Zondag 11/04/2021

Een wedloop tegen de tijd

Ruim vijfenzeventig jaar na het overlijden van Marcel Proust (1871-1922) heeft Thérèse Cornips de Nederlandse vertaling van zijn meesterwerk A la recherche du temps perdu voltooid. Onlangs verscheen in paperbackeditie het tweede deel van De tijd hervonden, waarmee de romancyclus wordt afgesloten. Wordt Prousts oeuvre terecht als een monument van de wereldliteratuur beschouwd, dan heeft de vertaalster op haar terrein een niet minder monumentale prestatie geleverd. Het vertalen van Prousts proza met zijn lange en meanderende zinnen, die daarbij in het laatste, niet meer door de auteur gecorrigeerde deel nogal wat slordigheden en duistere plaatsen vertonen, moet een hele klus zijn geweest en het resultaat dwingt bewondering af.

Paul de Wispelaere

In 1908 was Proust zevenendertig geworden. Toen hij in dat jaar nog steeds aarzelend en tastend het idee van zijn magnum opus ontwikkelde - hij twijfelde tussen essay en roman terwijl het, geheel in modernistische zin, een vervlechting van beide zou worden - waren daar al enkele merkwaardige probeersels aan voorafgegaan. Zo de bundel beschouwingen, portretten en korte verhalen Les plaisirs et les jours (1896) en de maar liefst negenhonderd bladzijden tellende maar in fragmenten verzande autobiografische roman Jean Santeuil, waar de auteur na 1900 de brui aan heeft gegeven. Van beide werken is in 1972 een geannoteerde editie verschenen in de Pléiade-reeks.

Prousts romancyclus heeft ook een ingewikkelde ontstaansgeschiedenis. In 1912 achtte hij een eerste versie van het werk voleindigd. Met een totaal van omstreeks duizend pagina's omvatte die drie delen: De kant van Swann, De kant van Guermantes en De tijd hervonden, waarin toen ook nog In de schaduw van de bloeiende meisjes als onderdeel was opgenomen. De uitgave van het eerste deel had heel wat voeten in de aarde. André Gide, toen lector bij Gallimard, beging de flater van zijn leven door het manuscript af te wijzen en ook bij Fasquelle vond men er kop noch staart aan. Pas nadat de auteur het in 1913 in eigen beheer had uitgebracht, betoonde Grasset interesse en bezorgde het jaar erop een eerste officiële druk. Weer vier jaar later verkwanselde deze uitgever echter een toekomstig goudmijntje door In de schaduw van de bloeiende meisjes aan het inmiddels bekeerde Gallimard af te staan. In 1919 werd deze roman bekroond met de Prix Goncourt, waarmee voor Proust de beroemdheid begon.

Zonder die strubbelingen met uitgevers en het gelijktijdige uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zou zijn romanoeuvre ongetwijfeld in de oorspronkelijke drieledige versie verschenen zijn en nooit zijn uitgegroeid tot het bijna twee derde omvangrijkere meesterwerk dat het achteraf geworden is. Ondanks en wellicht ook dankzij zijn verslechterende gezondheid - sinds zijn kinderjaren leed hij aan astma en longzwakte - heeft hij er nog gedurende negen jaar, tot vlak voor zijn dood, obsessioneel aan voortgewerkt, hoofdzakelijk en steeds exclusiever in zijn legendarisch geworden met kurk beklede kamer aan de Boulevard Haussmann. Vaak bedlegerig - wat tegelijk een excuus was om zich van de mondaine buitenwereld te kunnen afsluiten - schreef hij er 's nachts en sliep overdag, overeind gehouden door een overdadig gebruik van beurtelings oppeppende en kalmerende middelen.

In deze omstandigheden heeft hij in de eerste plaats de twee delen De gevangene en De voortvluchtige aan zijn roman toegevoegd, omdat de erin behandelde liefdesgeschiedenis pas later had plaatsgevonden. En daarnaast heeft hij de andere, al bestaande delen grondig onder handen genomen, wijzigingen in de compositie en verbeteringen aangebracht, nieuwe versies en uitbreidingen ingelast, en tot op de drukproeven toe nog vele stukken herschreven. Zo is dit reusachtige werk tot stand gebracht in een wedloop tegen de Tijd, die er het hoofdthema van uitmaakt. En uiteindelijk heeft Proust die strijd niet helemaal gewonnen: de laatste drie, postuum verschenen, delen van de cyclus heeft hij niet meer zelf persklaar kunnen maken, en van De tijd hervonden heeft hij niet eens een drukproef gezien. In deze zin is zijn levenswerk, net als dat van Kafka, Musil en andere groten, onvoltooid gebleven.

Van meet af aan besefte Proust dat de stof van zijn grote roman in de herinnering aan zijn eigen voorbije jonge leven lag. En al is er daarbij geen sprake van een sluitend verhaal dat het uitputtende verslag van dat hele leven zou zijn, toch is het onmiskenbaar dat Op zoek naar de verloren tijd een duidelijk biografisch stramien heeft. Door biografen als George D. Painter (Marcel Proust, 1956) en Ghislain de Diesbach (Proust, Nederlandse vertaling 1996) is inmiddels zorgvuldig nagegaan welke historische personen uit Prousts kring van aristocratische en artistieke vrienden en kennissen model hebben gestaan voor zijn romanfiguren, en welke veranderingen er in de plaatsnamen zijn aangebracht. Zo'n onderzoek mag de hedendaagse lezer onverschillig laten, toch levert het belangwekkende kennis op over de werkwijze van de auteur en het waarheidsgehalte van zijn zelfbeeld in de roman. Zo blijkt dat Proust voor de creatie van zijn voornaamste personages soms drie of meer modellen met elkaar heeft verweven. Een paar voorbeelden. De hertogin de Guermantes is samengesteld uit ten minste vier adellijke dames wier salons de jonge, snobistische auteur heeft bezocht; de schilder Elstir uit Monet, Whistler, Moreau en nog enkele andere kunstenaars; de schrijver Bergotte uit Anatole France, Bourget, Barrès en anderen; de baron Charlus uit de schrijver en dichter Robert Montesquiou, Oscar Wilde en Jean Lorrain. Het moge duidelijk zijn: herinnering en verbeelding liggen in dat scheppingsproces dicht bij elkaar, Proust betrachtte met zijn roman een gigantische, gefictionaliseerde transformatie van zijn leven en zijn wereld in een literair kunstwerk. En daartoe behoort natuurlijk ook de omzetting van zijn eigen persoon in een anonieme ikverteller: een alter ego dat niet met hem verward of vereenzelvigd mag worden, maar in de romanwereld een analoge rol vervult als hijzelf in de werkelijkheid. Zo kan het boek in zijn geheel ook beschouwd worden als het levensverhaal van die verteller op weg naar het schrijverschap, en daarmee het hervinden van de 'verloren tijd'.

De verste herinnering van de verteller, waarin hij zich afschildert als zwak van gezondheid, nerveus, overgevoelig en behept met een ziekelijke moederbinding, speelt zich af in Combray (in werkelijkheid Illiers, een plaatsje ten zuiden van Chartres), waar hij met zijn ouders enkele vakanties in het huis van tante Léonie had doorgebracht. Met dit verhaal opent De kant van Swann, het eerste en mooiste, meest poëtische deel van de romancyclus, waarin zich al de belangrijkste thema's van het hele oeuvre aandienen. Ze worden er verbonden aan de topografie van het dorp, van waaruit twee wandelwegen vertrekken die, in de ogen van de jongen, naar twee strikt gescheiden werelden leiden: de ene naar het landhuis van Swann, de andere naar het domein van de Guermantes, een mysterieuze adellijke familie die ooit over het dorp had geheerst. Met de wat artistiekerige Swann, die tot de hoge bourgeoisie behoort en met wie zijn ouders bevriend zijn, komt de jongen in contact. Hij wordt door hem attent gemaakt op literatuur en theater, en ontmoet ook diens dochter Gilberte, die zijn eerste jeugdliefde zal worden. De Guermantes blijven daarentegen een voorlopig onbereikbare droom. Swann was beneden zijn stand getrouwd met de cocotte Odette, en deze liefdesgeschiedenis, die de verteller slechts 'van horen zeggen' kent, vormt op zichzelf een prachtige roman, die ook herhaaldelijk apart is uitgegeven onder de titel Een liefde van Swann.

De kant van Swann bevat bovendien nog de beroemde passage waarin het ontstaan van de Combray-herinneringen uit de doeken wordt gedaan: een reflectie op het schrijven zelf, die pas verderop in de roman haar volle draagwijdte zal krijgen. Lang na de gebeurtenissen komt de verteller op een winterse dag thuis en zijn moeder biedt hem een kopje thee met een madeleinekoekje aan. En op slag vindt het wonder plaats: het drankje roept de identieke smaak en geur op van de lindebloesemthee die tante Léonie hem destijds voorzette, en in het verlengde van deze eerste 'onvrijwillige herinnering' komen, in al hun oorspronkelijke frisheid en bekoorlijkheid, de beelden van Combray, het verloren gewaande paradijs van zijn kinderjaren, weer naar boven. De hoofdthema's die, allemaal vanuit de optiek van de Tijd en de vergankelijkheid, het verlangen en de ontgoocheling, de illusie en het verval, uit dit eerste romandeel voortvloeien, zijn de complexe ervaringen van de verliefdheid, de ontluisterende schildering van het mondaine salonleven in wat naderhand de Belle époque zou heten, en de ontdekking van de wereld der 'geïnverteerden'. Prousts verteller betoont zich daarbij als een lucide anatoom van de liefde die, volgens de grondwet van de Verloren tijd, gekenmerkt wordt door vluchtigheid en veranderlijkheid. Steeds weer, of het nu Gilberte of Albertine betreft, verloopt een erotische relatie volgens een patroon van ambivalenties en tegenstrijdigheden, waarin alle houvast verloren gaat. Het is een geraffineerd spel van perspectiefwisselingen, aantrekken en afstoten, binden en weer loslaten. De geliefde is niet één persoon, maar bestaat uit een reeks schijngestalten die telkens vanuit een ander gezichtspunt worden waargenomen, en begeerlijker worden naarmate ze afwezig of onbereikbaar zijn en jaloezie opwekken.

In feite keert diezelfde psychologie van verlangen, illusie en ontgoocheling ook terug in Prousts uitbeelding van de Parijse beau monde. In 1888 realiseerde hij zijn kinderdroom door eindelijk toegang te krijgen tot de aristocratische salons, die hij gedurende tien jaar frequenteerde. Voor zijn verteller ligt de bovenste trede van deze opgang in de adellijke kringen van de hertogin en de prinses de Guermantes. Maar algauw vallen hem daar de schellen van de ogen en ontmaskert hij er met ironie en schamperheid de schone schijn, het snobisme, de leeghoofdigheid en de decadentie.

Hij komt er ook achter dat nagenoeg de hele high society er in het geheim homoseksuele praktijken op na houdt. In het deel Sodom en Gomorra heeft hij er een onthullende beschouwing aan gewijd, waarover onder anderen André Gide ontzet was. Proust speelt daarbij zeker geen open kaart. Hij was zelf homoseksueel, maar heeft dat in zijn roman zorgvuldig verborgen gehouden, vooral door in de delen die over zijn grote liefde, zijn chauffeur en secretaris Alfred Agostinelli, gaan, deze als Albertine te vermommen. Dat mag voor die tijd begrijpelijk zijn, het neemt niet weg dat Proust met twee maten meet: zelf blijft hij buiten schot, maar de baron Charlus voert hij in een onverbloemde bordeelscène op als homoseksuele sadomasochist. Die Charlus - in werkelijkheid de schrijver Robert, graaf Montesquiou - herkende zichzelf zozeer in die taferelen dat hij na het verschijnen van Sodom en Gomorra de wijk nam naar Menton, waar hij kort daarop vereenzaamd stierf.

In De tijd hervonden doet zich iets eigenaardigs voor in de relatie tussen de auteur Proust en zijn verteller. Ik vermeldde al eerder dat de romancyclus ook gelezen kan worden als het levensverhaal van die verteller op weg naar zijn schrijverschap. Dat motief, dat af en toe al terloops was opgedoken, krijgt in het slotdeel plotseling grote nadruk en een beslissende betekenis. In een volkomen fictieve scène stelt de verteller het voor dat hij na een (schimmig gehouden) lange afwezigheid naar Parijs terugkeert en zijn oude geliefde Gilberte terugziet in afwachting van zijn laatste bezoek aan een matinee van de hertogin de Guermantes. Bij die gelegenheid verkeert hij in een sombere stemming en spreekt er verscheidene keren zijn twijfel over uit of hij wel echt literair talent heeft en, mede vanwege zijn zwakke gezondheid, in staat zal zijn zijn geplande boek daadwerkelijk te voltooien.

Dit is in feite de eerste keer dat de lezer iets over dat plan verneemt. Kort daarop ondergaat de verteller echter, op weg naar de matinee, een ware metamorfose. Bij het betreden van de binnenplaats van het 'hotel' beleeft hij een vijftal keren achter elkaar een ingrijpende ervaring van de 'onbewuste herinnering', waarbij hij hetzelfde warme geluksgevoel ondervindt als destijds bij het drinken van het kopje thee. Opmerkelijk is dat die ervaringen bijna letterlijk overeenkomen met die welke Proust al in 1908 beschreven had in zijn essay Contre Sainte-Beuve bij de voorbereiding van zijn roman, en waarop hij na het verschijnen van De kant van Swann nog een keer in een interview was teruggekomen. Dat betekent twee dingen: dat, in het opzicht van de roman-poëtica, de verteller en Proust zelf in elkaar overlopen, en dat het boek dat de verteller, als bij toverslag verlost van zijn twijfel, zich voorneemt te gaan schrijven, in feite de roman is die Proust zelf heeft voltooid. De verteller heeft exact hetzelfde punt bereikt als de auteur toen die, zoveel jaren eerder, een begin maakte met Op zoek naar de verloren tijd. Hier is dus sprake van een spiegelstructuur, die later bij de beoefenaren van de nouveau roman en soortgelijke experimenten navolging zou vinden.

De overpeinzingen van de verteller vormen een zestig pagina's lang essay, dat niet uitmunt door helderheid en precisie, maar niettemin een belangwekkende uiteenzetting bevat van Prousts ideeën over de roman, die alle cirkelen om het kernbegrip Tijd. In de eerste plaats komt hij tot de slotsom dat het geluksgevoel dat samengaat met de 'onvrijwillige herinnering' voortkomt uit de doorleefde versmelting van heden en verleden, die een bevrijdende gewaarwording van tijdeloosheid meebrengt. Zulke begenadigde momenten waarin de mens afdaalt in zijn diepste ik, kunnen alleen worden vastgelegd en vastgehouden in het kunstwerk, waarin de verloren tijd zodoende wordt teruggevonden. Buiten deze beleving van de 'essentie' blijven alle andere impressies en waarnemingen, en ook de gewone, verstandelijke vormen van de herinnering ontgoochelend aan de oppervlakte. En al moet de schrijver het daar noodgedwongen ook vaak mee doen, het is zijn plicht zo diep mogelijk in de verschijnselen door te dringen. Vandaar dat Prousts verteller op deze plaats de adepten van het realisme, evenals de aanhangers van geëngageerd of intellectualistisch proza allen de mantel uitveegt omdat zij aan de buitenkant van het leven blijven staan.

In goede literatuur is niets rechtlijnig en eenduidig, en dus zeker ook niet bij Proust. Tussen zijn romantisch gekleurde bespiegelingen in bovenstaande zin door worden zijn geloofspunten - niet zonder enige verwardheid - in contrast geplaatst met zijn psychologie van de liefde, die juist in het teken van de tijdelijkheid en veranderlijkheid staat. Maar de waarlijk schokkende gebeurtenis, die de verteller weer eerst even doet wankelen, grijpt plaats vanaf het moment dat hij de zaal van de matinee wordt binnengeleid. Na twintig jaar is hij in de mondaine wereld van zijn jonge jaren teruggekeerd, en wat hij er te zien krijgt is een gruwelijke vertoning. Die hele troep aristocratische dames en heren die hij van nabij had gekend, blijkt onherroepelijk aangetast en afgetakeld door de Tijd als bewerker van vergankelijkheid en verval, ouderdom en dood. Het is een grotesk en hallucinant schouwspel, een danse macabre, een spookachtige maskerade die honderdvijftig pagina's lang wordt volgehouden, en bij mijn weten in geen andere literatuur zijn weerga vindt. De vertoning tekent bovendien niet alleen het individuele verval maar tevens de morele en sociale ondergang van een eens dominante klasse, die na de Eerste Wereldoorlog van het publieke toneel zou verdwijnen.

Voor de verteller is het evenzeer de sarcastische bevestiging van de decadentie die hij al veel eerder bij de beau monde had onderkend. Maar het werkt ook als een spiegel waarin hij met zijn eigen veroudering en naderende dood wordt geconfronteerd. En deze ervaring drukt hem dit keer niet terneer maar geeft hem een sterke prikkel om, definitief en nu haast juichend, aan te kondigen dat hij onverwijld de handen aan het werk zal slaan in de hoop het oeuvre te volbrengen dat de Tijd zal weerstaan en waarvan de lezer zopas het laatste woord gelezen heeft.

Marcel Proust (uit het Frans vertaald door Thérèse Cornips), De tijd hervonden II, De Bezige Bij, Amsterdam, 212 p., 890 frank. De wat verwarrende titel van dit slotdeel is een gevolg van het feit dat de oorspronkelijke, zevendelige Franse uitgave naderhand in de klassieke Gallimard-editie over vijftien delen werd gespreid. In de Nederlandse vertaling bestaan nu de beide uitgaven naast elkaar: een gebonden editie in zeven delen, en een paperbackeditie van zestien delen, waarvoor op een klein verschil na de Gallimard-editie is gevolgd. Voor wie Proust toch liever in het Frans leest, is vooral de driedelige wetenschappelijke Pléiade-editie aan te bevelen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234