Maandag 21/10/2019

Een Vlaamse vloek in de linkse kerk deel III: Ons verdriet

Beeld UNKNOWN

Kunstenaars en intellectuelen verbeelden de Vlaamse natie het liefst van al als een bonte mix van weinig geciviliseerde blanke bangerds en kneuterige fermettebewoners. Ten bate van de eigen progressieve hipheid verdelen ze zo de samenleving. De man die de politieke winst opstrijkt heet Bart De Wever. Wie het rechtse Vlaams-nationalisme wil bestrijden kan beter steunen op politieke argumenten dan op morele zelfgenoegzaamheid en culturele geringschatting van de ander. Dit is de derde aflevering van een vierdelig essay.

Kevin Absillis is docent moderne Nederlandse letterkunde aan de
Universiteit Antwerpen. Hij schreef o.a. 'Vechten tegen de bierkaai' (2009) en coredigeerde 'De manke usurpator: over Verkavelingsvlaams' (2012).


Van Hendrik Conscience tot Paul van Ostaijen, van August Vermeylen tot Louis Paul Boon: ze deden, elk op hun manier, aan cultuurkritiek. En hoe verschillend hun opvattingen ook waren, al deze schrijvers waren doordrongen van de gedachte en de hoop dat hun talent zou kunnen bijdragen tot de vorming en verbetering van een Vlaamse of Nederlandstalig-Belgische (sub)natie. Deze ambitie lijkt sinds de jaren 1980 te zijn verdampt. Eerst knapten academici, opiniemakers en kunstenaars af op de snoeverige stijl en het louter economische en technologische discours van de Vlaamse Executieve die zich na de staatshervorming van 1993 als een volwaardige Vlaamse regering zou ontpoppen. De favoriete schietschijf heette toen Gaston Geens. Als eerste voorzitter van de Executieve muntte deze christendemocraat de slogan die tot vandaag als summum van Vlaamse patserigheid doorgaat: "Wat we zelf doen, doen we beter". Luc Van den Brande, die Geens in 1991 opvolgde en zich in 1995 de eerste Vlaamse minister-president mocht noemen, verging het niet veel beter. Net als Geens belichaamde hij voor een intellectuele bovenlaag pure zelfgenoegzaamheid en bekrompenheid, een belediging die nog altijd fungeert als het "schild en vriend" van wie zich bij ons kosmopolitisch en progressief noemt.

Een tweede, nog belangrijker kantelpunt was de eerste Zwarte Zondag (24 november 1991). De doorbraak van het extreem rechtse en separatistische Vlaams Blok leverde de linkse intelligentsia de onmiddellijke inspiratie voor initiatieven als de Hand in Hand-betogingen en Charta 91, een onafhankelijke, pluralistische groep die aan de basis lag van het cordon sanitaire. In combinatie met het identiteitsvertoog van de Vlaamse regering stimuleerden de successen van het Vlaams Blok ook een nieuw soort, zich als demythologiserend aankondigend onderzoek naar de geschiedenis van het Vlaams-nationalisme. Het maakte gebruik van de inzichten van Ernest Gellner, Eric Hobsbawm en Benedict Anderson. Studies van Jan Blommaert, Marc Reynebeau en Anne Morelli komen de verdienste toe dat ze de historiografie van de Vlaamse Beweging definitief losweekten uit het onmiddellijke milieu van die Beweging zelf. Hun verzet tegen sommige verschijningsvormen van Vlaams-nationalisme was vanuit moreel oogpunt trouwens niet onbegrijpelijk.

Toch brachten deze deconstructivisten geen genuanceerde discussie over de geschiedenis en werking van naties op gang. Daarin bleken ze ook maar matig geïnteresseerd te zijn. Ze plukten uit een internationale onderzoekstraditie, wat nuttig was voor binnenlands gebruik, namelijk wetenschappelijke argumenten om politieke overtuigingen te diskwalificeren. De doelstelling was lieden als Luc Van den Brande en Filip Dewinter als gevaarlijke kwakzalvers weg te zetten: nationalisten maakten arme mensen immers wijs dat ze een natie vormden, terwijl de natie niet bestaat. Internationale experts bewijzen het! Deze intellectuele gemakzucht verklaart waarom in een bepaald soort nationalismeonderzoek in Vlaanderen tot vandaag dezelfde welgemikte oneliners circuleren, dat er voor de significante verschillen tussen Gellner, Anderson en Hobsbawm opmerkelijk weinig aandacht bestaat en dat minstens zo belangrijke onderzoekers als Anthony Smith of Adrian Hastings stelselmatig worden genegeerd of weinig accuraat worden voorgesteld.

Wie denkt dat de discussies over nationalisme niet verder strekten dan een select groepje van academici en abonnees van het Nieuw Wereldtijdschrift, vergist zich. Algauw circuleerde een Disneyversie van de nieuwe inzichten in de kranten. In 1998 ondertekenden Morelli en Blommaert bijvoorbeeld samen met onder meer Stefan Hertmans, Tom Lanoye en Geert van Istendael een pamflet waarin nationalisme synoniem werd verklaard met "pure dwaasheid" en volstrekt onverenigbaar met "de universele taal" van ware kunstenaars en intellectuelen die "vanuit hun bezigheden kosmopolitisch ingesteld" zijn.

Bracke vs. Van den Brande
Wie in die tijd zijn mentale horizon liet bepalen door Humo en Studio Brussel kreeg vergelijkbare overtuigingen ingeprent. Het tekent de sfeer dat Marc Reynebeau bij de opening van het Vlaamse Parlement in 1995 in primetime kon uitleggen dat de Vlaamse identiteit niet bestaat maar een discursief middeltje is ter legitimering van meer politieke autonomie. Het was Siegfried Bracke die, in tempore non suspecto, de kwestie voorlegde aan Luc Van den Brande: "Even over die Vlaamse identiteit, meneer de minister-president, u heeft het gehoord van Marc Reynebeau: ze bestaat niet. Bestaat ze wel volgens u?"

Van den Brande wrong zich vervolgens in alle mogelijke en vooral onmogelijke bochten om iets van zijn identiteitsconcept te redden, maar zijn hopeloos achterhaalde, aan Conscience herinnerende denktrant - "Ik denk dat er een Vlaamse eigenheid bestaat en dat die te maken heeft met de taal die we spreken, waar we wonen, onze geschiedenis die ons hier aan het water gebracht heeft" - kon uiteraard alleen maar de aanleiding vormen voor meer gemeesmuil. Voor de kenners was het natieprobleem hiermee letterlijk opgelost: het bestond niet. Et voilà, on tourne la page.

Maar wat een intellectuele bovenlaag op de volgende bladzijden neerschreef, kan ironisch genoeg nog het best gedefinieerd worden als een averechts nationalisme. Haar leer verbeeldt de Vlaamse natie als een bonte mix van marginalen en fermettebewoners wier achterlijkheid blijkt uit een schier onuitputtelijke ontvankelijkheid voor kneuterigheid en racisme en voorts uit een onvermogen om de moderniteit onvervaard tegemoet te treden. Het is bovendien al net zo "etnisch" als het gedachtegoed van Van den Brande, want het blijkt te draaien om allerlei aangeboren en door de geschiedenis voortgebrachte eigenschappen, geen verdienstelijke karaktertrekken uiteraard, maar kneuterige en kleingeestige.

De retorische middeltjes die het averechtse nationalisme benut, ruiken zelfs naar perfide romantiek. Zo wordt de achterlijke Vlaamse volksaard geprojecteerd tot diep in de 19de eeuw. Toen werd de Vlaming weggeleid van het (ver)lichtende pad van de moderniteit. En de man die de Vlaming de verkeerde weg op stuurde, de oervader van die arme Vlaming, kennen we intussen: Hendrik Conscience.

Het is betreurenswaardig dat zo weinig intellectuelen en kunstenaars dit soort karikaturen vandaag saai en weinig verhelderend durven te vinden. Niet de minst gevierde schrijvers zijn zo verkleefd aan de clichés van het provinciale Vlaanderen dat wat ze produceren bij wijlen verdacht sterk lijkt op een literair equivalent van Man bijt hond. Hun ambitie strekt niet verder dan de hoop dat Bart De Wever hen ooit ontaard zal noemen. Voor weer andere progressieve spraakmakers zal dan meteen voor eens en voor altijd zijn bewezen dat Vlaanderens nieuwste leider ons terug wil voeren naar de jaren 1930 - Hitler! Auschwitz! Kortom, de intellectuele meningen waarmee "Arm Vlaanderen" moet worden verrijkt, stijgen nauwelijks uit boven de verzen waarmee de progressief rockende charmezanger Daan zich vorig jaar tot de natie richtte: "Goeiemorgen imbecielen, een fiets heeft toch twee wielen".

Wie zich blijft afvragen waarom De Wever met zo veel succes calimero kan blijven spelen, kan onder die 'landmijn' van een song alvast de aanzet tot een antwoord vinden: Daan vergelijkt "koetervlaamse boeren" met "de bruine zeep op onze vloer" en beschrijft De Wever als een "pathetische pedante ambulante ambetante loser" met een "kutgevoel voor humor". Wat Daan na de onsterfelijke openingsverzen van 'Landmijn'zingt, klinkt dan toch gesofisticeerder: "Geen België zonder het verdriet".

Claus, de antinationalist?
Dit vers van Daan is een mooi voorbeeld van de graagte waarmee de culturele wereld zich beroept op de indrukwekkende nalatenschap van Hugo Claus. Is hij immers niet de antinationalist bij uitstek? Herkennen wij in hem niet de wereldburger die de moed had om identiteitsloos door het leven te gaan, zoals vandaag alleen zijn grote bewonderaar Guy Verhofstadt het hem heeft nagedaan?

Dat Claus van rechtse flaminganten, tenzij als jonge knaap, bitter weinig heil heeft verwacht, is evident. Hendrik Conscience pakte hij vijftig jaar geleden al stevig aan, toen dat wél nog van een blasfemische heilzaamheid was. En voor het toneelstuk Tand om tand (1970) bewerkte hij de Uilenspiegellegende tot een grotesk-dystopisch visioen van een Vlaanderen dat zich heeft losgescheurd van België - nog altijd vermakelijke en relevante literatuur.

Dat neemt allemaal niet weg dat Claus naar hedendaagse normen een verrassend genuanceerde kijk had op het zo gecontesteerde begrip "culturele identiteit". Het verlangen naar zo'n identiteit, de wens om te behoren tot een gemeenschap, vond de auteur "rechtmatig" en "per definitie niet iets om je over te schamen". Dat gold voor hem bij uitstek voor de Vlaming. Diens verlangen naar een eigen entiteit noemde hij "niet eens zo'n onedele drift". (Over zijn officiële, Belgische nationaliteit was hij een stuk cassanter: die was volgens Claus pas echt een ridicule fictie.)

Het lijdt geen twijfel dat Claus in zijn interessantste werken demonstreerde hoe een rechtmatig identiteitsverlangen compleet kan ontsporen in stekeblind idealisme en infantiliteit. Het chique is dat de auteur zich niet distantieerde van deze kwalen, maar analyseert hoe ze hem hebben gevormd. Zeker in het weldra dertigjarige meesterwerk Het verdriet van België putte hij schaamteloos uit zijn eigen ondervinding om te laten zien hoe het Vlaams-nationalisme uit zijn jeugd steunde op een selectief geheugen en twijfelachtige vooronderstellingen. Hoe het haast was voorgeprogrammeerd om tot de afschuwelijkste uitwassen te leiden. Daar was behalve intelligentie en artistiek vernuft ook moed voor nodig, zelfs al kon Claus zich gelet op zijn status in de jaren 1980 wel het een en ander veroorloven.

Als dan toch bewezen moet worden dat het huidige Vlaams-nationalisme kortzichtig en bekrompen is, dan kan als beste bewijs gelden dat het in Hugo Claus alleen maar een "nestbevuiler" kan herkennen. Dat is niet minder bekrompen en dwaas dan de manier waarop would-be beeldenstormers tegenwoordig uithalen naar die andere literaire reus, H.C.

Arm Vlaanderen!


Lees hier deel II: Een Vlaamse vloek in de linkse kerk - De Vloek van Arm Vlaanderen


 
Claus had een verrassend genuanceerde kijk op het begrip culturele identiteit. Het verlangen van de Vlaming naar een eigen identiteit noemde hij 'niet eens zo'n onedele drift'
Beeld UNKNOWN
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234