Dinsdag 09/08/2022

Een wolfsklauw in Europa

'Als ze mij zoeken, duik ik weer onder', zei hij vijf jaar geleden aan deze krant. Maar deze keer is het Yalçin Özbey niet gelukt. De man werd begin maart in Brussel opgepakt voor heling en bendevorming. Belangrijker is dat hij in Turkije wordt gezocht voor de moord op Milliyet-hoofdredacteur Abdi Ipekçi. Özbey maakte in de jaren zeventig, samen met Mehmet Ali Agça, deel uit van een groepje Grijze Wolven dat terreur zaaide en niet terugdeinsde voor moord. Later week het clubje uit naar Europa, waar ze met andere Grijze Wolven een Turkse maffia vormden die aanslagen pleegde, drugs en wapens smokkelde en connecties had tot in de hoogste rangen van de Turkse politiek.

AYFER ERKUL

Juli 2001. Een nachtwinkel zoals er vele zijn in het Brusselse. Een beetje verwaarloosd, muf ruikend, met bestofte flessen op de schappen. De man achter de kassa heeft grijs haar en een ingevallen gezicht en lijkt niets op de foto's die Interpol de afgelopen jaren had verspreid. Daarop is hij jong, met zwarte baard en zwart haar. Yalçin Özbey is al lang niet meer de gevierde gangster die gezocht wordt voor een moord in Turkije. Hij woont al vier jaar in België en houdt zich bezig met zijn winkeltje, zijn snackbar aan de overkant van de straat en enkele immokantoren. Hij is onlangs getrouwd en heeft een gelukkig gezinsleven, zegt hij. En hij wordt liever met rust gelaten door de pers, gromt hij.

Die dag zijn we in zijn winkel voor een reportage over hem, de Turkse gangster die een ongestoord leventje kan leiden in Brussel (DM 20/07/2001). Onwillig staat hij ons te woord, kregelig omdat hij 'ontdekt' is. Özbey is dan nog een onbekende in België en dat vindt hij maar best. Hij wil zijn verleden vergeten. Zijn aandeel in moorden, zijn vriendschap met Mehmet Ali Agça, die een aanslag pleegde op paus Johannes Paulus II, zijn drugssmokkel in Duitsland, zijn gevangenschap: allemaal voltooid verleden tijd. "Ik zou niet graag zien dat je te veel details over mij schrijft", zegt hij somber, terwijl hij zijn Duitse herder Rocky aait. Özbey klinkt dreigend.

Maar als hij niet wilde opvallen in België, waarom stond hij een week ervoor dan met een pistool te zwaaien op de Brusselse Grote Markt? Omdat zijn vrouw werd lastig gevallen, klinkt het bars. Dat hij in deze zaak, waarvan toch zijn eer afhing, enkele uren werd vastgehouden door de politie - "In Turkije zou zoiets niet waar zijn" -, daar kan hij nog mee leven. Özbey zit er die dag vooral verveeld mee dat de agenten zijn vuurwapen hebben afgepakt. "Ik had dat wapen altijd bij mij. Hier, achter in mijn broekriem. Je moet je toch kunnen verdedigen. Soms is Brussel net het Wilde Westen. Russen en Albanezen rijden hier rond met Uzi's. Ik kan mij toch niet laten doen?"

Vijf jaar later is duidelijk dat Özbey zich inderdaad niet liet doen door Russen noch Albanezen en dat hij zich schaarde bij de Roemeense misdaadscene in Brussel. De man die we in 2001 spraken, heeft zijn verleden helemaal niet achter zich gelaten en is nooit een gewone Brusselse middenstander geweest. Begin maart werd hij opgepakt voor heling, bendevorming en afpersing. Özbey vormde, samen met de Roemeense familie Boka, een bende die ?s nachts op pad ging om ladingen uit geparkeerde vrachtwagens te stelen. Ze hadden een voorkeur voor trucks waarvan de chauffeur diep in slaap lag. Als de chauffeur klaarwakker was maar de lading toch het stelen waard, stuurden ze af en toe een prostituee als 'afleidingsmanoeuvre'.

Dure horloges, gsm's, luxehandtassen, sportschoenen: zolang het geld kon opbrengen op de zwarte markt was het goed voor de Bokabende. De bende kon voor honderdduizenden euro's buitmaken, vermoedt het Brusselse parket. Veel geld, maar toch. Het lijkt wel alsof Yalçin Özbey in de afgelopen jaren enkele treden gedaald is in de criminele ladder. Met zoiets onnozels als het doorverkopen van uurwerken zou hij zich in zijn wilde jaren nooit beziggehouden hebben. Zeker niet in een bende waarin hij vermoedelijk een bijrolletje speelde. Neen, in zijn jonge jaren was Özbey de man van de grote zaken. Van moord, afpersing, drugssmokkel en aanslagen. Van spectaculaire ontsnappingen uit gevangenissen en onderhandelingen met Turkse en Amerikaanse inlichtingen- diensten. Maar boven alles was en is Özbey nog altijd de laatste schakel in de moord op hoofdredacteur Abdi Ipekçi van de centrumlinkse krant Milliyet in 1979.

De jaren zeventig waren voor Turkije een van de woeligste decennia sinds het ontstaan van de republiek in 1923. In 1971 pleegde het leger een staatsgreep op de toenmalige democratisch verkozen regering. De militairen konden daarvoor rekenen op fascistische groeperingen als de Ülkü Ocaklari (Idealistenhaarden) van de extreem rechtse Nationale Actiepartij MHP. De leden van die groupuscules noemden zich Grijze Wolven en stonden bekend om hun brutale terreur tegen alles wat links was in Turkije. Ze manifesteerden luid roepend door de straten van Istanbul en Ankara, met in de handen rode vlaggen met drie witte sikkels, het logo van de Grijze Wolven. Dertig jaar later is hun symbool nog altijd de opgeheven arm met de hand in de vorm van een wolvenkop geplooid (duim, ringvinger en middelvinger naar binnen, wijsvinger en pink uitgestrekt).

Deze groepjes extreem rechtse jongeren werkten in het geheim voor de overheid, meer bepaald voor het Departement voor Speciale Oorlogsvoering, om communisten en separatisten, vooral Armeniërs en Koerden, te bestrijden. De Grijze Wolven wisten zich gesteund op politiek vlak nadat de MHP in 1975, '77 en '78 werd opgenomen in rechtse coalitieregeringen. De beruchte MHP-leider Alparslan Türkes kreeg zelfs ooit de post van Binnenlandse Zaken, waaronder de inlichtingendienst MIT viel. Handig: zo konden Grijze Wolven gemakkelijk in die dienst infiltreren.

De jaren zeventig waren voor Turkije jaren waarin politieke moorden meer regel waren dan uitzondering, waarin links en rechts elkaar in de straten met vuurwapens bestreden en waarin de bovengrondse politiek zich vermengde met de ondergrondse maffiastructuren.

Een aantal intellectuelen, vooral uit linkse hoek, protesteerde tegen die staatsterreur. Zo ook Abdi Ipekçi, de hoofdredacteur van het centrumlinkse dagblad Milliyet. Ondanks bedreigingen schreef hij stukken over de banden tussen politie en onderwereld. Ipekçi waarschuwde ook dat de MHP zich in Europa, waar veel Turkse migranten woonden, begon te organiseren. Hij riep jongeren, studenten en arbeiders op niet aan provocaties toe te geven. Op 13 juni 1978 schreef hij letterlijk: "Iedereen die tegen deze terreur is, moet de koppen bij elkaar steken... De gekte moet stoppen."

Op 1 februari 1979 werd Ipekçi zelf het slachtoffer van de terreur die hij beschreef. Hij was die dag naar Ankara geweest voor een ontmoeting met de toenmalige premier Bülent Ecevit en keerde laat terug naar Istanbul. Hij ging even langs bij zijn krant en reed daarna naar huis. Nog voordat hij was uitgestapt dook een schaduw op in het donker. Ipekçi werd verschillende keren getroffen en zeeg dood neer.

Maandenlang tastten speurders in het duister over de daders van moord. Wel bleek na Ipekçi's dood dat de MIT een groot rapport had opgesteld over zijn privéleven en de hoofdredacteur verschillende keren had afgeluisterd. De reden daarvoor is nooit duidelijk geworden. Vijf maanden na de moord leek er schot in de zaak te komen. De politie pakte Mehmet Ali Agça op, een jongeman van twintig die later bekend zou worden voor zijn aanslag op paus Johannes Paulus II in Rome.

Agça was geen onbekende in het extreem rechtse wereldje. Hij maakte deel uit van een groepje dat opviel door de heftigheid en het idealisme waarmee het tewerk ging. Jongemannen die samen op school hadden gezeten en vrienden waren geworden. Ze schoten eerst, stelden daarna vragen en stampten nog eens na op het lijk. Bij dat ongure clubje hoorde ook 'onze' Yalçin Özbey en supergangster Abdullah Catli (zie kader). Twee andere Grijze Wolven, Oral Celik en Mehmet Sener, speelden een kleinere rol. Het vijftal woonde samen in een huis in Istanbul.

Mehmet Ali Agça werd schuldig bevonden en tot de doodstraf veroordeeld voor de moord op Ipekçi. Hij verklaarde dat hij op zijn eentje alles had beraamd en uitgevoerd. Pas veel later zou blijken dat Agça de moord op Ipekçi niet op zijn eentje had gepleegd en dat er vooraf een heel plan was beraamd door de vijf Grijze Wolven. Agça zat maar kort in de cel: enkele maanden na zijn veroordeling werd hij op nog onbekende wijze bevrijd uit de gevangenis in Istanbul. Na zijn ontsnapping verdween het vijftal uit Turkije.Wat de vijf vrienden de volgende jaren uitvoerden, is tot nu toe onbekend gebleven. Feit is dat op 13 mei 1981 Mehmet Ali Agça in Rome opdook om een aanslag te plegen op paus Johannes Paulus II. Agça kon gevat worden en kreeg levenslang. Begin dit jaar werd hij uitgeleverd aan Turkije. Daar moet hij nog tot 2010 in de cel zitten. Niet meer vanwege de moord op Ipekçi maar om enkele roofovervallen die hij pleegde.

Onze vriend Yalçin Özbey dook plots op in Duitsland. In 1983 wordt hij door de politie van Bochum gearresteerd. Waarom is niet duidelijk, wel staat vast dat Özbey in die Duitse stad probeerde een vereniging van Grijze Wolven uit de grond te stampen. Özbey wordt snel vrijgelaten en verdwijnt in de Turkse onderwereld in Duitse migrantenkringen. In 1993 staat hij opnieuw in de schijnwerpers, nu voor het smokkelen van heroïne van Turkije naar Duitsland. Tijdens huiszoekingen worden valse paspoorten, stempels, wapens en drugs gevonden. Hij krijgt vier jaar cel. Turkije eist zijn uitlevering omdat ondertussen zijn aandeel in de Ipekçimoord duidelijk is. Özbey was de man die Agça in 1979 hielp ontsnappen uit de gevangenis. Getuigen zagen zijn auto voorrijden en Agça instappen. Özbey had vlak voor de moord ook een grote som geld gestort op een bankrekening van Agça. Dat geld werd enkele dagen na de moord afgehaald. Duitsland weigerde de uitlevering en dus stuurde Turkije twee MIT-agenten om Özbey te ondervragen. Het gesprek werd opgenomen, maar de tapes verdwenen later op mysterieuze wijze en zijn nooit teruggevonden. Jaren later, toen ze door een rechter ondervraagd werden over het gesprek, leden de twee MIT-agenten aan geheugenverlies. Özbey betrokken bij de Ipekçimoord? We weten echt niet meer of we hem daarover hebben horen spreken.

In januari van dit jaar lekte een geschreven verslag van de opnames uit naar de pers. Belangrijke dingen staan er niet in en de tekst is ook niet volledig. Tijdens de ondervraging blijkt Özbey vooral zijn oude kompaan Mehmet Ali Agça te hebben uitgescholden voor psychopaat en machtsgeile gangster. "Hij droomde ervan iemand te worden als terrorist Carlos, de Jakhals", zei Özbey.

In 1997 wordt Özbey vrijgelaten in Duitsland. Hij neemt meteen het vliegtuig naar Londen, waar hij een tijdje verblijft bij een neef van hem. Daarna neemt hij de Eurostar naar Brussel. In het Zuidstation wordt hij aangehouden door de rijkswacht, die vindt dat de man zich verdacht gedraagt. Als blijkt dat Özbey door Interpol wordt gezocht neemt de rijkswacht contact op met Turkije. Die reageert niet binnen de vereiste 24 uur en Özbey wordt vrijgelaten. Twee jaar later vraagt Turkije om zijn uitlevering, maar weigeren de Belgische autoriteiten omdat in Turkije de doodstraf nog bestaat. Ook na zijn recente arrestatie wordt een uitleveringsvraag verwacht van Turkije. De kans dat hij wordt vrijgelaten in afwachting van het onderzoek, is groot. Vraag is of hij dan nog lang in België zal blijven. "Als ze mij te veel lastig vallen, zal ik opnieuw onderduiken", zei hij vijf jaar geleden. "En dan begin ik gewoon opnieuw."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234