Maandag 25/01/2021

Een talent voor zelfverachting

Een ontdekking, zeg maar een trouvaille van formaat: de Franse cultauteur Pierre Michon. Zijn boek Roemloze levens is tegelijkertijd een bijna extatisch koraal van woorden als een bijzonder originele schrijversautobiografie. Pakweg 220 pagina's schoonheid in wiegende, naar het volmaakte hengelende zinnen.

Pierre Michon

Roemloze levens

Uit het Frans vertaald door Rokus Hofstede Van Oorschot, Amsterdam, 234 p., 998 frank.

Nog eens compleet overweldigd te worden door een boek? Toegegeven, het kwam enigszins onverwacht. Misschien omdat het niet verstandig is zoveel te lezen, gedreven door het lichtzinnig verlangen naar een ontdekking, naar een trouvaille van formaat. Als een moderne Vasco da Gama laat je je daarom wel eens meedrijven op de golfslag van literaire modes of erger nog, verzuip je jezelf in een oceaan van papier. Het "vreemde vermaak dat lezen heet" haalt meestal zijn neus op voor zoveel zelotenijver. Hoeveel verklaarde meesterwerken je ook verstouwt, een boek met een schrijnend gevoel van onvolkomenheid dichtklappen komt vaker voor dan de sensatie van een echte ontdekking. Daarvoor moet je je geduldig voegen naar de lokroep van de onvoorspelbaarheid.

Zo verzeilde ik, toen ik er het minst op bedacht was, in het vaarwater van de Franse auteur Pierre Michon (°1945). Na lezing van zijn Roemloze levens (in de niet genoeg te prijzen, ronduit bedwelmende vertaling van Rokus Hofstede) vroeg ik me hoofdschuddend af waarom ik me dit boek zo lang had ontzegd.

Sommigen weten allang beter. Sinds zijn in 1984 bij Gallimard verschenen debuutroman gaat Michon in Frankrijk prat op de meer dan verdiende status van cultauteur. Het is voor hem geen reden om zijn zelfverkozen anonimiteit op te geven. Ver van alle literaire epicentra voegt hij zich naar het ritme van doodsaaie provinciestadjes of duikt hij onder in het landschap van zijn geboortegebied La Creuse en de Puy des Trois-Cornes, in het Centraal Massief. Het is een schrale landstreek die je op een plattegrond makkelijk over het hoofd ziet, net als het qua omvang bescheiden oeuvre van de auteur zelf. Voor Michon is ze echter het alfa en omega van zijn schrijverschap, waarin zijn geboortedorp Les Cards evenveel betekent als Combray-Illiers voor Marcel Proust, Epineuil-Fleuriel voor Alain-Fournier of Manosque voor Jean Giono.

Michon schrijft bij de gratie van het geduld, overgeleverd aan het tergende wachten op inspiratie, een oefening die hem meermaals tot de rand van de waanzin heeft gedreven: "Ook ik had kennis en letters tot mythische proporties opgeblazen, tot categorieën waar ik zelf geen toegang toe had: ik was de eenzame analfabeet aan de voet van een Olympus waar alle anderen, Grote Schrijvers en Lastige Lezers, spelenderwijs niet te evenaren bladzijden lazen en smeedden; en de goddelijke taal was ontoegankelijk voor mijn koeterwaals." (Roemloze levens)

Daarbij schaaft Michon met een haast ziekelijke drang naar perfectie aan de melodie van elke zin, aan de toonladder van elke alinea en aan een zinnenpracht die de lezer behaagziek kan toeschijnen. Uiteindelijk vormen die zinnen het onderpand voor alle doorstane schrijfleed. Want Michon schrijft op leven en dood, soms zwalkend en soms beroesd, met inzet van alle toegelaten en verboden middelen (waaronder uiteraard alcohol, maar ook barbituraten en zelfs amfetamines). Zo werkte hij ruim vijftien jaar aan Roemloze levens, waarin hij een achttal onbeduidende, eeltige zielen uit Les Cards en omstreken magistraal met woorden optut en op een nagenoeg mythisch plan tilt. "Michon pakt de mooie, edele en welluidende Franse taal zonder pardon bij haar haren, en legt haar, boek na boek, neer op een krakend en piepend bed, zo'n bed dat helemaal uit ijzeren springveren bestaat," zegt collega-auteur Christian Bobin daarover vol bewondering.

Ondanks de bijval voor Roemloze levens staat het label 'cultauteur' voor Michon kennelijk garant voor 'moeilijk verkoopbaar'. In een interview met het tijdschrift Lire uit december 1998 heeft Michon het schamper over zijn hooggespannen ambities bij het verschijnen van Vies minuscules: "Ik ging ervan uit dat alle machines zouden ophouden te draaien, dat de hele wereld zou zeggen: 'Die man daar, die moeten we op slag een fortuin aanbieden', een grote som geld waarmee ik me een paleis kon verschaffen. Ik verwachtte van het boek zijn gewicht in goud. Ik heb me vergist. (...) Ik dacht dat literatuur een van de laatste hiërarchische bolwerken was, waar iets van waarde naar waarde wordt geschat. Welnu, algauw bleek wat ik waard was: ik ben bijna even arm als toen ik begon te schrijven."

Is Roemloze levens in de eerste plaats een bijna extatisch koraal van woorden, het is tegelijk een vol zelfverachting gecomponeerd verslag van Michons worsteling met het witte blad en meteen een merkwaardige en hoogst originele schrijversautobiografie. Roemloze levens heeft alles in zich om verkeerd begrepen te worden. Véél meer dan een exploratie van de uithoeken en finesses van de Franse taal, is het ook een boek van een vaardig bedrieger, zoals wel meer grote literatuur de lezer in het ootje wil nemen. Aanvankelijk kan men zelfs veronderstellen in een heimatroman te zijn beland of vermoeden dat hier een nostalgicus met onfrisse bedoelingen aan het werk is.

Met welk doel haalt Michon de onbeduidende, maar vaak tragische levens uit zijn vroege jeugd uit de vergetelheid? Waarom worden net deze ongeletterde boeren, de zwerver André Dufourneau, de weggelopen zoon Antoine Peluchet, de tweelingbroers Bakroot, de aan lagerwal geraakte pastoor Bandy, de zwijgzame, aan keelkanker lijdende Foucault en Michons grootouders Elise en Félix tot iconen omgesmeed? Wat beweegt Michon om nét hen in zijn sjabloon van heiligenlevens te persen? Waarom al dat pathos ook, die Grote Woorden (met hoofdletters), die bijna religieuze toonzetting (weliswaar af en toe sterk geïroniseerd)?

Omdat Michon op de rug van deze dode zielen zijn schrijverschap wil enten en boekstaven. Door het kleine naar het grote, door het banale naar het verhevene, dát lijkt de verborgen agenda van deze portrettengalerij.

Roemloze levens is dan ook een ambitieus boek. Dat blijkt al uit het eerste portret waarin Michon het onzekere lot van het weeskind André Dufourneau reconstrueert; de naïeve Dufourneau, die in Afrika zijn heil zocht. Diens ambitie wordt samengebracht tot dat ene, als de kralen van een paternoster herhaalde zinnetje: "Ginder word ik rijk of sterf ik." En vervolgens is er het vertrek van Antoine Peluchet, de zoon die na een ruzie zijn vaderlijk gezag ontloopt en van wie nooit meer iets vernomen wordt, al willen de dorpsgeruchten dat hij in 'Amerika' verblijft. Michon grift de situatie met dwingende kracht op het netvlies, waarbij steeds ook het landschap van Les Cards iets aan de dramatiek bijdraagt.

Meestal heeft hij aan een paar simpele details genoeg om het lot van deze kleine luiden bij elkaar te fabuleren. "Hij zoekt dat éne beeld, niet de oeverloze anekdotiek van de babbelzieke 'rasverteller', nee dat ene begrip dat hem tot sleutel kan dienen, hem toegang verschaft tot het onvoorziene," zo typeert de Nederlandse auteur P.F. Thomése in een uitstekend Michon-nummer van De Revisor diens werkwijze.

Soms is de solidariteit met de luttele levens totaal, zonder een greintje valse emotie. Het is onthutsend te lezen hoe hij zich geregeld met hun dilemma's en hun keuzes identificeert, wat meermaals tot briljante parallellen met zijn eigen literaire dadendrang leidt. Of hoe hij de gissingen over de voorgoed afwezige Peluchet, van wie hij later op zolder drie relieken vindt (zijnde Abbé Prevosts Manon Lescaut, een regel van Sint-Benedictus en een atlas), aan een auteursroeping koppelt: "Want zelf denk ik dat hij alles had, of bijna, om een onverzettelijk auteur te zijn: de dierbare en noodlottig afgebroken jeugd, de onbarmhartige trots, een patroonheilige die op een duistere manier onbuigzaam was, een paar angstvallig gekoesterde canonieke boeken, Mallarmé en zoveel anderen als tijdgenoten, de verbanning en de afgewezen vader; en ook denk ik, dat het zoals gewoonlijk maar een haar had gescheeld - ik bedoel een andere jeugd, stedelijker of welgestelder, gevoed met Engelse romans en impressionistische salons waar een knappe, gehandschoende moeder je hand in de hare houdt - of de naam Antoine Péluchet zou in onze herinnering hebben weerklonken als de naam Arthur Rimbaud."

Het is duidelijk dat Michons levensbeschrijvingen geenszins de waarheid dienen of historisch verantwoord willen zijn. Legenden zijn het, vol schamele, maar aandoenlijke heroïek geofferd op het altaar van de literatuur en van het Woord. "Ik zou veel moeten verdraaien en een beetje moeten liegen, moeten zwijgen over de berooidheid, de ontreddering en de onherroepelijke afwezigheid," aldus Michon. "(...) En ik schminkte hun oude gezichten, die er ook niets aan konden doen, genas het trillen van hun handen en vulde hun stiltes." Hoeveel sympathie en consideratie elk portret bevat, toch idealiseert Michon het ruwe boerenleven niet (zoals een John Berger dat bijvoorbeeld wel durft te doen), noch wentelt hij zich in teerhartige gevoelens van nostalgie.

Michon vult met schrijven de leegte van zijn jeugd op, getekend door de vroege verdwijning van zijn vader. Want dit is een boek over Afwezigheid met de grote A, over notoire "verdwijnkunstenaars", mensen met het vuur aan de schenen of bloed dat overkookt, zodat ze op de vlucht moeten voor zichzelf, naar 'Afrika' of 'Amerika' of naar het krankzinnigengesticht. Via zijn "groteske theologie" laboreert Michon daarom aan een "wedergeboorte", volgens Thomése opgewekt "uit de narratieve sluimer van goden en halfgoden - die in een kinderziel blijft hangen als nevel in een ondoordringbaar bos".

Pas gaandeweg daagt het de lezer hoe hoog de inzet is van deze onorthodoxe en in zekere zin schaamteloos romantische zoektocht naar de bronnen van zijn schrijverschap: "Ik wist niet dat schrijven een nog duisterder, verleidelijker en teleurstellender continent is dan Afrika, en dat de schrijver nog gretiger het spoor bijster raakt dan de ontdekkingsreiziger; hoewel hij het geheugen exploreert, zijn eigen en dat van de bibliotheken, in plaats van duinen en wouden, staat hij voor een soortgelijk alternatief: thuiskomen met een schat aan woorden, zoals anderen met een kist vol goud, of er sterven, armer dan voorheen - eraan sterven."

Bijna bekoopt ook de alcoholverslaafde, in onmacht verkerende schrijver het met zijn leven, zoals hij in de zelfkastijdende passages uit Roemloze levens bekent. Zijn vriendin Marianne laat hem in de steek, andere goedmenende vrouwen doen uiteindelijk hetzelfde, maar Michons expeditie blijkt niet vergeefs. Vijftien jaar lijden voor pakweg 220 pagina's schoonheid en (ook in de Nederlandse vertaling) wiegende, naar het volmaakte hengelende zinnen. Het blijft bij nader inzien een ongemeen rijke oogst.

Valt er dan niets af te dingen op dit boek? Nauwelijks. Of toch: heel af en toe kreunt een zin onder zijn eigen overdaad. En zoals te veel exquise kruiden een gerecht kunnen verknoeien, springt Michon al eens te kwistig om met de Grote Letters (hij beseft het zelf, zo bewijzen zijn tirades tegen "die sentimentele foefjes wanneer de stijl het laat afweten"). Je vergeeft het een auteur die Roemloze levens ooit als volgt samenvatte: "Ik wilde het grootst mogelijke contrast scheppen tussen de ellendige levens van mijn protagonisten en het groot orgel waarop ik speelde om die levens weer te geven en om ze al doende te ontstijgen, te verheerlijken. Ze te veranderen in hun tegendeel. Als de taal van de engelen kan worden gebruikt om te vertellen over de verknoeide levens van alcoholische dagloners in een afgelegen negorij op het platteland, dan zijn ze gered en dan is degene die over ze schrijft meteen ook gered." (Magazine Littéraire)

Sinds zijn "redding" ontfutselt zijn kleine uitgever, die allang niet meer Gallimard heet, hem nu en dan nog een paar doorwrochte pagina's. Ondanks geruchten over het definitieve stilzwijgen komt Michon van tijd tot tijd bescheiden aan onze mouw trekken. Meestal bezorgt hij dan portretten van kunstenaars (Van Gogh, Watteau, Lorentino d'Angelo) of schrijvers (Arthur Rimbaud, het godenkind van Michon dat ook in Roemloze levens zo vaak geciteerd wordt). Of er komen een paar schetsen, een onooglijke novelle, een timide roman, een soort dubbelportret, zoals De hengelaars van Castelnau. Wat opvalt nu is de soberheid, de gedempte exuberantie van de taal, de handeling die summier wordt, de vaardigheid die groots blijft. Maar misschien heeft zijn debuut een slagschaduw over de rest van zijn "magistraal minuscuul" oeuvre geworpen. Het is een vaststelling die Michon niet schijnt tegen te spreken: "Mijn latere werk zijn voetnoten, glossen en echokamers."

Dirk Leyman

Meer over Pierre Michon op het internet: http://www.remue.net/michon.html

Door het kleine naar het grote, door het banale naar het verhevene, dát lijkt de verborgen agenda van deze portrettengalerij

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234