Vrijdag 07/05/2021

Een tweeling op de breuklijn

Na een gelijke start omstreeks 1989 zijn de landen van Midden- en Oost-Europa begonnen met een erg ongelijke race. De meest westelijke boekten het snelst succes bij de hervormingen: Polen, Hongarije en Tsjechië zullen gauw lid worden van de Europese Unie en de NAVO. Verderop liggen de verslagen achterblijvers: Wit-Rusland, Oekraïne, Rusland, Roemenië. Michel Maas en Marcel Molle schetsen het leven in twee steden aan weerszijden van de grens tussen arm en nieuw rijk: Grodno in Wit-Rusland en Bialystok in Polen. Tien jaar geleden waren ze nog niet van elkaar te onderscheiden, vandaag zijn het tegenpolen.

Michel Maas / Foto's Marcel Molle

Achter Lenins rug rijst een wand vol ramen op. Vensters in het gelid, die doods, streng en somber voor zich uitstaren zonder iets te zien - lijkt het - alleen de rug van Lenin. Passanten letten er niet op, die lopen haastig verder door de druilsneeuw en de wind. Maar Domasj Semjon voelt zich bekeken. Hij voelt de ogen en oren van Grodno achter die hoge vensters gluren, en vraagt of we niet te lang en niet te opvallend op het stadhuisplein willen verblijven. "Iedereen kent me hier", zegt hij en hij knikt naar boven.

Niet zo lang geleden zetelde Semjon zelf achter die hoge ramen. Het waren zijn ramen. Hij heerste daarboven over het gebouw, over het plein, over de stad, en later zelfs over heel de provincie Grodno. Semjon was burgemeester en daarna (in het andere grote gebouw, aan Lenins rechterhand) gouverneur van de provincie. Vorig jaar werd hij tot iets nog hogers geroepen: hij werd lid van het presidium van het parlement van het nog jonge onafhankelijke Wit-Rusland. En nu is Semjon niks meer. Hij is een paria, sinds president Aleksandr Loekasjenko een jaar geleden het gekozen parlement ontbond en verving door een marionettenparlement. Niemand durft hem sindsdien meer werk te geven. Semjon is niet bang. Maar Semjon voelt zich wel bekeken.

Het is makkelijk om je in Grodno bekeken te voelen. Hele zwermen agenten bevolken de stad. Soms wordt per trein een nieuwe troep aangevoerd, vermoedelijk uit Minsk, waar naar verluidt nog veel meer agenten de straat beheersen. Maar ook in Grodno staan agenten op straathoeken, je ziet hoe ze pasfoto's vergelijken met gezichten van passanten. Ze lummelen in de Spotline-disco, machinepistool in de hand, ze roken sigaretten in verduisterde auto's. Gewone agenten, agenten van de douane, van het leger, van een arrestatieteam of van een van de vele speciale milities die de afgelopen jaren door Loekasjenko zijn opgericht: mannen in groene uniformen, witte uniformen, blauwe uniformen, zwarte uniformen, battledress, commando-overalls. En natuurlijk ook de agenten zonder uniform - die hier nog altijd KGB'ers heten, en die 's avonds na de verhoren bier drinken in restaurant Belostok.

Belostok is Wit-Russisch voor Bialystok, de naam van de Poolse tweelingzusterstad pal aan de overkant van de grens. Voor de oorlog lagen Bialystok en Grodno allebei in Polen, waren ze allebei voor zestig tot zeventig procent joods, en bestond de bevolking verder uit een mengelmoes van Duitsers, Litouwers, Tataren, Polen en Wit-Russen: afspiegeling van een geschiedenis waarin grenzen voortdurend verschoven en de steden beurtelings - soms samen, soms apart - in Polen, Litouwen, Wit-Rusland, Rusland of Duitsland kwamen te liggen. Dezelfde pogonja, de ridder te paard, siert het oude wapen van Wit-Rusland, het stadswapen van Bialystok en het wapen van Litouwen.

Na de oorlog waren er geen joden meer in Grodno en Bialystok. Bialystok was Pools en vulde de lege huizen met Polen, Grodno werd Russisch en werd bevolkt met Wit-Russen, Russen, Litouwers, Oekraïeners, Oezbeken, Mongolen en al die andere mensen die Jozef Stalin wilde samensmelten tot de homo sovieticus. Beide steden veranderden daardoor, maar niet te veel. Het bleven tweelingzusters. Zelfs tien jaar geleden leken ze nog veel op elkaar: het achterlijke Bialystok, de meest oostelijke stad van Polen, waar je een dag in de rij kon staan voor een paar schoenen of bananen, en Grodno, de meest Poolse stad van de Sovjet-Unie, waar het leven al niet veel anders was.

Nu zijn ze nog altijd even groot - allebei tellen ze ongeveer 300.000 inwoners - maar dat is de enige overeenkomst tussen de twee. Als ze nog steeds in hetzelfde land gelegen hadden - zeggen de mensen in Grodno - dan zouden Grodno en Bialystok nu nog steeds niet van elkaar te onderscheiden zijn geweest.

Maar de afgelopen paar jaar hebben tussen Grodno en Bialystok een kloof geslagen die dieper is dan de sleuf die de hele rest van de geschiedenis had weten te graven.

De Lipowa (Lindenlaan) in Bialystok wordt binnenkort autovrij. De winkelstraat bloeit - hier kun je de rijkere Wit-Russen treffen. De Polen zelf gaan liever naar Warschau, drie uur rijden hiervandaan, voor iets moois. Maar van de overkant van de grens bekeken is zelfs deze Poolse versie van Eindhoven al het paradijs.

Wat valt er te vertellen over een stad als Eindhoven, als je net in Grodno bent geweest?

Op zondag stromen de kerken vol tot er niemand meer bij kan, en dat niet een keer, maar twee of drie keer achter elkaar, ook al heeft elk van die kerken de afmetingen van een kathedraal. Op straten zonder gaten rijden nieuwe Polski Fiats of staan soms zelfs in kleine files voor stoplichten die echt werken. Een ordelijker, vreedzamer, schoner en braver oord dan Bialystok op zondag zal moeilijk te vinden zijn.

De eerste politieagent in Bialystok vertoont zich pas na ruim een halve dag, in de verte. Normaal is dat niet iets waar een mens op let, maar na een paar dagen Grodno en twee intimiderende arrestaties gaat iedereen zich een beetje bekeken voelen - en dan gaat het onwillekeurig opvallen als er eindelijk eens niet gekeken wordt.

Wat je in Bialystok ervaart, dat is "het Poolse wonder", zegt een jonge Poolse trots. Maar volgens Domasj Semjon is het eerder omgekeerd: wat je voelt is de Wit-Russische nachtmerrie. De nachtmerrie die Loekasjenko heet en die zijn land bestuurt zoals hij in vroeger jaren een collectieve kippenboerderij bestuurde: per decreet. Elke week vaardigt hij nieuwe uit, zoals het 'decreet op de arbeidsdiscipline', dat zware straffen zet op drinken op het werk - precies als in Stalins dagen. Of de 'wet op de staatsveiligheid' en al die andere wetten die van Wit-Rusland een totalitaire politiestaat dreigen te maken. Loekasjenko benoemt en ontslaat burgemeesters, rechters, directeuren en hogere ambtenaren. Zijn alomtegenwoordige politie intimideert tegenstanders, en houdt ze in de gaten. Ook vanachter de ramen aan het stadhuisplein, waar demonstreren volgens de nieuwe 'wet op bijeenkomsten en demonstraties' verboden is.

Semjon kan worden opgepakt als eenmansdemonstratie. Hij heeft immers als een van de eersten Charta '97 ondertekend, een landelijke petitie tegen Loekasjenko en zijn dreigende politiestaat. Er zijn pas 5200 handtekeningen binnen. Dat moeten er een miljoen worden - een tiende van de bevolking - hoopt Semjon. En dan zal Loekasjenko inzien dat zijn politiek tot niets leidt. "Wit-Rusland zal een democratische staat worden", zegt hij. Vraag is alleen nog: wanneer. En hoe hij de tussenliggende tijd doorkomt, zonder geld en zonder werk. "Misschien zal ik toch gedwongen worden te emigreren." Waarheen? "Naar Polen."

We wandelen met een groepje studenten door het centrum, langs stakerige parkjes en plantsoenen en geloven ze op hun woord. "Het is onze stad. Het is de plaats waar we geboren zijn", zegt Elena, en er bestaat geen spoor van twijfel dat ze het meent als ze zegt dat dit Grodno de mooiste en schoonste stad van Wit-Rusland is. Door de moddersneeuw slissen auto's voorbij van merken die alleen in de voormalige Sovjet-Unie hebben bestaan. Ze hebben dezelfde kleur als alles hier: varianten van grijs tot grauw. Maar de studenten staan stil bij een paar kale winterbomen en verheugen zich bij het vooruitzicht van groene bladeren. Zij zien een stad van kleurige houten huizen, paleizen uit de tsarentijd en uit vooroorlogs Polen - waar bezoekers vooral Lenin zien, en kantoorkolossen uit later tijd.

Zij hebben lol terwijl er in Grodno niets te beleven valt. Cafés bestaan niet - gedronken wordt er slechts in restaurants als Belostok, waar je ook kunt dansen als je boven de vijfendertig bent en nog altijd vrijgezel. En de paar discotheken die er - natuurlijk - toch zijn, zijn te duur voor een student.

De nieuwste en grootste, Stopline, is op een doordeweekse avond halfleeg. Jongens dansen er voor de gezelligheid met jongens, en twee blootgeklede meisjes achter een hekje doen voor hoe het moet. Stopline wordt bewaakt door drie bejaarde dochters van Stalin die spugen en onverstaanbare verwensingen sissen bij het zien van twee 'fascisten' uit het westen, en als die ook nog een foto maken, rusten de hellevegen niet voordat de politie de spionnen heeft meegenomen naar het bureau (agenten zijn er in de discotheek genoeg, met en zonder machinepistolen, zoals overal in Grodno, en ze doen niets liever dan je meenemen naar het bureau).

"Je kunt het ze niet kwalijk nemen. Het zijn oude mensen en ze zijn bang alles te verliezen waarvoor ze ooit geleefd hebben. Ze schreeuwen altijd. Ze hebben een moeilijk leven. Ze zijn alles kwijt. Ze kunnen er niets aan doen dat ze zo zijn." Iedereen zegt het, en iedereen zegt het voortdurend, zelfs de studenten. Ieder een heeft zelf wel een oma die zo is: feeksen die geen feeksen zijn maar oude, arme, weerloze mensen die bang zijn voor verandering.

"Je kunt het ze niet kwalijk nemen." Wit-Russen lopen over van begrip. En ze zijn zelf de eersten om te erkennen dat dat zo is, en dat ze nu eenmaal een zachtaardig volk zijn. In hun land hoef je niet op een revolutie te wachten. "We willen niet dat er doden vallen."

Ook de studenten ondergaan het lot gelaten: "Loekasjenko zal nog vijf jaar president blijven. In die tijd zal het hier niet beter worden." In het beste geval kunnen ze naar Polen, om daar in Krakau of Warschau te studeren. Wie kan aantonen dat hij Poolse (voor)ouders heeft - wat in Grodno voor de meesten niet zo moeilijk is - komt in aanmerking voor een beurs van honderd dollar per maand, twee Wit-Russische maandsalarissen. Aleksandr (19): "Ik weet dat het egoïstisch is, maar ik ga toch maar naar Warschau."

Aan de andere kant van de grens, in het voormalige hoofdkantoor van de communistische partij in Bialystok, heerst dezer dagen een lichte vorm van opwinding. Er zijn verkiezingen voor het 'studentenzelfbestuur' van de faculteit Letteren - die na het verdwijnen van de communisten in hun hoofdkwartier is ondergebracht. Leden van het zittende zelfbestuur en de sympathiserende docent Latijn (tevens handelaar in Herbalife-producten) lopen druk af en aan om de stemming te peilen. Alleen Magda Rozskowska blijft rustig. Zij weet zeker dat ze herkozen wordt, want ze kent veel mensen en hoort hoe er over haar wordt gedacht. Ze is ook lid van het studentenparlement en heeft daarom spreekverbod. "Ik mag niet met massamedia praten", zegt ze. "Althans niet over de rector." Waarna ze alles vertelt over de rector, Adam Jamroz, die een communist is en een vriend van de vorige premier Csimoszewicz, ook een communist die hier in de buurt van Bialystok een huis heeft. Csimoszewicz heeft Jamroz nog net voordat hij de verkiezingen verloor aan dat baantje geholpen. Magda hoopt dat de universiteitssenaat in mei de moed zal hebben hem af te zetten. "Jamroz is een echte apparatsjik. Niemand mag hem."

Ze vertelt hoe de rector veertig procent heeft opgeëist van het geld dat het studentenzelfbestuur met T-shirtverkoop en discoavonden verdient. Hoe hij kapitalen heeft uitgegeven aan de inrichting van zijn eigen kantoor, terwijl hij de studenten hier laat zitten met de meubels van de oude communisten - de communistische ster siert nog menige zaal in het gebouw.

"We wilden wel demonstreren", zegt Magda, "maar de rector kan je eruit schoppen, hé?" Vanachter een stapel flessen in het studentenkantoortje komt een spandoek tevoorschijn uit 1990, toen studenten nog wel de straat opgingen. Maar zo snel als het reliek wordt uitgepakt wordt het ook weer teruggeborgen, een gore walm van beschimmeld bier en vuile asbakken achterlatend.

"Het nieuwe studentenparlement gaat binnenkort met hem onderhandelen", troost Magda zich, en beent dan snel naar een college filologie.

In het oosten, in Grodno, droomt Elena van Amerika, waar ze net enkele maanden heeft mogen studeren. Daar zou ze willen leven. Het was er zo schoon, zo rustig. En nergens was politie. In Grodno wordt thuis de telefoon afgeluisterd, zijn overal ogen en oren en spreekt ze liever in een leeg klaslokaal dan in een volle hal. "Maak je aantekeningen? Die kunnen ze lezen."

Ze lezen alles. Ook de brieven die haar vriend haar schreef toen ze in Amerika was. De KGB had ze allemaal onderschept en hem toen opgepakt vanwege ongepaste grappen over Loekasjenko. "Verander je mijn naam alsjeblieft?", zegt Elena, die dus niet Elena heet.

Een visum voor Amerika zal ze nooit krijgen, vermoedt ze. Maar in Grodno blijven is niet zo heel erg, als je voorzichtig bent. Grodno blijft een mooie stad. Wat wel erg is, is dat ze volgend jaar zal worden uitgezonden om les te geven. Zoals alle studenten is ook Elena namelijk verplicht na haar afstuderen twee jaar les te geven op het platteland, en daar ziet ze vreselijk tegenop. "Dan ben ik drie- of vierentwintig", pruilt ze. "Net op een leeftijd dat je een man wilt gaan zoeken, trouwen en kinderen krijgen. En uitgerekend dan sturen ze je naar wie weet wat voor een ver en achterlijk dorp. Moet ik daar dan een man vinden? In een dorp?!"

De bus die voor de poort van de markt van Bialystok wacht is niet voor mensenvervoer. Voor mensen is geen plaats meer. Naast en achter de bestuurdersplaats wordt elke kubieke decimeter van de vloer tot aan het plafond zorgvuldig volgestouwd. Waarmee? Met wat dan ook. Alles wat te verkopen is: pannen, kleding, televisies... Buiten de bus staan rollen tapijt, dozen en een enorme zak vol pluchen beesten te wachten om als laatste ergens in een loze ruimte te worden gestouwd.

De beesten zijn Allan Selters handel. Met zijn reisgenoten komt hij uit Tartu, in Estland, amper zestien uur rijden hiervandaan. 'De professor' noemen ze Selter, omdat hij een bril draagt, engels spreekt en de organisator is van de pendelhandel tussen Tartu en Bialystok (vroeger organiseerde hij tweedehands auto's uit Nederland). Selter regelt de formaliteiten en loodst de nokvolle bus voorbij de Pools-Litouwse grens zonder dat alle balen, dozen en tassen hoeven te worden uitgepakt en ingeklaard. Hoe? "Je betaalt gewoon de commandant." Het leven is soms verbluffend eenvoudig. De markt van Bialystok is beroemd in het oosten. Russen, Wit-Russen, Oekraïeners en Balten komen erheen om spullen te verkopen, maar vooral om te kopen. Door de ondoorgrondelijke mechanismen van de vrije markt is alles hier in het westerse Polen goedkoper dan in het oosten dat voorbij de grens begint. Alles is even goedkoop.

Zelfs het publiek is goedkoop. "Ik haal de Russen er zo uit. Russische vrouwen herken je aan hun kleren, hun gezichten, hun tanden." Katarzyna Malinowska houdt niet van Russen en niet van deze markt. Ze geneert zich voor de rommel die hier wordt verkocht - Aziatische rommel, dezelfde als aan de overkant van de grens in Grodno in eenzelfde soort kraampjes op eenzelfde openluchtmarkt te koop wordt aangeboden.

Katarzyna geneert zich sowieso voor de kramen, want een markt als deze is toch de allerprimitiefste oervorm van vrij ondernemerschap. De drukke grenshandelspost met de voormalige Sovjet-Unie is "onze laatste verbinding tussen het nieuwe Polen en het oude systeem", smaalt de journaliste van de Gazeta Wyborcza.

De markt is peanuts. Bialystok heeft andere, grotere dingen aan zijn hoofd. Een oorlog van echte reuzen staat voor de deur: de grote supermarkten, die zich opmaken om een eind te maken aan de alleenheerschappij van de lokale Marco. Marco is de grootste en enige echte shoppingmall van Bialystok. Een supermarkt van wereldstadformaat in de omgebouwde fabriekshal waar ooit de Biazet-televisies werden gebouwd.

Bij Marco is het altijd druk, maar dat zal niet zo lang meer duren. Het Duitse Metro-concern heeft net voor drie miljoen dollar een groot terrein in de stad gekocht; de Nederlandse Makro (niet te verwarren met de Bialystokse Marco) heeft een terrein pal naast de plek waar het Franse Au Champs een hypermarché bouwt. En de Bialystokse bestuurders zijn toevallig deze week alweer naar een ondernemersbeurs vertrokken met nog eens 45 hectare van dezelfde eersteklaslocatie in hun portefeuille. "De gemeente ruikt geld, en geld is nodig om mooie dingen te kunnen doen voor de gemeenteraadsverkiezingen van volgend jaar", schampert Katarzyna's collega Tomasz. "Maar dat kan niemand wat schelen, alleen mijn krant maakt zich er druk over." Het nieuwe geld en de nieuwe moraal gaan in Bialystok voor alles.

Zoals in Bialystok, zo had het ook in Grodno moeten gaan. Achter een bouwval aan de lege brede Boedjonnistraat, in het hart van de stad, staat het half afgebouwde business centre van Grodno: een complex van drieëneenhalf gebouw dat het Poolse consulaat herbergt, een rijtje kantoren, een Poolse school en een goedkoop hotel voor overblijvende Polen.

Stanislav Boejnitski houdt zelf beneden kantoor - en 's avonds bewoont hij boven in trainingspak een stuk van het eenverdiepingshotel. Boejnitski is eigenaar van het hele complex en van het budgethotel: de restanten van het familieconcern Monolit.

Tien jaar geleden ging Stanislav met zijn broer in zaken. De hele familie - ouders, grootouders, en de broers zelf - legden alle spaargeld bij elkaar: 100.000 roebel (destijds zo'n 150.000 dollar waard, tegenwoordig nog geen drie). Met dat beginkapitaal, en zeer gestimuleerd door de door perestrojka verlichte sovjetoverheid, gingen zij full swing van start. Zij begonnen een bouwbedrijf. De onafzienbare nieuwbouwwijken rondom Grodno getuigen nog van die tijd, toen de stad een boomtown was en hun bedrijf flatwoningen tot twaalf verdiepingen hoog bouwde.

Monolit ging verder: het opende een fabriek voor bouwmaterialen, een textielfabriek, winkels. De Boejnitski's hadden zelfs een eigen bank, de Monolit-Bank, die een mooie winst maakte en wat belangrijker was: die de financiering voor de eigen onderdelen van de firma kon regelen. Op haar hoogtepunt had 'de firma' 580 mensen in dienst.

Maar al na een paar jaar, nog voor de afscheiding en de verkiezingen van 1994, begonnen de Wit-Russische politici zich af te zetten tegen de nieuwe rijken. Zij begonnen de nieuwe kapitalisten af te schilderen als vijanden van het volk, uitzuigers en profiteurs. "Men was jaloers op de nieuwe rijken. En de puur communistische propaganda werkte", zegt Boejnitski. En na het aantreden van Aleksandr Loekasjenko als president - de kampioen van de 'terug-naar-het-communisme'-retoriek werd het leven snel onbehaaglijk. Centimeter voor centimeter werd het terrein van het particuliere zakenleven weer teruggehaald in de vertrouwde staatshanden. De regels voor zaken doen werden steeds ingewikkelder en de belastingen steeds hoger, en het een na het andere bedrijf begon aan ademnood te lijden.

Ook Monolit kalfde na 1994 snel af. De textielfabriek was nog niet open of zij moest alweer dicht, omdat het de kolchozen werd verboden materiaal te leveren. De fabriek voor bouwmaterialen moest sluiten toen de pacht voor de grond waarop die stond van de ene op de andere dag - per decreet - werd vertweehonderdtachtigvoudigd. De Monolit-Bank moest sluiten.

Het bouwbedrijf bouwt nog, mondjesmaat - geen flats meer, alleen kleine objecten. En verder bestaat Monolit nog uit dit half afgebouwde business-complex. Afgelopen september zijn de belastingen voor het complex opnieuw drie keer verhoogd, met terugwerkende kracht tot januari. Maar Boejnitski laat zich niet verjagen. "Zelfs president Loekasjenko zal moeten begrijpen dat zijn land - waar het slechter gaat dan ooit - zonder hervormingen niet verder komt."

In de tussentijd zal Boejnitski zijn geld even niet in Wit-Rusland beleggen. Waar dan? Hij wil het niet zeggen. "Formeel is het voor Wit-Russen verboden een bankrekening in het buitenland te hebben", zegt hij. "Maar tussen hier en Rusland loopt bijvoorbeeld geen grens." Vanuit Grodno bekeken is zelfs Rusland al een paradijs van vrij ondernemerschap.

Bialystoks rode kathedraal stroomt om halfacht 's avonds voor de zoveelste keer deze zondag helemaal vol. Het is de laatste mis, en misschien daarom zo populair bij studenten. De muziek en de toon van de mis zijn aan het publiek aangepast, zegt Katarzyna (net afgestudeerd milieukundige, nu journalist). "Het is er gezelliger." Zitplaatsen zijn allang weg, staanplaatsen worden schaars. Iedereen begroet iedereen binnen reikwijdte, iedereen kent iedereen. De trappen voor de kathedraal zijn op zondagavond de drukste ontmoetingsplaats in Bialystok.

Voor 1989 was de kerk, deze kerk, elke kerk in Polen, de plaats waar het verzet bloeide. Een vrijplaats waar zelfs het leger van generaal Jaruzelski zijn macht verloor. Katarzyna: "Naar de kerk gaan was een vorm van protest. In de kerk hadden we heel sterk het gevoel dat we samen waren. We voelden ons vrije Polen. In de kerk waren we onaantastbaar." Het kerkgevoel was sterk genoeg om de Polen na 1989 ook door de diepe economische malaise te slepen. Alleen de herinnering daaraan is voor de meesten genoeg om nog steeds te komen. "Hier voelen we ons Pools met de Polen." Achter de kerkdeuren ligt een deel van de Poolse ziel.

Ook Grodno heeft kerken, zelfs een oude houten Duitse kerk die de ingezetenen nog altijd Kirche noemen. Maar de Wit-Russische ziel zul je daar niet aantreffen. De orthodoxe kerk is Russisch, de katholieke Pools. Wit-Russisch is, volgens Aleksandr Milinkevitsj, dat het land op de grens ligt tussen die twee kerken: tussen katholiek en orthodox, "tussen Europa en Azië". Maar daaraan ontleen je geen identiteit.

Een beetje weg van de straat, in een klein perkje, staat de gebeeldhouwde kop van Janka Koepala. In de straat die in de Tweede Wereldoorlog Adolf Hitlerstraat heette, zegt Andrej grijnzend. Andrej is een cynicus die graag een beetje mag provoceren - hij draagt duidelijk zichtbaar een speldje van het Jongerenfront, de dissidente tegenhanger van president Loekasjenko's Unie van Wit-Russische Patriottische Jeugd, in de wandelgangen spottend Loekomol genoemd, naar de voormalige sovjetjeugdorganisatie Komsomol.

Andrejs Jongerenfront is anti-sovjet en pro-Wit-Russisch, en daarom kleeft er aan zijn speldje een clandestiene lucht die maakt dat andere studenten beginnen te giechelen als ze het zien. Andrej is het type mens dat zich thuis voelt in het clandestiene: hij is iemand die altijd weet waar je spullen kunt kopen die nergens te krijgen zijn, of waar je ongezien geld kunt wisselen. Hij is ook het type dat weet dat deze straat de Adolf Hitlerstraat was en dat Janka Koepala, naar wie de universiteit is genoemd, de belangrijkste dichter van zijn land was, "de Poesjkin van Wit-Rusland". Dat laatste speelt niet echt een rol meer sinds de president de onafhankelijkheid liefst weer ongedaan wil maken en wil terugkeren in een nieuw sovjetblok.

In Wit-Rusland zelf beschouwt nog maar tien procent van de bevolking zich echt als Wit-Rus - en die tien procent wordt door Loekasjenko ("Ik ben een Wit-Rus, maar een Russische Wit-Rus") met argusogen bekeken.

De meeste mensen in Wit-Rusland doen er niks meer aan, vinden alles best, zijn gewend geraakt aan het Russisch of zijn zelf een aanslibsel van de permanente verhuispolitiek van Stalin - die de volkeren van Rusland door elkaar had willen klutsen tot één homo sovieticus.

De homo sovieticus Aleksandr Loekasjenko heeft een einde gemaakt aan de kortstondige Wit-Russische opleving in zijn land. Hij schafte het historische wapen met de pogonja (de Litouwse ridder) af en verving het door het rode wapen uit de sovjettijd. Hij waardeerde het Russisch weer op tot staatstaal nummer één, en draaide het net opgebloeide onderwijs in het Wit-Russisch successievelijk de nek om. In Grodno werd vier jaar geleden nog op 28 van de 32 scholen lesgegeven in het Wit-Russisch, nu nog maar op één.

De taal van Janka Koepala gaat vertrouwd ondergronds - waar ze het grootste deel van de lange geschiedenis toch al heeft vertoefd. Wit-Russen moeten ver teruggaan om uitbundige hoogte punten van eigen cultuur te vinden: "Wit-Rusland was het tweede land dat de bijbel in de landstaal vertaalde, na Tsjechië", beweert Aleksandr Milinkevitsj. Hij doceert natuurkunde (in het Wit-Russisch) en is directeur van Ratoesja, een organisatie die zich met internationaal geld beijvert voor de mensenrechten.

Op woensdag dromt in het kantoor van Ratoesja een groepje heren samen: de vereniging tot instandhouding van de Wit-Russische cultuur. Zij beheren een tragisch goed. Het mag een wonder heten dat het überhaupt nog bestaat. Het mag sowieso een wonder heten dat dit land bestaat, een land dat eigenlijk nooit een land is geweest. Het hoorde bij het Litouwse rijk toen dat zich uitstrekte van de Baltische tot de Zwarte Zee; het viel onder Polen toen dat groot was; het werd ingelijfd bij Rusland; het werd opgedeeld tussen die twee. En beurtelings door de Polen en de Russen werd het Wit-Russisch als officiële taal verboden, en ging het ondergronds. Het overleefde vooral in de dorpen, en veranderde daardoor van de melodieuze dichterstaal - geschikt voor vertaling van de bijbel - in een boerentaal. "Alleen in de jaren twintig", zegt Milinkevitsj met een twinkeling in zijn ogen, "was er een Wit-Russische beweging onder de intelligentsia van Minsk. Maar die opleving duurde niet lang. In 1926 waren deze Wit-Russen - ingenieurs, hoogleraren, advocaten, schrijvers - de eersten die door Stalin naar Siberië werden gestuurd. In Wit-Rusland is de goelag begonnen!" Op deze droevige ondergrond was de opleving van de taal en de onafhankelijkheid in 1991 een regelrechte revolutie. Bijna uit het niets was Janka Koepala overal terug, van Grodno tot Minsk. Er bloeide zelfs zoiets op als een nationaal bewustzijn, een historisch bewustzijn. Een gevoel als op zondag in een Poolse kerk, misschien.

Zelfs bij de jonge Elena groeide iets dergelijks. Ze is Russisch opgevoed en spreekt amper Wit-Russisch. 's Avonds kijkt ze naar de Russische televisie, of naar de Poolse.

"En dan zie ik het verschil", zegt ze zacht. Ze ziet hoe prachtig Polen wordt. Ze ziet hoe zelfs Rusland tegenwoordig een vrijer, opener en moderner land is dan het hare - althans op de televisie. En desondanks wil ze geen Russische meer worden. Ze is in zes jaar van haar nieuwe kleine tien-miljoen-mensenland gaan houden. Een land waarvan nooit iemand weet waar het ligt, waarna ze met gepaste bescheidenheid altijd vertelt dat het "vlak bij Polen" is. Dat kennen ze wel. Ze houdt zich ferm: "Het verschil met Polen is groot, maar we kunnen er wel mee leven."'Ik weet dat het egoïstisch is, maar ik ga toch maar naar Warschau'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234