Vrijdag 16/04/2021

Een Warhol in zwart-wit

Wie een lijstje aanlegt met de eretitels die de Franse kunstenaar Jean Cocteau (1889-1963) heeft verzameld, kan er niet omheen: de man moet een soort van Andy Warhol in zwart-wit geweest zijn, een kwikzilveren kunstprins met de blik en het ego op oneindig. Schrijver, dichter, journalist, schilder, cineast, enfant terrible, acteur, society-figuur, poète-orchestre, poseur, charmeur... Cocteau was het zelfverklaarde kruispunt van het mondaine kunstenaarsleven in Frankrijk. In de reeks 'Privé-domein' verscheen een tot 300 bladzijden ingekookte selectie uit de zowat 2.000 pagina's van Cocteaus dagboeken uit de jaren 1942-1954. De helft te veel en niet bepaald briljant vertaald, maar dat mag de pret niet drukken. Het zelfportret van deze soms genadeloos perfect formulerende artistieke duizendpoot (veldmuis? koninginnepage? bidsprinkhaan?) hééft wel iets.

Eric Min

Als schrijversdagboeken egodocumenten par excellence zijn, dan moeten de honderden bladzijden die Jean Cocteau in ongeveer acht jaar heeft volgekrast een voorbeeld zijn van het overspannen soort. Ordinaire schrijvers prevelen hun biecht of nestelen zich neuzelend voor de spiegel in hun werkkamer: ecce homo - neemt en eet, dit is mijn innerlijke monoloog die voor u gesproken wordt. Bij Cocteau klinkt het anders. We horen geen klacht of geen aarzelend pleidooi à décharge. Hij kraait en ratelt, declameert zijn tekst als een acteur die op verhaal wil komen en er zich niets van aantrekt dat de boezemvriend bij wie hij zijn hart uitstort eigenlijk niet meer luistert. De lezer van het dagboek wordt meegetroond naar het eerste balkon. Ga zitten, laat het doek opgaan, que la fête commence.

"Als na mijn dood dit dagboek verschijnt (...)." "Het is aangenaam om een postuum dagboek bij te houden - zo kan ik nog rustig doorpraten met de vrienden die mijn werk nog zal maken (...)." "Aangezien dit dagboek pas na mijn dood zal worden gepubliceerd, kan ik me de luxe veroorloven om de waarheid te zeggen (...)." Voortdurend struikelen we over uitspraken als deze, en over raadgevingen voor wie de tekst zal redigeren. Op zondag 1 augustus 1954, één openhartige regel: "De tijd. Als er niemand is om mee te praten - praat ik met jullie, die me nu lezen."

Wie zich vandaag aan die lectuur waagt, waadt door een rivier van overmoed en soms meelijwekkende, soms vertederende eigenliefde. Een voorbeeld van de eerste soort: "(A)ls ik in staat zou zijn tot hoogmoed, dan zou ik er alleen prat op kunnen gaan dat ik een literair experiment ben zonder voorbeeld." Geen stormachtig applaus na een briljante voorstelling, geen bewonderende brief blijft de lezer bespaard. Na de Weense première van Oedipus Rex vernemen we dat een ontroerde Cocteau eerst geen woord kan uitbrengen en daarna een geïmproviseerde toespraak houdt (die hij ook woordelijk in het dagboek overschrijft, met de vermelding van de gebruikte talen: eerst Duits, dan Frans, daarna weer Duits). Herzliche Grüße, waarna eindeloos applaus van een uitzinnig publiek...

De bundel Clair-obscur, waaraan Cocteau in de zomer van 1953 werkt, moet "een anarchistische en aristocratische belediging zijn aan het adres van een tijd die zich verbeeldt alles te kunnen begrijpen en alles voor belachelijk verslijt wat hij niet begrijpt". Een half jaar later herleest hij de gedichten, schrapt, zout, pepert - het tweede deel van het boek is in elk geval geniaal "en dus tijdelijk onaanvaardbaar". Een wandkleed naar zijn ontwerp in het museum van Antibes doet de werken van Picasso die er naast hangen teniet; het ding zet de tweede verdieping van het gebouw in vuur en vlam. En nou jij weer. Bliksemse kerel, die Cocteau.

Gelukkig zijn er ook de minder bevlogen passages, waarin de schrijver rustig en van een afstand kijkt naar leven en werk en de artistieke subcultuur waarin hij rondwaarde. Zo vernemen we dat hij schrijft en regisseert als een slaapwandelaar: iemand die werk aanvaardt waarvoor je klaarwakker moet zijn, verbeeldt zich dat hij kan schaatsen omdat hij ooit in een droom heeft geschaatst. "Als ik klaarwakker ga schaatsen, val ik op mijn bek."

Dat zou kunnen kloppen; van Cocteaus beste werk kunnen we ons inderdaad voorstellen dat er heel wat roes of onbevangenheid voor nodig was. Als hij schildert is het vooral de handeling zelf die hem fascineert; ogen en handen gaan gewoon hun gang, niet gehinderd door academische conventies. Is tekenen of schilderen immers niet schrijven met andere middelen? En is het schrijven zelf geen tijdverdrijf dat de kunstenaar zichzelf toestaat, terwijl het lichaam zachtjesaan oud wordt? Met de jaren slaapt hij minder, droomt hij meer, leeft hij intenser. Na zijn vijftigste ziet Cocteau zichzelf "als een jongeman die in de ouderdom is verdwaald of (als) een oude man die in de jeugd is verdwaald".

Maar zelfs deze frivole, zelfvoldane duivelskunstenaar, over wie iemand schreef dat hij acht à negen van de zeven kunsten beoefende, komt af en toe tot rust. Wanneer hij naar zijn schilderende huisgenoten kijkt terwijl zeilboten voorbijvaren, bijvoorbeeld. "Het zijn onbetaalbare minuten. Een geluk waarvoor ik ongetwijfeld zal moeten betalen. Ik moet de tegenspoed maar beschouwen als een belasting op dit geluk." Een enkele keer mijmert hij over de dood. Het kind Cocteau kon de zelfmoord van zijn vader niet accepteren omdat de man hem had beloofd dat hij 's anderendaags zijn fototoestel zou repareren. Het overlijden van zijn moeder in 1943 maakt hem niet treurig maar eerder luchthartig. Er is alleen de reflex van tranen op het kerkhof en de wetenschap dat het de onaangekondigde, bruuske overgang van de ene staat naar de andere is die het sterven onverdraaglijk maakt.

Zijn het herkenbare, 'menselijke' notities als deze, of de passages waarin Cocteau zijn absolute geloof in het bestaan van vliegende schotels belijdt, die het dagboek verteerbaar maken? Huist er dan toch een mens van vlees en bloed achter het masker van Parisiaans snobisme en commedia dell'arte waarvan Cocteau zo gretig zijn handelsmerk heeft gemaakt? Blijkbaar wel. Hij geeft zowaar toe dat zijn onvermoeibare geflirt met kunsten en kunstjes helemaal niets met het streven naar een of ander Gesamtkunstwerk te maken heeft: "Er is een hoogtepunt dat ik niet weet te halen, een hoge noot die ik niet kan voortbrengen (...). Dat is ongetwijfeld de diepliggende reden dat ik steeds van uitdrukkingsmiddel verander."

Maar we lezen dit geschrift toch niet in de eerste plaats voor de mens Cocteau - wie is die gozer helemaal? Vergeten we niet dat de kunstenaar in het brandpunt van het artistieke en mondaine leven stond. Wie vanuit dit perspectief in de dagboeken grasduint, wordt beloond voor zijn moeite. De lijst van special guests is behoorlijk indrukwekkend: componisten als Strawinsky, Satie of Auric, de Duitse beeldhouwer Arno Breker, Raymond Radiguet, Fargue, Eluard, Jean Marais, de "grenzeloze maniak" Genet, Colette ("haar ogen drijven in het vocht van de oesters van Marennes, haar olijfkleurige haar, haar mond als de wond toegebracht met een pijl")... Marcel Proust heeft iets van "een elektrische lamp die overdag is blijven branden - van het gerinkel van een telefoon in een leeg appartement". In Nice troont de oude Matisse als een negerkoning op zijn ziekbed tussen zijn papiers découpés. Van Picasso krijgen we een liefdevol portret. Zijn schilderijen zijn gewelddaden, aanslagen op alles en iedereen, op de oude en de nieuwe kunst. Cocteau verzucht bewonderend dat de Spanjaard de wereld naar zijn hand zet, vormen en beelden meesleept naar zijn helse smidse.

Tussen de bedrijven door is Cocteau ook een genadeloos criticus die aan twee regeltjes genoeg heeft om de vijand in de pan te hakken. Toneelschrijver en rivaal Giraudoux "borduurt met een kruissteekje zijn pantoffel terwijl hij in het spionnetje in de gaten houdt wat er in zijn straatje in de provincie gebeurt". Simone de Beauvoir: "een teef die het leven beschrijft van honden die op botten knagen, die om beurten tegen dezelfde lantaarnpaal pissen, die elkaar bijten en hun achterste besnuffelen". Het dagboek van André Gide: "een stierlijk vervelend herbarium". Om Proust en zijn werk af te maken, heeft Cocteau een tiental (inmiddels beruchte) bladzijden nodig. A la Recherche du temps perdu wordt met een precisiebombardement van enkele striemende typeringen in de grond geboord: het werk is "een boze droom", "een wolk van anti-astmapoeder". Ook de eindeloze polemiek met François Mauriac naar aanleiding van Cocteaus stuk Bacchus krijgt de nodige ruimte.

Over de echte wereld kunnen we kort zijn: nu eens dweept Cocteau een beetje met Hitler of De Gaulle, dan weer valt hij voor Eva Perón. Van onthechte estheten moeten we niet veel inzicht in het ideologische bedrijf verwachten. Is het nachtelijke bombardement van Parijs niet in de eerste plaats een prachtig vuurwerk dat zich ontvouwt boven het huis van Fargue in Montparnasse, "een fraaie loge voor het hemelschouwspel"? De gele jodenster herinnert Cocteau vooral aan de Middeleeuwen (of aan een toneelkostuum?). En duurt die oorlog niet te lang, is hij niet te saai? "Er gebeurt hetzelfde als in het theater. Als het stuk interessant en kort is, is het publiek een en al oor." Amerika mag daarentegen een land van lyriek zijn, van spoken uit Hollywoodfilms en "tulen flatgebouwen bekroond met Griekse tempels of kathedralen"... Gelukkig hoef je het niet altijd met zijne hanige hoogheid eens te zijn om van dit proza te genieten.

En genieten kan, mag, moet. Cocteau is op zijn best in kleine zinnetjes die trillen van zinnelijkheid of klinken als intelligente aforismen. Over een muzikant: "Vanuit zijn rode cello stijgt een soort hars in hem op, sperma uit de diepten. Deze jongeman en zijn cello vormen een liefdeskoppel. De krul en zijn nek draaien om elkaar heen. Het lijkt of hij klaarkomt." Over politiek: "Het volk heeft een hekel aan geluk en aangezien de oorlog de meest officiële vorm van ongeluk is, hebben ze er respect voor." Bij een dakraam dat uitkijkt over de tuin van het Palais-Royal: "Op afstand wordt alles onmenselijk en verliest het reliëf van de liefde." Over het woord "lijkt" dat almaar in zijn dagboek lijkt op te duiken. Over die "gewelddadige vorm van poëzie" die het Spaanse stierengevecht is, over vertwijfeling, over "de erectie van de ziel" of over zwembroeken. Over de literatuur: "Slechte vertalingen, voorstellingen die door de buitenlandse censuur en grillen van actrices zijn verminkt, daarop stoelt de faam van een dichter, die ziek kan worden van één verkeerd geplaatste komma."

Des te ergerlijker dus dat deze vertaling ontsierd wordt door interpretatiefouten en andere ongein. De titel van El Greco's schilderij kan toch niet 'Martelaar van Saint-Maurice' zijn: 'martyre' staat hier voor 'martelaarschap'. De vertaling hinkt en hikt, gaat aan letterlijkheid ten onder. Waarop slaan zinnen als "ik vergat de bronnen van wantrouwen", of "in het werk vormt zich een wereld waarin niets overkomt uit deze stad halfstok en uit Europa"? Cocteau artistieke snob jawel maar verdienen beter dan kromtaal deze.

Jean Cocteau (uit het Frans vertaald door Joop van Helmond), Dagboek van een duizendkunstenaar 1942-1954, De Arbeiderspers (Privé-domein nr. 230), Amsterdam/Antwerpen, 331 p., 1.199 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234