Zaterdag 17/04/2021

Een zondagskind met een brilletje

undefined

Lichtvoetigheid: honderden keren moet het woord zijn gebruikt om het oeuvre van Remco Campert (°1929) mee te karakteriseren. Maar ondanks die gekoesterde speelsheid en zijn karakteristieke, luchtige parlandotoon, heeft Camperts lichtvoetigheid ook iets misleidends. Onder het montere schutlaagje sluipt, vooral in zijn verhalen en romans, steeds die milde melancholie binnen. Ze manifesteert zich bijvoorbeeld in Camperts voorkeur voor antihelden, die telkens weer falen in de liefde of in het schrijverschap. “Het net niet halen van wat je beoogd hebt, dat is veel interessanter, vind ik, om over te schrijven, dan over iemand die het allemaal wel haalt”, zo zei Campert ooit in een interview met Willem M. Roggeman. Slordige, geïmproviseerde levens met een atmosfeer van opkringelende sigarettenrook en alcohol als troost, dat is het Campertuniversum ten voeten uit.Toch tref je in zijn gedichten of verhalen zelfs met het vergrootglas geen hooggestemde emoties aan: ironie en zelfrelativering behoren tot het vaste arsenaal van de schrijver, die met Het leven is vurrukkulluk (1961), Eetlezen (1987) en Tot zoens (1991) onze taal zelfs op nieuwe staande uitdrukkingen vergastte. Jeroen Vullings ziet Camperts “onverwisselbare afkeer van pathos en pretentie” als dé rode draad. “Ik heb geen drama in mij. Ik scheer er maar wat langs”, laat Campert een van zijn personages schamper zeggen. “Ik ben de postzegel die halverwege de bestemming van de envelop loslaat.” Maar boven alles torent Camperts zichtbare plezier in het schrijven, voor hem een ware “levensbehoefte”: “Schrijven is geen loopbaan. Schrijven is een liefdesaffaire. (…) Ik schrijf wat me voor de voeten komt. (...) Liefdesaffaires heeft men soms meerdere in het leven, terwijl schrijven voor mij een blijvende liefde is”, zo vertelde hij in 1998 in De Groene Amsterdammer. “Ik heb geschreven wat ik heb willen schrijven, in alle mogelijke disciplines”, luidde het in een interview met Margot Vanderstraeten. Door dat achteloze talent heeft Campert zich in de literatuur altijd “een zondagskind” gevoeld, “eerder dan een brekebeen”.Je staat er inderdaad van te kijken hoeveel genres Campert met sprekend gemak heeft bedreven. Zijn talent ligt niet in de grote greep (“De Dikke Roman, het zit er niet in”) maar in “goede verhalen, mooie gedichten, korte stukjes”, gevat in overwegend dunne boeken. Gestaag druppelde hij zo een indrukwekkend oeuvre bij elkaar, dat uiteindelijk toch flink wat plankruimte vult in de boekenkast. Elk jaar verschijnt er wel iets van Campert, en meer dan ooit recht iedereen de rug als het zover is. Toch haalt Campert zijn neus op voor het woord ‘oeuvre’: “Ik zou mezelf geen oeuvreschrijver willen noemen, ik ben een penny-a-liner. (…) Een broodschrijver. Dat is een eretitel, hoor.” Was het daarom dat hij wel eens af te rekenen kreeg met onderschatting? “Het is wellicht allemaal een beetje te herkenbaar om het ooit groots te noemen, wat Remco Campert schrijft”, zo merkte zelfs Herman de Coninck in Humo op. En Carel Peeters reduceerde Campert zonder verpinken tot een nieuwe Annie M.G. Schmidt van de Nederlandse letterkunde, niet inziend dat zijn actieradius veel groter was. Martin Bril nam Campert in bescherming. “Er rust een vloek op lichtvoetigheid in dit land, alles moet ernstig zijn, cerebraal.” Intussen is Campert een categorie op zichzelf, die zelf ook weer school maakt. Remco Campert noemt zichzelf “een kunstenaarskind”. Hij werd geboren in een artistiek gezin in Den Haag op 28 juli 1929. Zijn moeder Joekie Broedelet was een gedreven actrice, die stad en land afreisde, zijn vader de dichter Jan Campert. Het paar ging tweeënhalf jaar na de geboorte van Campert uit elkaar, wat tot gevolg had dat de jonge Remco in zijn jeugdjaren van hot naar her werd gesjouwd en nergens een thuis had. Dan weer verbleef het enige kind bij zijn grootouders, dan weer moest hij verkassen naar gastgezinnen in de Veluwe. Het wakkerde zijn neiging tot ingekeerdheid aan: “Ik ben ontzettend naïef geweest als kind, heel opgesloten in mezelf. Ik bestond liever niet eigenlijk.” Niet verwonderlijk dat Campert later sprak van “een opgebroken jeugd”, zij het dat die hem wel zelfredzaamheid bijbracht: “Ik heb altijd mijn eigen plan moeten trekken.”

Een buitengewoon begaafd jonkie

In 1943 vernam hij de dood van zijn vader, die in het Duitse concentratiekamp Neuengamme was omgekomen. “Ik wist wel dat je bij het woord ‘vader’ iets zou moeten voelen. Alleen: het lukte niet”, zei Campert in 1999 in Vrij Nederland. Jan Campert was niet alleen dichter, maar ook een verzetsheld, die Joden uit Nederland had gesmokkeld. Zijn gedicht Het lied der achttien dooden, over vijftien terechtgestelde verzetslui en drie communisten, werd voor sommigen een tweede ‘Wilhelmus’. “Ik heb me jaren verzet tegen zijn dood, omdat ik het niet begreep”, zei Campert achteraf. In ‘Januari 1943’ dichtte hij: “Eerst later voelde ik pijn/die niet meer overging.” Pas in het boekenweekgeschenk Familie-album (1999) verzamelde Campert de moed om definitief met hem in het reine te komen.Na de Tweede Wereldoorlog belandde Campert in Amsterdam, waar hij verslingerd raakte aan de bioscoop en de jazz. Zijn middelbare studies maakte hij niet af: “Maatschappelijk beoogde ik niets. (…) Ik genoot niet meer van onderwijs, maar van een soms beangstigende vrijheid”, noteerde hij daarover in een column in 1999. Intussen waren in het schoolblad Halo zijn eerste pennenvruchten verschenen. Maar beslissender voor zijn ontluikend poëtisch talent waren zijn omzwervingen in de kunstenaarscafés, waar hij Bert Schierbeek, Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Karel Appel, Corneille en Rudy Kousbroek tegen het lijf liep. Vooral in Kousbroek vond hij een geestesgenoot, met wie hij in 1949 het tijdschrift BRAAK oprichtte, waar Campert zelf ook gedichten in publiceerde: “De titel ging uit van het idee van het braakliggende land. En ook een beetje van oeaghhhh, kotsen op de rest, en natuurlijk de tong uitsteken naar Menno ter Braak.” Een jaar later verkaste de artistieke voorhoede onder impuls van Simon Vinkenoog naar Parijs, waar zich spoedig een echte Hollandse kolonie vormde, waar Remco Campert, nog groen achter de oren, zijn wagonnetje aan vasthaakte. “Remco was in de begintijd in onze ogen toch een jonkie”, zo herinnerde Gerrit Kouwenaar zich in 2004 in Vrij Nederland. “Ik had al gepubliceerd, hij niet. Maar we vonden hem wel buitengewoon begaafd.” “De zuigkracht van de stad, van de schilders en de schrijvers, was groter dan mijn verlegenheid”, vertelde Campert onlangs aan De Morgen. Campert kleedde zich als een existentialist met coltrui en liet in navolging van zijn jazzhelden een klein sikje staan. Parijs was een groot, uitbundig feest, “een pot honing waar men op afvloog” (dixit Ruud Meyer), en Campert ging helemaal op in de ‘vriendenclub’: “Het was een soort familie, iets wat ik altijd had gemist.” Hoewel hij er financieel zwarte sneeuw zag, is hij Parijs blijven associëren “met een goede periode in mijn leven, met vitaliteit, met schrijven ook. Ik voelde me toen voor het eerst dichter.”

‘Een verlegen lyricus’

In 1951 verscheen Camperts officiële debuut Vogels vliegen toch en een jaar later trad hij met Een standbeeld opwinden al toe tot uitgeverij De Bezige Bij, die hij tot nu trouw is gebleven. Datzelfde jaar stelde Vinkenoog de bloemlezing Atonaal samen, met poëzie van Remco Campert, Hugo Claus, Jan Elburg, Jan Hanlo, Gerrit Kouwenaar en Vinkenoog zelf, waarmee de beweging van de Vijftigers officieel gelanceerd werd en “dwars door het puinstof” van WO II heen brak. Later was er de legendarische bloemlezing Vijf 5 Tigers (1958). Campert ontving in de jaren vijftig een pak literaire prijzen en lof van generatiegenoten en critici, maar de rumoerige en zelfbewuste Vijftigers kregen ook veel tegenwind en soms hoon. Paul Rodenko prees het “doelmatige taalgebruik” in Camperts poëzie en noemde hem “een verlegen lyricus”. Intussen had Campert in de verhalen uit Alle dagen feest (1955) zijn Parijse periode al in kaart gebracht. Hij zou er nog vaak erts uit putten, onder meer in Een liefde in Parijs (2004). Terug in Nederland brak een rumoerige en chaotische periode aan, zeker toen hij op het Boekenbal in 1954 dichteres en drankorgel Fritzi Harmsen van Beek ontmoette. In haar kielzog verzeilde Campert op villa Jagtlust, een landhuis vol “vergane glorie van een Evelyn Waugh-achtige allure”, waar de alcohol rijkelijk door de kelen klokte en de feesten elke avond exorbitanter werden. Campert trad voor de tweede keer in het huwelijk, maar de relatie met ‘Fritzi’ was geen lang leven beschoren. Al moest Campert bekennen dat hij in die tijd “heel erg gelukkig” was. Maar hij besefte dat hij, als hij zijn schrijverij wilde redden, het hazenpad naar Amsterdam moest kiezen. Kort daarna brak Campert als prozaïst door met Het leven is vurrukkulluk (1961), dat op slag een bestseller werd, en Liefdes schijnbewegingen (1963) en Tjeempie of Liesje in Luiletterland (1968). De boeken lijken een voorbode van de flowerpower, met rollebollende verliefdheden, schijnbare zorgeloosheid en gratuite seks, maar demonstreren ook Camperts hang naar vernuftige (vaak fonetische) taalspelletjes. Campert excelleerde vooral in satires op het kunstenaarsleven. De milde tristesse dempte hij met laconieke humor, waarvan enkel hij het patent had. De verhalen kwamen tegen een hoog tempo, met bundels als Nacht op de kale dwerg (1964) en Hoe ik mijn verjaardag vierde (1969). Meermaals liet Campert zich ontvallen hoezeer hij “de prachtige, sluitende en compacte verhalen uit The New Yorker” nastreefde. Campert toonde zich verder ook een begaafd scenarioschrijver. Tijdens de jaren zeventig - weer een mislukt huwelijk, een intermezzo in Antwerpen, en een scheiding verder - raakte Campert enigszins in een impasse, met een writer’s block tot gevolg. “Tegen het schrijven voelde ik een fysieke afkeer. Ik dacht er wel aan, maar ik werd geteisterd door een verlammende twijfel. (…) Het schrijfvuur ontbrak, ik vroeg me af of ik ook de tweede helft van mijn leven met schrijven moest vullen. (…) Maar na enige jaren kwam ik erachter dat schrijven het enige is wat ik kan. En dat het een van de leukste dingen is om te doen”, vertelde hij aan Jan Brokken. De P.C. Hooftprijs voor poëzie kwam in 1979 op het juiste moment om het vuur weer aan de lont te steken. De jury (met onder meer Cees Nooteboom en Gerrit Kouwenaar) sprak wijze woorden: “U bekijkt de mensen en de dingen met de blik van de niet in het leven uitgenodigde, de buitenstaander. U beschrijft de voorvallen met de soms bezeerde en soms schuchtere ironie van iemand die van zijn medemens houdt - heel innig eigenlijk. (…) Uw afstandelijkheid is vol toenadering.”

Recht in de ogen

Waren het helende volzinnen? In ieder geval luidden de jaren tachtig weer een erg productieve periode in, waarin Campert vooral glorieerde als miniaturist en columnist voor de Volkskrant en de VPRO-radio, een genre dat hij meteen tot in de puntjes beheerste en waarin hij het moderne leven subtiel op de hak nam. Prozabundels volgden elkaar in een hoog tempo op, met illustere hoogtepunten als Tot zoens (1986), Eetlezen (1987), Graag gedaan (1990) en Het bijzettafeltje (1993), terwijl hij in 1985 ook het Boekenweekgeschenk Sombermans actie mocht pennen. Steeds vaker ook legde Campert zijn schroom en verlegenheid van zich af. Met Jan Mulder ondernam hij tussen 1989 en 1995 een theatertournee, die ervoor zorgde dat “hij de mensen recht in de ogen durfde te kijken. Vroeger sloeg ik altijd mijn blik neer.” Camperts en Mulders ronde van Nederland had nog een ander gevolg: vanaf 1996 leverden Mulder en Campert in duobaan de voorpaginacolumn van de Volkskrant. “Van de andere columnisten zou ik negenennegentig procent door de wc willen spoelen. Remco torent daar mijlenver boven uit. Het blijft altijd heel klein, maar het is jaloersmakend mooi geschreven”, zo orakelde Jan Blokker in Vrij Nederland. Het was niet de enige lofzang voor Campert, die de laatste jaren door de verzamelde kritiek op de schouders werd gehesen, zeker na kunstenaarsromans als Een liefde in Parijs en Het satijnen hart, en een gestage stroom klein, geciseleerd en vaak speels werk, waaronder ook kinderboeken. In 2006 nam Campert plotseling afscheid van het columnisme. Het gaf hem geen genoegen meer en hij wilde zich weer toeleggen op de poëzie. Want, zo heeft Campert vaak benadrukt, “poëzie is voor mijn gevoel de hoofdzaak”. Komende dinsdag wordt Campert tachtig jaar. Toen hij de kaap van de zeventig rondde en ook al uitgebreid gefêteerd werd, noteerde hij: “De stok om op te steunen nadert. Het grote krimpen begint. Je tijd is aan het opraken.” Toch laat Campert zich zo weinig mogelijk gelegen liggen aan de houdgreep van de ouderdom: “Ik vind dat ik nog steeds de geest heb van een man van 32.” Drukdoenerij over de dood is voor het eeuwige zondagskind helemaal verspilde moeite. “Ik schrijf en ik blijf schrijven.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234