jim Morrison of de homobeweging is ook de volgende generatie er weer helemaal klaar voor. Rockster Patti Smith noemde de schrijver uit Charleville the first punk poet, Kurt Cobain nam de draad weer op en de licht ironische flaptekst van dit boek vergelijkt Rimbauds plotselinge afscheid van de poëzie met de split van de Beatles. In de laatste alinea, na een adembenemende afdaling van vierhonderdvijftig bladzijden, vat biograaf Graham Robb, die eerder al met Baudelaire, Hugo en Balzac in de weer was, de icoon treffend samen in één zin: de schrijver van Illuminations was "het beste slechte voorbeeld uit de hoogdagen van de romantiek (...) een verleidelijk rolmodel van wie leven en werk beschouwd werden als de noodzakelijke onderdelen van een gevaarlijk experiment".

Het minste wat we mogen zeggen, is dat Robb zijn huiswerk grondig heeft gemaakt. Er zijn noten, een index en een 'Select Bibliography' van twintig bladzijden (die vreemd genoeg een werk als Rimbaud le voyou van filosoof Benjamin Fondane links laat liggen), maar ook foto's, een stamboom en landkaarten van de Ethiopische omzwervingen, wat de biografie nog meer op een avonturenroman laat lijken, of op een jongensboek voor grote mensen die ontroerd worden door de schoonheid van verzen of de suggestieve kracht van een schurkenstreek: stelde Robb niet vast dat de lijst van Rimbauds misdrijven langer is dan die van de gedichten die hij ooit zelf heeft gepubliceerd? Deze biografische queeste heeft het beeld van de vicieuze, smerige jongeman die zijn omgeving terroriseerde, nauwkeurig gereconstrueerd en aangevuld met verrassende nieuwe gegevens uit Rimbauds 'tweede leven' als avonturier en handelaar in Afrika.

Ongeveer de helft van het boek is gewijd aan deze periode die begint waar de klassieke biografen het voor bekeken houden. Het is fascinerend vast te stellen hoe omvangrijk Robbs materiaal is, ook over de Afrikaanse jaren die de auteur zelfs gemakkelijker kon reconstrueren dan het eerste bezoek van de dichter aan de wereldstad Londen anno 1872. De bronnen lijken wel onuitputtelijk: brieven, getuigenissen van tijdgenoten, documenten van de burgerlijke stand maar ook met enig wantrouwen te lezen hagiografieën zoals Rimbauds grondig gekuiste levensverhaal, dat werd verteld door zijn zus Isabelle (die Robb snerend "de vertegenwoordigster van de dichter op aarde" noemt) en haar man Paterne Berrichon. Tot in de advertentierubrieken van Londense kranten volgen we het spoor van Rimbaud en zijn geliefde Verlaine, die Robb provocerend omschrijft als "one of the great comic duos of literature"; onze "deux Gentlemen parisiens" boden er hun diensten aan als taalleraars. Ook de verslagen van politiespionnen leveren een goudmijn aan gegevens op. Rimbauds eerste biograaf was misschien wel agent Lombard van de Parijse recherche, die de vijftienjarige Raimbaud (sic) een monstertje noemde en met veel panache de gewelddadige relatie met Verlaine in kaart bracht, maar evengoed wist te melden dat de jongen kon dichten als geen ander, "al is zijn werk volstrekt onbegrijpelijk en afstotend".

De vaart waarmee het boek op de lezer afstormt, is het resultaat van een intelligente mix van heilzaam concrete feiten, goed gekozen flarden poëzie, functionele seks en een streepje Indiana Jones. Het zal wel een levensgroot cliché zijn, maar Rimbauds korte leven leest echt als een schelmenroman. Zijn biograaf heeft de teugels van de regie strak gehouden: al op bladzijde 43 duikt Verlaine voor het eerst op. Met de lijst van beroepen die de intellectuele terrorist uit Charleville heeft uitgeoefend, vullen we gemakkelijk een halve pagina (van decadent dichter en barman over huurling, fabrieksarbeider, boer, vertaler, matroos, kaartjesverkoper in een circus, ontdekkingsreiziger tot koffie- of wapenhandelaar en succesvol zakenman).

De biograaf komt ook spits uit de hoek; het gegeven dat Rimbaud niet zomaar in een handomdraai kon stoppen met schrijven, wordt kernachtig samengevat in de uitspraak "Rome was not demolished in a day". Maar Robb beleefde allicht het grootste genoegen aan de tweede speelhelft, waarin de onderbelichte Afrikaanse carrière van zijn studieobject nauwkeurig wordt gereconstrueerd en de literaire dwepers lik op stuk krijgen. Rimbauds expedities in Abessinië passen niet in de mythe; ze worden doorgaans in één alinea weggemoffeld of afgedaan als de volslagen mislukte epiloog van een veelbelovend leven en het navrante voorspel van Rimbauds aftakeling in zijn ziekenhuisbed in Marseille, wanneer botkanker zijn lijf heeft verwoest en hij half verlamd en ijlend zijn laatste brief dicteert - een verdiende straf voor zijn literaire desertie.

Robb laat geen kans liggen om de (ook financieel, want de biograaf heeft het als een boekhouder nagerekend) succesvolle carrière van de handelsreiziger in de verf te zetten of een consistent kader te schetsen voor details die op het eerste gezicht bizar lijken en graag geduid worden als de fratsen van een ziek brein: de gekke boodschappenlijst die Rimbaud uit Harar aan zijn moeder stuurt, waarin hij naast informatie over optische, elektronische of hydraulische instrumenten ook catalogi van speeltuigen, vuurwerk, miniatuurtreintjes en goocheltrucs bestelt, heeft echt wel een rationeel kantje - een nieuwe koloniale orde kwam van de grond, de markt had producten nodig, machthebbers moesten gepaaid worden en vijandige stammen weggejaagd. Maar Robb is er niet alleen op uit om indruk te maken met zijn ontdekkingen. En passant maakt hij fraaie, filmische overgangen tussen Rimbauds omzwervingen in Aden of Harar en de avonturen die zijn manuscripten beleefden op de cafétafeltjes en in de redactielokalen van het Quartier Latin, waar ze eindelijk werden gepubliceerd en becommentarieerd. Hoewel we weten dat de dichter zijn verzen afdeed als rinçures (afwaswater, of kots met stukjes onverteerde Baudelaire en Hugo), is niet bekend hoe hij, jaren na de grootste verdwijntruc uit de literatuur, reageerde op het nieuws dat zijn oude ik "alive and well in darkest Paris" de kop had opgestoken.

Uit een in 1991 in Frankrijk gehouden enquête bleek dat een op de vijf lycéens zich honderd jaar na zijn dood op een of andere manier met Rimbaud identificeerde. In de kranten die in december 1891 over het werk en het mysterieuze verdwijnen van de schrijver berichtten, kunnen we de mythes nalezen die dit dossier ook vandaag nog zo aantrekkelijk maken: de miniatuur-Shakespeare die als slavenhandelaar in Oeganda belandde of opperhoofd van een negerstam werd (!), het joch dat absoluut geen tafelmanieren had en iedereen in de gordijnen joeg, een splinterbom van immoraliteit die stiekem ejaculeerde in het dagelijkse glaasje melk van zijn kamergenoot Cabaner en zijn geliefde zeug Verlaine aan flarden heeft geneukt, het literaire genie die de taal liet overkoken en "absolument moderne" zou zijn...

Rimbaud heeft zijn leven lang alles gewild, en wel mateloos en nu meteen - hij had geen tijd te verliezen of juist wel, maar dan met overgave: ook de verveling (en de overdrijving, en de afdaling in de hel van begeerte, absint & inspiratie) moest beleden worden als een der Schone Kunsten. Zoals Baudelaire beleefde de dichter uit Charleville er een vilein genoegen aan, verhalen over zijn eigen schanddaden rond te strooien. Als vierjarige peuter wilde hij zijn pasgeboren zusje ruilen voor enkele etsen die hij in de etalage van een boekhandelaar had gezien. Tien jaar later zou hij Napoleon III naar de galeien verbannen, het huiswerk van zijn vriendjes maken tegen betaling of de bibliotheek van zijn leraar Izambard plunderen. Het vervolg kenden we: Rimbaud die als een lokale hooligan 'merde à Dieu' in de zitbanken van het park kerft en zonder te betalen in de trein naar Parijs klimt, waar hij de draad van Baudelaires gratuite provocaties opneemt - niet met groen geverfde haren maar door een bewuste "ontregeling der zinnen" als een wetenschappelijk experiment. Lange haren vol luizen, woeste gedichten, homofiele relaties, het gif van taal, alcohol en geweld... "alle denkbare vormen van liefde, lijden en waanzin". Hij wil de alexandrijn afschaffen, het Louvre in brand steken, een 'Sonnet van de reet' schrijven en zijn minnaar Verlaine tot waanzin drijven tot die de haren van zijn vrouw in brand steekt, met Rimbaud naar Londen trekt en uiteindelijk in de Brusselse Sint-Hubertusgalerij het pistool koopt waarmee hij zijn kwelgeest op het Rouppeplein in de arm schiet.

Een straatkat, een eenmansorkest, een zootje ongeregeld: dat is de eerste Rimbaud die Robb uit zijn schatkist van biografische gegevens opvist. De tweede is achtereenvolgens huurling in het Nederlandse koloniale leger, deserteur, rekruteringsagent, vertaler en ploegbaas op Cyprus, moordenaar (na een tragisch maar verdacht ongeluk op een bouwplaats), koffie- en wapenhandelaar en reiziger in dit goddeloze ondermaanse. Zijn collega en werkgever Alfred Bardey noteert dat Rimbaud "een zekere walging" voelde voor de wereld. Duizend keer heeft hij in brieven aan zijn moeder de mantra "ik vertrek" neergelaten, al dan niet aangevuld met een sneer over het helse klimaat in Harar of een boodschappenlijst. In Afrika is alles voorlopig en ongedwongen. Iedereen is er gelijk, zodat Rimbaud zich onbekommerd te buiten kan gaan aan misantropie en sociaal maar afstandelijk gedrag.

Arthur Rimbaud was natuurlijk vooral de auteur van enkele bundels die mijlpalen van de moderniteit zijn geworden. Zijn taalgevoel moet grenzeloos geweest zijn: als schooljongen kaapte hij alle prijzen voor opstel weg, met een constant hoge kwaliteit. Met vijftien jaar ging hij shoppen in de supermarkt van de kunst, plagieerde hij de dichters van Le Parnasse contemporain om in de gratie te komen maar fietste ze gewoon voorbij toen dat niet lukte. Voortaan zou hij steenpuisten en het rumoer van de grootstad beschrijven, naar hartelust overdrijven en parodiëren. De taal door het slijk halen om het moderne leven zoveel efficiënter te demonteren, het 'zelf' op te lossen in een bad van mysterie en gezocht taalgebruik. Poëzie als chemisch proces: het was weer eens wat anders. Alle vormen van liefde en lijden moesten eraan geloven, elk exces was een verademing en een mogelijk opstapje naar het succes.

In Londen lagen de zonden voor het oprapen. De stad was een draaikolk van beelden: het sneeuwt er negers. In de bibliotheek van het British Museum was het lekker warm, en ze hadden er alle boeken die ze wilden lezen (behalve Markies de Sade). In Illuminations stoeit de dichter met (Engelse) woorden en klanken als met noten op een partituur. Voortaan is er goed noch kwaad, boven noch onder. Stilstand wordt snelheid en omgekeerd: futurisme en surrealisme kunnen niet meer veraf zijn. Rimbaud wil alle talen leren en er af een toe eentje uitvinden.

Later zal hij de literatuur de rug toekeren - het is de laatste, logische stap in zijn leven. De grens van de mededeelbaarheid was bereikt; hij zou nooit meer echt met iemand samenleven (zijn Ethiopische vrouw was een zwijgende verschijning). Gedichten schrijven was tijdverlies, verspilling van energie: "Je ne m'occupe plus de ça." Ook zijn brieven werden korter, opsommingen kregen een nijdig "etc." of een uitroepteken mee. Misschien werkte hij in Ethiopië nog aan een boek over het land en zijn inwoners. Op een dag verbrandt hij vierendertig cahiers met de memoires van een overleden zakenpartner. Als een authentiek anarchist decreteert de ex-schrijver dat alles weg moet. Van zijn Afrikaans avontuur is weinig meer overgebleven dan een mes, een vork, een lepel en een bekertje. Het verzameld werk past in een schoenendoos, maar Graham Robb heeft er een schitterend levensverhaal aan toegevoegd.

Robbs bestanden, die onder meer Rimbauds verzameld werk omvatten, kunnen geraadpleegd worden op het internet: www.rimbaud.co.uk

De vaart waarmee dit boek op de lezer afstormt, is het resultaat van een intelligente mix van heilzaam concrete feiten, goed gekozen flarden poëzie, functionele seks en een streepje Indiana Jones

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234